Laureaten opstelwedstrijd 2003 / 2004


V.l.n.r. Marijke HELLEMANS en Lynn SERNEELS (foto Marc AERTS)

Die zomeravond

Eerst waren Kristof en ik zo'n goed koppel! Hij kwam elke dag bij me langs. Het was een schat. Mijn moeder vond dat ook. Zo ging het leven zijn gangetje… tot die ene zomeravond.

We gingen naar het strand. We babbelden wat, maar ineens zei Kristof dat hij mij iets moest vertellen. Iets héél belangrijks. Hij keek me ernstig aan. Ik werd ongerust. "Wat dan?" "Je weet toch nog dat ik gisteren naar de dokter ben geweest omdat ik altijd zoveel pijn had?" "Ja, dat weet ik nog." "Wel, toen heeft de dokter gezegd…" Ik hoorde hem slikken. "Euh, dan heeft die gezegd dat ik een tumor heb." Ik begon te beven. Ik kreeg geen woord uit mijn mond. "Ik moet morgen naar het ziekenhuis om platen te laten maken." Ik begon te huilen. Hij begon mee te huilen. Daar zaten we dan: huilend op het strand. We bleven nog een tijdje zitten en dan gingen we naar huis.

Toen ik thuis kwam, liep ik direct naar mijn kamer. Mijn moeder schrok en kwam me achterna. De deur deed ik op slot. Mijn moeder klopte op de deur. Ik liet ze niet binnen. Toen ze bleef kloppen, deed ik de deur maar los en ging direct terug op mijn bed liggen. Ze kwam op mijn bed zitten. "Wat scheelt er, Hanne?" Ik gaf geen antwoord. Ze vroeg het weer eens. Ik kwam rechtop zitten. "Kristof heeft gezegd dat hij een…" -ik huilde nog steeds - "een tumor heeft." Mama pakte me vast. "Is het kwaadaardig?" "Dat weet hij nog niet. Hij moet morgen naar het ziekenhuis." "Ik zal wel een briefje schrijven dat je morgen thuisblijft van school, dan kan je meegaan." Mama ging terug naar beneden. Ik belde nog even naar Kristof om te vragen wanneer hij in het ziekenhuis moest zijn. Toen ik oplegde, ging ik terug op mijn bed liggen en viel huilend in slaap.

De volgende ochtend maakte mama mij wakker om acht uur. Ze keek mij met een bezorgd gezicht aan. Ik keek haar vragend aan. Om tien uur kwam Kristof mij ophalen om naar het ziekenhuis te gaan. Het was 9 uur toen ik ontbeten en mij klaargemaakt had. Om tien uur ging de bel. Ik vloog naar de deur en ja, daar stond Kristof. "Heej," zei hij stilletjes, "ben je klaar?" Ik knikte. Ik zei nog tegen mama dat ik weg was en sloot de deur.

Daar stond dat witte gebouw. Het ziekenhuis. We gingen naar binnen. Toen de dokter ons kwam halen, werd ik bang. Hij onderzocht Kristof. Toen ze foto's gemaakt hadden, moesten we even wachten. Dan keerde de dokter zich naar ons en zei: "Sorry, maar ik heb geen goed nieuws." "O nee!" zei ik zo stilletjes dat ze me niet hoorden. "U zult moeten geopereerd worden. Anders zou het kunnen dat u niet meer zo lang zal leven." "En wanneer?" "Nu is het beste." Kristof ging mee met de dokter. Ik wachtte en wachtte.

De dokter kwam eindelijk terug. "Hij is in levensgevaar dus mag hij zeker geen bezoek ontvangen. We doen ons uiterste best. Ik ging maar naar huis.

Thuis zat mama aan de keukentafel met een gespannen gezicht. Snikkend vertelde ik dat hij in levensgevaar was. Ze pakte me vast. Gelukkig was het morgen zaterdag en kon ik dan weer naar het ziekenhuis.

 

Ik bleef de hele dag in het ziekenhuis zitten. Buiten scheen de zon. 's Avonds kwam de dokter naar me toe. "Uw vriend is zojuist aan een hartstilstand overleden." Ik barstte in tranen uit. Ik ging naar huis. Toen ik thuis was, ging ik naar mama en pakte haar vast. "Hij is DOOD, mama!" Ze begon ook te huilen.

 

Zo ging er een maand voorbij. Op school kon ik me niet concentreren. Tot die nieuwe jongen bij ons in de klas kwam zitten. Hij was bloedmooi, die Matthias. Op een dag vroeg hij of ik met hem naar het strand ging. Het was een hete zomerdag. Natuurlijk zei ik ja.

Toen we 's avonds nog altijd op het strand zaten, vroeg hij ineens of ik het met hem aan wou. "Ja, natuurlijk!" Ik was zo blij en dacht bij mezelf: er zijn ook heel mooie zomeravonden!

Hannelore VERCAMMEN, laureaat 2004, reeks 1

 

Vrienden voor het leven

Het is warm. Een warm briesje waait over de kust van Hockla. De 15-jarige Anje loopt naar de boeg van het schip en kijkt naar de bergen, naar het groen, naar hetgene dat altijd haar thuis geweest is. "Waarom, verdomme!" vloekt ze stilletjes. "Waarom moeten we keer op keer vluchten sinds die klote maanexplosie van 2040?" In gedachten verzonken ziet Anje haar familie. Ze ziet een glimlach op het gezicht van haar moeder, de glinsterende ogen van haar vader, die ze zo graag zag. "Mama," fluistert ze, "je moest eens weten hoe de wereld er nu uitziet. Alles is anders! Hetgeen vroeger één mensheid was, is nu opgedeeld in twee groepen: de doders en de vluchters, met anders woorden de "Refco's" en de "Stromars". En raad eens in welke groep IK terechtgekomen ben? Juist ja, bij de Stromars, de vluchters!" Anje huilt. Voor de derde keer in haar leven moet ze wéér vluchten!

Tina, Anjes beste vriendin, komt aanlopen en fluistert: "Anje, we moeten echt voortmaken." Anje knikt haast onmerkbaar en loopt tergend traag en in gedachten verzonken naar de stuurhut. Ze zet koers richting MELAIA, het Stromarshoofdkwartier.

 

Een ijzingwekkende gil doet haar opschrikken uit haar gedachten. Met een snelle pas gaat ze richting Tina met in haar hoofd dat de gil van haar afkomstig is. Ze treft Tina zwaar ademend aan. "Een Refco…" hijgt Tina. "Er is een Refco aan boord! Haal snel een touw en kom als de bliksem terug!" Tina kijkt met angstige ogen rond terwijl Anje naar de stuurhut loopt op zoek naar een dikke, lange, stevige koord. Anje keert met een stevige koord terug naar Tina en fluistert: "Ik tel tot drie en dan beuken we de deur in. Eén, twee, drie!" En met een explosie van kracht zetten ze hun schouders tegen de deur en duwen zo hard ze kunnen totdat de deur openvalt. Geschrokken blijven de twee hartsvriendinnen staan. In de hoek van de kamer staat geen koelbloedige moordenaar met vijf messen en twee revolvers, maar een knappe, jonge kerel van een jaar of zestien.

"Wie ben je; wat doe je hier?" vraagt Tina met vlammende ogen aan de jongen. "Timoe", antwoordt deze met neergeslagen ogen, "dood me alstublieft niet! Ik wil gewoon meevaren tot in Melaia om daar een nieuw leven te beginnen." "Je bent dus een Refco?" vraagt Tina woedend. "Ja…," is het aarzelende antwoord. "O.K. Anje, bind hem vast!" Terwijl ze dit zegt, kijkt Tina Anje strak in de ogen. "Ik ga ondertussen zien of ik Melaia al kan bereiken met de satelliettelefoon" vervolgt ze loom. Als Tina weg is, knoopt Anje Timoes handen samen. "Hoe oud ben je?" vraagt ze nieuwsgierig. " "Zestien. En jij? En waar is de bemanning van dit schip?" antwoordt Timoe onzeker. Anje zucht. "Tina is achttien, ik ben vijftien jaar. We zijn geen Refco's, maar Stromars. De rest van de bemanning is vermoord door Refco's. Nu zijn we nog alleen op dit schip: Tina, ik en nu kom jij er nog bij," zegt ze uiteindelijk. Timoe knikt.

Op het moment dat Timoe iets wil zeggen, vliegt de deur open en stormt Tina met een grijns naar binnen. "Het is gelukt," straalt ze, "ik heb Melaia kunnen bereiken en ze verwachten ons binnen vijftien dagen!" "Wat doen we dan met Timoe," vraagt Anje aarzelend. "Afrekenen met hem, en liefst zo vlug mogelijk" is het kordate antwoord van Tina. "Nee, alstublieft nee, dood mij niet!" Verbaasd kijkt Anje naar Tina. Hoe zou ze erop reageren? "Luisteren we eerst niet beter naar zijn verhaal?" vraagt Anje met enige aarzeling in haar stem aan Tina, "Misschien heeft hij nuttige informatie."

Anje en Tina luisteren geboeid naar het verhaal van Timoe, over hoe het er écht aan toe gaat bij de Refco's. Timoe vertelt.

"Van bij de geboorte al wordt men onderverdeeld in twee groepen. De moordenaarsgroep en de kannibalen. De moordenaars eten uitsluitend vegetarisch, terwijl de kannibalen de mensen opeten die door de moordenaars afgemaakt worden. Je begrijpt dus dat het leven voor vele Refco's er niet zo rooskleurig uitziet als jullie denken. We mogen nooit zelf kiezen wat we doen, we eten steeds stipt om zeven uur 's morgens, twaalf uur 's middags en 19 uur 's avonds: de moordenaars en de kannibalen aan aparte tafels. Ik ben "moordenaar". Het moorden is erg. Je moet de Stromars eerst martelen voordat je ze vermoordt. Als je ze fout martelt, word je gestraft. Dan wordt je vinger afgehakt, of prikken ze je ogen uit. Maar het ergste van al is: je mag niet kiezen met wie je trouwt. Dat kiest de Thira, de koning. Je mag ook geen seksuele betrekkingen hebben met je vrouw. Je mag niet met andere Refco's praten alleen met je vrouw en met de Thira. En als je deserteert en ze vinden je, dan word je ZELF gemarteld tot je sterft. Gelukkig ben ik heelhuids uit die hel kunnen ontsnappen. Maar als ze me toch te pakken krijgen, zullen ze niet mild zijn voor mij."

Timoe slikt een paar keer en vervolgt. "Ik smeek jullie, mag ik alstublieft blijven?" Met open mond kijken Anje en Tina Timoe aan. "Ik had écht geen idee dat het er zo erg aan toe ging bij de Refco's…" zegt Anje na een poosje. "Maak je maar geen zorgen, Timoe," zegt Tina terwijl ze de koorden losknoopt. "Nu weten we dat we niet alleen zijn", fluistert Tina tegen Anje en Timoe. Ze steekt haar hand uit. "Vrienden voor het leven?" vraagt ze. "Voor eeuwig!" zeggen Timoe en Anje in koor. Ze kletsen hun handen tegen elkaar…

 

En in plaats van naar Melaia te gaan, zetten de drie vrienden koers naar Krojots, het Eiland van de Eeuwige Hoop.

Lynn SERNEELS, laureaat 2004, reeks 2

 

Door ijs en stilte.

De felle, maar warmteloze zon verlichtte de uitgestrekte toendra, een stille oceaan van schemerkleuren, slapend onder het ijle hemelgewelf. Iedere heuvel vormde een golf van ijs en zand, de lage knoestige struiken leken op verstarde zeealgen, eenzame stippen groen in een wereld van bevroren dauwdruppels.  De ruiter en zijn paard vormden samen een donker schip op deze barre zee, voortgedreven door zeilen vol huilende wind.

Tocall genoot met volle teugen van de roekeloze snelheid waarmee hij en zijn hengst Grënndar over de vlakte bewogen. Hij wierp zijn hoofd achterover en uitte een schelle vreugdekreet, terwijl zijn haren in de wind wapperden als de zijdezwarte vleugels van een raaf. Hoewel de toendra een onbarmhartige wereld was om in te overleven, kon zelfs de bijtend koude lucht zijn euforische roes niet verjagen.

Enkele dagen geleden had de jonge man zijn zestiende dooiseizoen gezien, en was volgens de wetten van zijn volk, de Sami, alleen naar de Dalarna-vlakte vertrokken. Als bewijs van zijn volwassenheid moest hij binnen tien dagen zijn weg terugvinden naar het dorp, met een waardige jachtbuit. Tocall was vastbesloten geweest zijn familie en voorouders te eren en een koninklijk rendier te doden. 

Maar toen hij de vlakte naderde waar de grote geweidragers sloom door de smeltende sneeuw trokken, was hij op een roedel wolven gestuit. Het had de jonge jager veel moeite en geduld gekost, maar tenslotte had hij een mannetjeswolf buit gemaakt. Het asgrijze dier was gestorven met een speer door het hart, en lag nu stevig vastgebonden achter Tocall. Het was een droevig gezicht, de eens zo glanzende vacht dof en de ogen van ambersteen gebroken, maar een wolf was een grootse trofee, veel kostbaarder dan een rendier.

Hij liet Grënndar vaart minderen en zette koers naar de plaats waar de zon werd geboren.  Terwijl hij terugreed naar zijn familie, zong hij een dankgebed voor de Sajvva, het volk van de wind en de zon, de beschermgeesten van de Sami.

Tocall merkte de krijgers niet op die hem beslopen, tot hij het suizen van een geworpen knuppel hoorde. Hij voelde een doffe klap tegen de achterkant van zijn hoofd en de onverschillige toendra verdween in een zwarte draaikolk van pijn.

 

Tocall kwam weer bij met barstende hoofdpijn en een onaangename bittere smaak in zijn mond. Hij leunde zwaar tegen een houten paal en voelde dat zijn polsen achter zijn rug waren vastgebonden met dunne touwen, die venijnig in zijn vlees sneden telkens hij bewoog. Hij besefte na enkele vergeefse pogingen dat hij zich onmogelijk zou kunnen loswringen. Bovendien waren zijn wapens hem ontnomen, en het ergste was dat hij niet eens wist door wie. Een verstikkende zwarte golf van wanhoop borrelde op in zijn hart en Tocall keek huiverend rond. Hij zat in een lage, duistere tent, waar de zware geur hing van zweet en gedroogde dierenhuiden. Vaag herkende hij een tweede paal, waar een donkere vorm zich onduidelijk aftekende. Hij bedacht net dat het een stapel vachten moest zijn, toen het bewoog, en zich zacht kreunend oprichtte. Tocall verstarde en hield zijn adem in. Heel even zag de Sami de glinstering van twee zacht glanzende ogen, als verdwaalde schilfers sterrenlicht in een donkere obsidiaan. 

Geen enkel geluid weerklonk, de spanning hing bijna tastbaar in de bedompte lucht en iedere hartslag weerklonk luider dan de echo van donder over de vlakte.

Een schorre stem verbrak fluisterend de doofmakende stilte en Tocall verstrakte. De lage tonen en vreemde accenten waren de tongval van de Perthan. Dit kleine volk bewoonde de uitgestrekte wouden van de taiga en was normaal erg vredelievend. Maar al generaties lang weigerden ze de Sami over hun heilige gronden te laten reizen, wat veel wrevel en zelfs haat had veroorzaakt. Tocall had veel verhalen gehoord over de slechte aard van de Woudmensen met hun lichte huid, en weigerde te antwoorden. Hij besloot zijn medegevangene te negeren en legde weemoedig zijn hoofd tegen het ruwe hout. De Sami keek echter met een ruk weer op toen de vreemdeling woorden sprak die hij begreep; "Vrede zij met jou. Wie ben je?" Tocall aarzelde, maar mompelde tenslotte nors: "Geef me jouw naam, Perthan, en ik zeg je de mijne."  De jonge man liet zich niet verstommen en beantwoordde zijn botheid met vriendelijkheid: "Een Sami? Laat er geen vijandschap zijn tussen ons. De echte vijanden zijn buiten. Mijn naam is Jo San, de Waakzame."

Tocall fronste even en besloot dat hij weinig keus had dan de vreemdeling te vertrouwen.

"Ik heet Tocall."

Er volgde een gefluisterd gesprek, met stemmen stiller dan de wind die over de toendra joeg. Jo San vertelde hem wie hun had overvallen en Tocalls hart versteende van afschuw bij het horen van de naam van de gevreesde rovers uit de verre steppe.

Hunnen. Telgen van het moordzuchtige zwerversvolk dat op hun pad een spoor van lijken en verkoolde dorpen achterliet. Waarom ze hem of Jo San hadden laten leven was hun beide een raadsel, maar de Perthanjongen had wel enkele onprettige mogelijkheden bedacht. 

Tocall begon met het verstrijken van de uren in te zien dat Jo San geen slecht persoon was, en hij begon de jonge man met zijn lustig gebabbel en onverstoorbaar optimisme aangenaam gezelschap te vinden.

In de volgende, ontspannen stilte trachtte Tocall zijn benen te plooien, in een wanhopige poging de krampen uit zijn spieren te verjagen en schrok toen iets scherp in zijn laars tegen zijn kuit schuurde. Met een droge mond van zandsteen tilde hij onhandig zijn been omhoog. Het voorwerp gleed langzaam uit zijn laars en viel met een zachte plof op de aangestampte aarde die dienst deed als vloer. Ondanks de kilte brak het klamme zweet hem uit terwijl hij blindelings rondtastte in het duister en gebeden fluisterde aan alle geesten en goden die hij kende. Na een tijd die langer scheen te duren dan een mensenleven, omsloten zijn koude vingers een vertrouwd stuk ruwe steen. Een mes.

Hoe lang het ook had geduurd het wapen te vinden dat zijn redding kon betekenen, het was niets vergeleken met de tijd die het kostte om zich te ontdoen van zijn boeien. Met kloppend hart en trillende handen liet Tocall het mes voorzichtig langs de touwen schuren en slaagde erin slechts tweemaal in zijn vingers te snijden. Zodra hij los was had de Sami het liefst een vreugdedansje gemaakt of een potje gehuild, maar hij hield zichzelf in en sloop door de tent naar Jo San. De Perthan verroerde zich niet en nu hij kon zien wat hij deed sneed Tocall veel sneller door het koppige leer. Hij hielp Jo San recht te komen, maar nog voor deze goed en wel op zijn benen stond, omhelsde hij Tocall onhandig. 

"Gekke idioot! Vond je mij nu zo'n leuke gesprekspartner dat je nu pas wilt ontsnappen?" Hij gaf hem een klap op zijn schouder en trok de Sami mee naar een opening in de ruwe wand van de tent.

Een korte windvlaag kolkte naar binnen en bracht de frisse geur van smeltsneeuw met zich mee.

Buiten lag de nacht nog als een koningsblauw deken over het Hunnenkamp, maar in het oosten kwam de zon aansluipen met de geruisloze gang van een sneeuwpanter, en de hemel kleurde langzaam pasteloranje. In het prille licht van de nieuwe morgen gleden twee stille figuren door het kamp, als schaduwen ontsponnen uit mist en opaalachtig maanlicht, richting de paardenkraal.

 

De zon toonde zich betoverend mooi in haar gestage klimtocht naar de bleke lucht. Met een gouden glimlach zond ze warme kussen naar de kille toendra, en verjoeg de laatste prikkelende herinnering aan de ijzige streling van de nacht. Twee jonge ruiters stonden naast elkaar op een heuveltop en tekenden donker af tegen haar verblindende schijnsel.

Tocall wist niet zeker meer hoe hij uit het kamp was geraakt en daar op die heuvel was beland, maar hij was er; hij ademde de vochtige lentelucht genietend in, en dit was voor hem genoeg. Hij gleed met zijn hand over de zilveren manen van Grënndar, en voelde zich ondanks alles bedroefd over het ontbreken van de wolf achter op de paardenrug. Maar nog veel droeviger voelde hij zich bij de gedachte aan het naderende afscheid. Jo San zat naast hem, en lange tijd sprak geen van hen beiden, maar ze voelden allebei dat ze vanaf hier hun eigen pad zouden moeten volgen, op wegen die ver uit elkaar leidden. Ze staarden een tijdje naar het lichtspel van de zon op de eerste, kleine plassen dooiwater, tot Jo San plots zijn hand op Tocalls schouder legde en, in tegenspraak met de triestheid in zijn grote donkerbruine ogen, een flauwe grijns tevoorschijn wist te toveren. Tocall weerspiegelde zijn gebaar en even bleven ze zo roerloos zitten, tot hij tenslotte genoeg moed verzamelde en "Vaarwel." fluisterde.

Jo San kneep licht in zijn schouder en antwoordde zacht: "Echte vrienden zeggen nooit 'vaarwel', Tocall, ze zeggen 'tot ziens', ook al komt de volgende ontmoeting nooit."

Ze lieten elkaar los, en Jo Sans paard begon langzaam naar het zuiden te wandelen. Tocall haalde diep adem en riep toen zijn naam. Jo San draaide zich om, de wenkbrauwen vragend opgetrokken.

"Hé... Tot ziens, Perthan."

De oprechte glimlach die op zijn gezicht doorbrak was als de eerste dappere zonnestraal tussen grijze regenwolken. "Tot ziens, Sami." 

Er kwam inderdaad nooit een volgende ontmoeting en de twee jonge mannen spraken elkaar nooit meer. Maar de onbreekbare, hartverwarmende band die tussen hen was ontstaan, en de naam 'vriendschap' droeg, bleef hen hun hele leven verbinden, dwars door een wijde wereld van stilte en ijs.


Ine Boogmans, laureaat 2004, reeks 3

 

In elke schaduw schuilt een sterretje.

Ooit was dit een machtig rijk. Koningen, keizers met tanden van goud en harten van steen leefden in paleizen met trofeeën van bedreigde diersoorten aan de muur.

Ooit was hier vriendschap en zelfs een beetje liefde; tussen het dienstmeisje en de stalknecht, de postbode en de melkvrouw, de twee musjes op de gouden toren van het paleis.

Maar niets is nog zoals het vroeger was. Nu is deze stad te groot, de mensen nog kouder dan vroeger en in de dode straten zwerft nu elk verdwaald streepje licht doelloos rond om zachtjes te sterven daar waar vuur en water, donker en licht en waarheid en leugen samenkomen.

De koning had geen hemel nodig. Hij zei dat er geen enkele wolk zo mooi kon zijn als deze die de hofschilder eeuwen geleden geschilderd had op de hemelhoge koepel die de stad al zo lang men kon herinneren tegen donder en bliksem beschermde. Zelfs de dikke koningin en haar lieflijke dochters hadden geen hemel nodig want de wind en de regen zouden hun kapsel alleen maar in de war brengen. In hun kleine wereldje hoefden ze niet toe te geven dat ze eigenlijk gewoon bang waren, bang  dat de hemel weer zou bulderen en vuur spuwen. En de koning, was blij met deze façade,  omdat op die manier zijn macht en rijkdom in stand gehouden werd.

 

Nelle staart dromerig naar de belachelijke gele vlek die half verborgen is door grijze penseeltrekken. Ze ligt op haar rug op een bankje vlak voor het paleis en aanschouwt de hele koepel. Hij torent dreigend boven haar uit. Hier heerst de macht van de illusie, hier woont de leugen die door niets wordt achterhaald.

‘Ik wou dat ik kon wegvliegen als een meeuw over zee, dan zou er niemand meer tussen mij en de zon komen. Ik zou dansen onder de sterren, door de regen en de storm.’

Alexander kijkt haar verwijtend aan. ‘Wees de koning dankbaar, zonder hem zouden we allemaal al lang gestorven zijn door de vervloekte donder en bliksem.’

Nelle zucht. ‘Ik zou liever één keer de zon voelen, één keer de sterren zien en daarna meteen sterven dan dat ik voor eeuwig in deze liefdeloze steen opgesloten zou zitten. Trouwens, hoe kan zoiets moois nu gevaarlijk zijn?’

Nelle herkent de angst in de ogen van Alexander, zij wist wat hij met je deed.

‘Wat weet jij daar allemaal van?’ Vraagt hij.

‘Als je boven in de nok zit en je bent heel stil, dan kan je soms een zacht geritsel horen, net alsof er duizend druppeltjes uit de hemel op de koepel vallen. Ik geloof dat dat regen is.’

‘Je bent een dwaas, Nelle.’

 

Ze stond dus alleen, helemaal alleen, nu zelfs haar beste vriend haar in de steek laat. Met vlugge, lenige bewegingen vindt ze bijna blindelings haar weg naar de nok, ze legt haar hand op de koepel en voelt de kracht van buitenaf. Ze moet, ze moet. Het enige wat er tussen haar en de echte wereld staat, is een laagje steen, belachelijk toch?

Ze ziet het in de mensen die naast haar lopen: blinde angst, blind geloof, de val van vanzelfsprekendheid. Ze zien alleen wat ze willen zien, voelen wat ze moeten voelen en denken wat de koning hen opdraagt te denken.

 

Een dun lijntje helderwit licht stroomt een beetje onzeker naar binnen. Nelle, nog slaapdronken kijkt ernaar en denkt dat ze nog droomt. Ze staat langzaam op en legt haar hand op de koepel. De straal loopt nu over haar hand. Ze sluit haar ogen en voelt een behaaglijke warmte. Zou dit het vuur zijn waar iedereen altijd over spreekt alsof ze het over de duivel hebben? Ze schrikt en haalt vlug haar hand weg, ze leeft nog, voelt zich zelfs beter dan voordien. Zo blijft ze uren staan. Vol ontzag ziet ze, naarmate de uren die verstrijken het straaltje verder van haar weg gaan. Tranen stromen over haar wangen, zoiets moois heeft ze nog nooit gezien. Dan, plots wordt het straaltje zwakker, verandert van kleur tot het uiteindelijk oplost in de steen.

Ze moet weten waar het vandaan kwam. Nelle klimt zachtjes, om niemand wakker te maken, naar de top. Met elke beweging die ze maakt, elke stap die ze dichterbij komt, groeit het verlangen in haar om meer te zien. Ze sluit haar ogen en hoopt dat het vlug morgen zal zijn.

Nelle wordt wakker, nog steeds complete duisternis. Ze wacht en wacht op een toekomst, voor ze wordt ingehaald door het verleden. Nu kan ze zich voorstellen hoe het voelt om levend begraven te zijn. Wachten tot iemand je vindt. Maar als niemand zoekt?

Dan ziet ze het licht, eerst breekbaar, als dun porselein, dan wordt het straaltje feller en zuiverder, klaar om haar te betoveren. Nelle roept en schreeuwt, ze slaat een bres in de muur die haar al zolang gevangen houdt. Dan valt hij, alleen voor haar. Ze kijkt ze naar beneden, chaos, vrouwen schreeuwen, kinderen huilen, waanzin.

‘Kom, kom dan toch. Hier is licht, vrijheid. Hier is leven!’

Mensen kijken haar aan, ze zijn bang, willen hun deken dat hen al die tijd heeft warm gehouden niet kwijt. Een oude koning uit een ver verleden staat op en wil haar stoppen, maar met zijn schreeuw verdwijnt ook zijn rijk.

 

Nelle schudt haar jurk in de juiste plooien, de zachte herfstzon laat het satijn oplichten. Ze ademt diep in en uit, de zuurstof doet haar een beetje zweven. Ze is nu in een andere wereld, een echte wereld.

 

Lars zucht, hij moet nu stevig doorstappen. Hij ademt een paar keer diep in en uit, de zuurstof doet hem een beetje zweven. Plots blijft hij stilstaan. In de verte staat een meisje, ze heeft een oude roze jurk aan. Hij wil wegkijken maar het lukt hem niet. Z’n ogen houden haar zo geconcentreerd vast dat het pijn doet. Ze staat daar, zomaar, alsof ze niet van deze wereld is. Alsof alles eenvoudig is, zolang je je ogen maar dichthoudt. De wind laat de dode herfstbladeren dansen, alleen voor haar. Als kleine marionetjes zweven ze om haar heen.

Nu of nooit, flitst het door zijn hoofd, het blijft maar doorgaan, als hij nu weggaat is hij een lafaard. Heel langzaam, voetje voor voetje loopt hij haar richting uit, op een meter afstand blijft hij staan. Als hij z’n hand uitsteekt kan hij haar aanraken. Ze heeft nog steeds haar ogen gesloten. Hij legt voorzichtig z’n hand op haar schouder. Langzaam opent ze haar ogen en draait haar hoofd naar hem toe.

 

 ‘Ooit zal deze wereld stil, koud en donker zijn. Maar voordat dat gebeurt wil ik van alles geproefd en gedronken hebben. Want er is niets dat ik nog wil missen.’

Marijke HELLEMANS - laureaat 2004 - reeks 4

©  Davidsfonds Heist-op-den-Berg, Oude Liersebaan 75, 2220 Heist-op-den-Berg, BELGIUM
©  Foto bij opstel reeks 4 : G.Van Pelt