Laureaten opstelwedstrijd 2004 / 2005

Foto: De laureaten v.l.n.r. Michaël Van Raemdonck, Ine Boogmans en Ellen Cleynhens.
(Hanne Lemmens was in vakantie)


Op heterdaad betrapt

Ergens in de dierenwereld ligt de stad Nootjes. Nootjes ligt in een groot bos. En er is een markt, en op die markt staat taarten- en gebakjesverkoper Lars Stekel, een egel. Hij woont met zijn gezin: Anne-Marie Stekel, zijn vrouw, Ben Stekel, zijn zoon en Lydi Stekel, zijn dochter, in een houten huis (in Nootjes staan alleen maar houten huizen) aan de zuidwestelijke rand van de stad. Ze hebben aan hun huis een kleine gezellige winkel vol zoetigheid zoals: okkernotenpudding, kastanjetaart, beukennootsnoepjes en nog veel meer. Ze hebben ook eikeltjesthee en andere dranken en dank zij al deze lekkernijen verdienen ze wat geld. Ze kopen deze noten allemaal bij de grote notenfabrikant Rijmstaart, een rijke bosmuis. En zo gaat het jaren hetzelfde…

Op een dag komt er een groep vijandelijk uitziende vossen uit het Noorden bij de ruïnes van het vroegere kasteel aan de westelijke rand van de stad: kasteel Wapeneikel. Aan het hoofd van die groep staat Stokroos, één van de bekendste misdadigers van het hele Noorden. Toen hij aan het kasteel kwam, zei hij tegen zijn mannen: “In deze ruïne slaan we ons kamp op en morgen beginnen we met het herstellen van dit kasteel.” Hij deed dat omdat hij wist dat Nootjes bekend was om zijn lekkernijen en had een briljant plannetje bedacht om die te stelen. Want dan kon dat allemaal toch gebruikt worden als voedselvoorraad.   
Die nacht verliep alles rustig, alleen Stokroos was aan het piekeren over zijn plannetje; of het wel zou lukken. Eerst ging hij  spionnen verspreiden over de stad om te zien wat ze precies maakten en als ze genoeg wisten over de verschillende soorten taarten en gebakjes, dan ging hij er valse namaken en die ’s nachts met de echte verwisselen. Nu eerst slapen…

De volgende dag ging iedereen aan het werk. Brokken steen werden naar de muren gebracht en weer in elkaar gemetseld. Tegen de avond was heel het kasteel opgeknapt en iedereen was uitgeput dus gingen ze slapen.

’s Morgens gingen de eerste spionnen op pad en brachten al snel tientallen verschillende schetsen mee van taarten en gebakjes. Met mos, takjes en nog veel meer dingen begonnen ze de lekkernijen van de schetsen na te maken. ’s Avonds waren er al meer dan honderd neptaarten en –gebakjes gemaakt.

Die nacht begon iedereen van de groep echte taarten te verwisselen met neptaarten, ook bij de familie Stekel.           
De volgende morgen toen Lars en Anne-Marie Stekel in hun winkel kwamen, leek er op het eerste gezicht niets mis, maar toen ze de taarten beter bekeken, zagen ze dat ze nep waren. Toen ze een poosje later een paar reservetaarten in het uitstalraam zetten, hoorden ze een andere verkoper van een snoepwinkeltje ook tegen een andere muis klagen over nepsnoep in zijn uitstalraam.   
Ze besloten nog een paar dagen af te wachten, hoewel ze het toch maar vreemd vonden.

De daaropvolgende vijf dagen gebeurde net hetzelfde dus besloten ze naar de vergadering te gaan waar ze op uitgenodigd waren door een paar andere verkopers. Toen ze die namiddag op de vergadering toekwamen, zagen ze dat zeker de helft van de stad aanwezig was. Toen de vergadering begon, hoorden ze dat alle winkels op die manier beroofd waren. Na urenlang bezig te zijn geweest met het bespreken van deze diefstallen, besloten ze de winkels ’s nachts goed in het oog te houden en dat deden ze!

Rond twaalf uur in de nacht hoorden Lars en Anne-Marie, die achter een van de kasten zaten, gestommel in de luchtkoker. En ja hoor! Daar kwamen twee vossen uit de luchtkoker gekropen. Ze stalen de taarten en wilden juist vertrekken toen Lars en Anne-Marie te voorschijn sprongen en riepen: “OP HETERDAAD BETRAPT!”  
Het klonk zo luid dat de verkopers van de omliggende winkels hetzelfde zeiden, en dan weer die omringende winkels en zo de hele stad. Alle vossen lieten hun buit liggen en renden zo hard ze konden terug naar Wapeneikel. 
Toen Stokroos de vossen zag aankomen, riep hij direct “Kamp afbreken, we zijn ontdekt!” En op hele korte tijd was heel het kasteel verlaten.

Nooit kwam Stokroos nog terug. En hoe ging het dan verder met de familie Stekel? Wel, na die dappere daad van Lars en Anne-Marie werd hun winkel de bekendste zaak van heel Nootjes en de omliggende steden.          
En Ben en Lydi? Die kregen allebei een mooie medaille, al hadden ze niet echt geholpen.

Michaël VAN RAEMDONCK, laureaat 2005, reeks 1

 

Spoorloos

“Wiebe, je eten wordt koud!” ’t Is mijn moeder. Ze doet nogal raar deze week. Waarschijnlijk de tijd van de maand. Of misschien gewoon het feit dat vader de weg naar huis niet meer lijkt te vinden. Al vier dagen kom ik hem nooit meer tegen in de keuken. En nooit meer word ik erop gewezen dat een normaal kind al drie kwartier op school zou zitten.

Het leven is saai zo zonder mijn vader. Niemand roept me om op te staan, niemand geeft me een draai om mijn oren als m’n rapport half opgebrand in de kachel te vinden is, of niemand vraagt zich af waarom mijn huiswerk plots tot hondenvoer is omgetoverd. Mijn moeder lijkt het normaal te vinden. Zij kookt en de rest laat ze over aan iemand die zich ertoe geroepen voelt, zo ziet zij het leven. Ik zie het leven meer als een computerspel: je kan doen wat op de verpakking staat en eindigen in level 4, of je kan het doen op je eigen manier en nieuwe dingen ontdekken. Ik heb gekozen voor het laatste.          
Er klinkt gerommel in mijn kamer. Met grote verbazing ontdek ik dat het mijn holle maag is. Met een snelheid waar Schumacher nog wat van kan leren snel ik de trap af en zie nog net hoe de hond mijn kaasworst naar binnen speelt. “’t Was haast terug bevroren” grijnst mijn moeder. Sarcastisch lach ik terug, pak mijn jas en zet vaart naar het dorp toe.

Op goed geluk ga ik de eerste frituur op mijn route binnen. Het geluk lacht me toe vandaag: daar zit ze, Marthe. Ze houdt van mij, Nee, eigenlijk ben ik het die haar bemin. Ze lacht en haar ogen schitteren. Misschien voelt ze dan toch, stiekem, in het diepst van haar hart … een klein beetje meer voor mij. De stoel naast haar lijkt me juist geschikt voor een kerel als ik.   
”Zo, krullenbol van me, mis je me dan niet?” Vragend kijk ik in haar donkere ogen. “Er bestaat zoiets als school” heldert ze mijn geest op. “Oh…, ja school, …”het onderwerp klinkt hard in mijn spijbel-oren. “Natuurlijk mis ik je, maar… ik voel me nogal ziek.” Ik wist dat ze het nooit zou geloven, zo slim is ze wel. Eigenaardig genoeg knikt ze gewoon. Ze knikt en lacht. Ja, ik mis het wel, het getier van de leerkrachten, mijn vaste bezoeken aan de directeur, het gemopper van de poetsploeg en ja, natuurlijk mis ik haar. Maar zin om terug te gaan, nee daar denk ik zelfs niet aan…            
“’t Is voor mij ook al een poos geleden, hoor.” Verlegen kijkt ze me aan. “Er is niks meer aan zonder jou, Wiebe. Elke morgen sta ik aan de schoolpoort te staren, hopend dat je langskomt en we samen de school binnenstappen. Maar alleen? Nee, als jij niet komt, ik ook niet.”  
Verrast herhaal ik haar woorden in mezelf. Ze geeft om mij. Ze kan niet zonder mij, je zou haast denken… ze houdt van mij.
“Euhm…” Goh ik weet echt niet wat ik daarop moet zeggen, ...”ik ga even bestellen.” Dom, nu denkt ze dat ik niks om haar geef, dat ik haar haat of zo. Ze knikt. Ik leg mijn hand op de hare en sta op. “Ik kom zo!”

Ik reken af en als herboren zet ik me terug om mijn plaats. “Je moet niet meer wachten op mij, ik kom nooit meer terug naar school.” Mijn stem klonk onzeker maar ik wist dat dàt was wat ik ging doen. “Maar, ik… dat kan je me niet aandoen, ik… ik hou van je, Wiebe. Je kan je niet zomaar voor de buitenwereld verstoppen!” 
Ze houdt van mij!        
”Ik zie je graag, Marthe, je hebt gelijk, maar ik wil geen voorbeeld van het perfecte kind zijn, ik wil vrij zijn, ik wil zijn wie ik wil zijn en doen wat ik wil doen. Ik hou echt van jou, geloof me.” Ze kust me en pakt mijn hand. Het lijkt een droom waaruit ik nooit ontwaken wil. “Ik wil weg, Wiebe. Weg van nu. Samen, ik en jij, weg naar nergens.” Ik wist wat ze bedoelde, wat ze wou. “Als je echt wilt, gaan we.” Ze lacht en legt haar hoofd op mijn schouder. “Morgen, morgen wil ik” “Okee, morgen…”

Het is stil, haar hoofd onder mijn kin, onze handen ineengekronkeld op mijn bil. Morgen begint mijn leven, morgen ga ik weg, weg van de wereld, verder dan de horizon.         
Haar lippen bedrukken de mijne. “Ik moet weg. Ik zie je morgen wel.” Ze gaf me nog een zoen op mijn voorhoofd. “Morgen halfacht op het kerkplein.” En ze vertrok.     
Mijn frieten waren koud, ‘haast terug bevroren’ zoals mijn moeder het zegt. Maar wat kon het mij schelen. Morgen is belangrijk, zij is belangrijk, zij is mijn toekomst. Ik stap de kille straat op en ga, misschien voor de laatste keer, terug naar huis.

Het is morgen, iets rond zes uur. Muisstil sluip ik de zolder op en vind een grote groene rugzak. Die vul ik met kleren, veel geld, een slaapzak en een tent erboven op. Beneden gekomen, plunder ik de koelkast en rond kwart na zeven sluit ik de deur. De deur van wat ooit mijn huis was, de deur waarachter ik ben opgegroeid in moeders en vaders armen en waar ik ben losgelaten. De deur die het einde is van mijn oude leven en me leidt naar het leven dat voor me ligt, een leven dat anders zal zijn. Een leven dat niemand leidt, hier ligt mijn leven. Ik laat de deur los en ren, ren naar mijn toekomst.

Zoals afgesproken staat ze voor me. Ze pakt me vast en kust me, kust me vol liefde. Zij is mijn geluk. Zij is wat ik wil.

Hand in hand stappen we, tot verder dan de horizon. Verdwaald in mekaars liefde.

Spoorloos voor de wereld.

Hanne LEMMENS, laureaat 2005, reeks 2

 

Bobby’s Club

Het zou moeilijk worden. Dat wist ik. Het zou eeuwen duren. Dat wist ik. Het zou puur gekkenwerk zijn. Dat wist ik ook. En toch ging ik het erop wagen. Ik zou de allereerste sterveling zijn die het zou aandurven om als niet-lid in Bobby’s Club binnen te dringen.

Bobby was een potige zesdejaars aan het Welton College in een tamelijk grote stad in Sussex. Hij had een licht overgewicht, maar dat compenseerde hij ruimschoots met een grote bek en stevige vuisten. Zijn club stond bekend als de doodsangst van de bejaarden en was bovendien even toegankelijk als ene hermetisch afgesloten metalen kist onder een zes ton wegende vrachtwagen. Mijn vrienden noemden me dus met reden gek en ik wist dat het onmogelijk was, maar het kon me geen barst schelen. Bobby was namelijk te ver gegaan. Hij had met zijn lange vingers van mijn oma moeten afblijven!

Ik had met mijn eigen ogen gezien hoe mijn oma door de winkelstraat liep, haar kerstinkopen in één hand, haar onafscheidelijke wandelstok in de andere. Door de kou van de decembermaand ging ze trager dan anders, en ze moest zich een weg worstelen door de mensenmassa die allemaal in de tegengestelde richting tegen elkaar opbotsten. Toen gebeurde het; een dikke kerstman liep zogenaamd ‘per ongeluk’ tegen haar aan. Mijn oma viel met een kreet op de grond, bleef verdwaasd liggen en merkte toen dat haar inkopen weg waren, plus de ganse inhoud van haar grote krokodillenleren handtas, die waar ze zo trots op was geweest. Haar wandelstok was in twee gebroken en lag vergeten op de grond. Niemand stopte. Iedereen liep zonder aarzelen voorbij. De kerstman was natuurlijk al lang weggelopen. Ik wilde naar mijn oma toe rennen, maar de omstanders hielden me tegen.

‘Ben je gek, dat is een aanval van Bobby’s club. Voor je ’t weet heb je geen leven meer,’ siste een man in mijn oor. Ik rukte me woest los maar bleef toch staan. Hij had gelijk. Als je het eenmaal bij Bobby had verkorven kon je het wel vergeten. Ik moest dus lijdzaam toekijken hoe mijn oma, zonder een cent op zak te hebben, voorovergebogen naar de bushalte sukkelde en daar ook nog eens door een norse chauffeur geweigerd werd omdat ze geen busticket kon kopen. Gelukkig werd ze toen opgevist door een andere bejaarde man, maar niet voordat deze eerst goed had rondgekeken om te zien of er zich iemand van Bobby’s bendeleden in de nabije omtrek bevonden. Dat was de eerste keer dat ik letterlijk zag hoe Bobby’s club te werk ging. Ik besloot ze te volgen, en ik ontdekte vreemdere dingen over mezelf dan ik ooit had durven denken.

Mijn schaduwcampagne begon toen ik op een avond van de tekenles naar huis liep, mijn tekenmap onder de arm en weggedoken in mijn jas tegen de kou van de schemering. Ik zag ze eerst niet, maar toen ik voorbij het steegje van de buitenwijk naar de hoofdstraat liep kon ik duidelijk een hele groep jongens onderscheiden. Ik verstopte me gauw in de schaduw. Met belangstelling sloeg ik hun gade. Het bleek dat ze een ruzie hadden of zoiets. Met schrik herkende ik de stem van Bobby.

‘Ik zeg je dat dat kind van Burry je heeft gezien, Jack. Of dacht je soms dat ik je niet ging schaduwen bij je eerste grote opdracht alleen?’ voegde hij er spottend aan toe. De jongen die Jack heette bleef rillend als een espenblad staan.

‘Maar dat is onmogelijk. Ik… ik had overal mannetjes geplaatst om ervoor te zorgen dat alles gesmeerd liep,’ zei hij mompelend.

‘Het is wél mogelijk, je kan ervoor zorgen dat het goed komt of ik gooi je uit de Club en je weet wat er dan gebeurt, nietwaar?’vroeg Bobby met een grijns.

‘Ik…natuurlijk Bobby,’ gaf Jack toe. ‘Ik zal haar wel laten zwijgen.’

Bobby trok Jacks gezicht naar het zijne toe.

‘Dat zal je geraden zijn,’ siste hij bits, ‘of anders…’

Hij wreef veelbetekenend over zijn knokkels. Ik had genoeg gezien. Zwijgend vervolgde ik mijn weg. Jack zat achter mij aan en Bobby wist dat ik van zijn praktijken wist. Maar eigenlijk maakte dat het alleen maar gemakkelijker.

Ik begon Bobby’s gewoontes op school na te pluizen, ging waar hij ook heen ging, spijbelde zelfs verschillende lessen, gewoon om te weten wie hij geregeld zag. Het was ontstellend. Hij ging niet om met het crapuul van de school maar met gewone kinderen, zowel jongens als meisjes. Ik probeerde achter hun namen te komen in de hoop de link tussen hen te vinden, en ja hoor, die was er. Ze waren allemaal rijk, ze waren allemaal goed in hun richting, ze waren allemaal vaak alleen thuis en ze waren allemaal rotverwend. Hoe langer ik Bobby of zijn bendeleden schaduwde, hoe meer ik besefte dat de Club niets meer was dan een groepje verveelde rijkeluisjes die hun frustratie botvierden door de bejaarden uit onze stad te overvallen. Ik snapte ook ineens waarom de politie niks deed. Verschillende van de kinderen hadden ouders die bij de politie werkten. Zelfs als de ouders wisten dat hun kinderen in de Club zaten, dan nog zouden ze er niks aan doen, want de vrees voor wat de mensen wel niet van hen zouden denken woog zwaarder door dan de bejaarden van onze gemeenschap. Het maakte me misselijk. Hoe langer ik naar hen keek, hoe meer er een gevoel van permanente braakneigingen bij me opkwam. Het kon niet. Hoe konden ze hun eigen familie laten belagen door een groep opgeschoten pubers? Het kon dus wel degelijk. Overal elders niet, maar bij ons gebeurde het. En niemand die het ooit in vraag had gesteld.

Toen ik vond dat ik genoeg informatie had ingezameld kon het echte werk pas beginnen. Heel onopvallend probeerde ik me steeds dichter in de kring rond Bobby te begeven. Ik werd een arrogante tuttenbel, deed alsof ik rijk was, blies verveeld kringetjes rook uit mijn neus als ik in een kort rokje en nog korter topje stoer naast de schoolpoort stond te wachten tot hij voorbij kwam. Mijn vrienden wisten het niet, ze hadden geen idee waar ik mee bezig was. Of misschien wel, maar wilden ze het gewoon niet meer weten. Alles wat met Bobby te maken had was ondergedompeld in een raar soort sausje dat spanning werd geheten. Ik genoot van mijn dubbelrol, van het vlak voor ik thuis kwam vlug de toiletten van de bib in te glippen om me om te kleden tot braaf schoolmeisje. En mijn strategie werkte. Al gauw kwam Bobby over mij te weten. Hij liep steeds vaker zelf langs in plaats van bendeleden te sturen. Ik had natuurlijk lang genoeg gewacht om ervoor te zorgen dat Jack uit de bende was gegooid omdat hij me niet had weten te vinden. Uit angst was Jack verhuisd naar een andere stad. Sukkel. Bobby zou hem altijd vinden, daar zou hij onderhand toch al achter moeten zijn geweest.

Bobby’s interesse was overduidelijk. Hij schaduwde mij zoals ik hem eerst had geschaduwd. Het gevoel altijd begluurd te worden en altijd een andere houding aan te nemen was vooral in het begin moeilijk, maar het had het gewenste effect. Een maand na mijn eerste confrontatie met hem sprak hij me aan. Alhoewel, het ging meer zo: hij zag me staan, kwam naar me toe, keek me aan met een blik die het midden hield tussen moordzucht en goedkeuring en beval me: ‘Kom morgen naar de steeg. Laat me niet wachten.’

Met kloppend hart liep ik na school naar huis. Het was zo ver, eindelijk. Morgen zou ik, en ik alleen, kunnen zeggen dat ik infiltreerde in het grootste misdaadmilieu van de wijde omtrek. Het voelde verbazend lekker.

Die avond stond ik voor de spiegel. Ik smeerde klieders gel in mijn haar tot het stond zoals ik het wilde hebben. Ik deed mijn ‘andere’ kleren aan en keek goedkeurend naar het resultaat. Als ze daardoor zouden kunnen zien dat ik dat kind van Burry was, dan hadden ze infraroodogen. Ik sloop de trap af opdat mijn ouders het niet zouden doorhebben. Heel rustig wandelde ik door de stad. Mensen liepen met een boog om mij heen. Blijkbaar kon je het zien wanneer iemand besloot bij Bobby’s Club te horen. Ik stak een sigaret op toen ik bijna bij het steegje was. Ik haalde diep adem en stapte uit de laatste zekerheid in mijn leven, het licht van de lantaarn in de hoofdstraat.

‘Je bent laat,’ zei Bobby grijnzend. Ik werd omsingeld door zijn bendeleden, maar ik gaf geen krimp.

‘Jij had mij geen uur gezegd,’ zei ik hard terug. We voerden een machtsstrijd met onze ogen. Ik had erop geoefend voor de spiegel om niet te knipperen als het zo ver was. Ik won het pleit. Hij accepteerde me. Na een week troonde hij me zelfs mee naar het bendelokaal. We rookten en dronken en lachten, en het was goed zo. Ik wist waar hij de buit bewaarde, wat hij ermee deed en hoe hij uit handen van de politie was gebleven. Eigenlijk was hij een gewone jongen, die op het foute pad was terechtgekomen na de dood van zijn moeder. Er was een moment dat ik met hem te doen had, werkelijk, maar het duurde niet lang. Zodra hij me in een vlaag van dronkenschap vertelde wat hij met de handtas en spullen van mijn grootmoeder had gedaan was ik weg. Hij had trouwens al meer aan mijn lijf gezeten dan goed voor hem was.

Ik ging nog diezelfde avond naar de oude watertoren even buiten de stad. Er stonden twee wachtposten opgesteld. Ze kenden me niet, gelukkig. Ik liep op hen af. Meteen stonden ze allemaal om me heen. Ik begon gewend te raken aan omsingeld te zijn.

‘Bobby vraagt waar jullie blijven. Hij heeft een voorraad Malibu op de kop getikt en geeft een zuipfeestje.’

Meteen verdween hun vijandige houding. Na wat heen-en-weer gepraat besloten ze naar het bendelokaal te gaan. Ik volgde hen tot aan het dorp, toen verdween ik zonder dat ze het merkten. Ik liep als een gek terug naar de watertoren en klom de ladder omhoog. Ik voelde in het reservoir aan de rechterkant en trok de vuilniszak naar buiten. Zonder een geluid te maken verdween ik door de nacht naar huis. Toen ik in mijn straat aankwam, hoorde ik elders in de stad een rel uitbarsten. Met een glimlach liep ik naar binnen. Het was heerlijk als je besefte dat je beter was dan de rest.

Ik schonk het geld aan het bejaardentehuis en gaf mijn oma haar tas terug. Wat Bobby betreft, nadat hij eenmaal beroofd was viel zijn Club uiteen. Plots werden de rijke kinderen opnieuw rijke kinderen. Met Bobby wilde niemand nog iets te maken hebben. Hij zocht nog maanden naar een meisje met een heleboel gel in haar haar die rookte, maar hij vond haar niet. Ik zag hem ‘s avonds door de hoofdstraat trekken, alleen. Ik liep hem dan voorbij met mijn tekenmap, hem geduldig gade te slaan. Na dat half jaar dat ik in de ban van de club was geweest had ik ergens de smaak te pakken gekregen. Ik verlangde weer naar de misdaad, naar dat milieu dat ik me eigen had gemaakt. Op een avond nam ik mijn oude plunje weer uit de kast en ging Bobby opzoeken. Hij begroette me als een oude vriendin.

‘Ik hoorde dat je beroofd bent,’ zei ik met een grijns.

‘Klopt,’ zei hij even grijnzend terug. Ik legde mijn arm om zijn schouders.

‘Ik heb een voorstel dat je heel erg zal interesseren. Bobby en Burry, voor al uw dubbelgangers of connecties in de wereld van de straatmisdaad,’ fluisterde ik in zijn oor. Hij legde zijn arm rond mijn middel.

‘Wanneer kunnen we beginnen?’ vroeg hij glimlachend terug. We verdwenen in het steegje. De kerkklok sloeg negen uur.

Ellen CLEYNHENS, laureaat 2005, reeks 3

 

Gebroken beloftes.

De herfstwind en de motregen leggen een koude sluier over de grijze stenen stad.  De weinige mensen die buiten rondlopen kruipen als pelsdieren weg in hun dikke jassen.

Paraplu's klappen open in de regenvlaag, als wilde rozen met sombere bloemblaadjes.  De stad verandert in een ijzig bos, met bomen van gewapend beton, die hoog en onverschillig uittorenen boven de straten.

Door het ijle gordijn van regendruppels zie ik de gezichten van de wandelaars langs drijven: bleke vlammen tegen het duistere scherm van wolkenkrabbers.  Zich haastend van de ene bestemming naar de andere, de weerman en hun baas vervloekend. 

Op een eenzame bank in een straat zonder naam verschuil ik mij voor hen, met enkel de natte stenen en stille regen om naar mijn verhaal te luisteren.

Langzaam raak ik doorweekt tot op mijn blote huid, en huiver door de windvlaag die met zijn scherpe tanden in mijn gezicht bijt.  Regen en tranen lekken langs mijn koude wangen tot ze zilt smakend mijn lippen kussen.

Lang geleden, toen ik nog een schattig klein meisje was dat met onschuldige ogen de wereld kon aankijken, mocht ik eens bij een vriendelijke buurjongen naar een tekenfilm komen kijken.  De film heette Aladdin, en ik kan me herinneren dat hij een antwoord gaf op de lastige vragen die het leven me toen al stelde.  De jonge held van het verhaal vond een gouden toverlamp met daarin een blauwe geest, die alle wensen kon vervullen. 

Mama had ook zo'n magische fles, verborgen in het kastje onder de gootsteen.  Maar er was bij haar iets heel erg fout gegaan: in plaats van een goede beschermengel was er per ongeluk een slechte geest in de fles terechtgekomen, die zich sluw had vermomd als een scherpruikende vloeistof.  Wanneer mama dan onwetend van de fles dronk om toverkracht op te wekken, kon de geest ontsnappen en nam hij tijdelijk haar lichaam in.

Dat was het sprookje dat ik voor mezelf had verzonnen, om te begrijpen hoe het kwam dat mama naar me schreeuwde, alsof ze niet meer van mij hield.  Nu besef ik dat er maar één demon is in mijn verhaal: de zwakte van mijn moeder.

De zwakte die haar iedere keer weer haar job deed verliezen.  De zwakte die haar steeds opnieuw haar eerdere beloftes liet breken.  Want beloftes maken, dat kon ze goed.  Vooral als ze de vorige nacht weer naar me had geslagen, of het servies aan scherven had gegooid tegen mijn slaapkamerdeur.  Dan huilde ze 's ochtend alsof ze nooit meer gelukkig zou zijn, smeekte om vergiffenis en beloofde dat alles vanaf nu beter zou gaan.

Maar ze hield nooit haar beloftes: het kwam nooit goed.

Twee jaar geleden, na een verschrikkelijke ruzie met mijn moeder, ben ik van huis weggelopen.  Ik had haar hele drankvoorraad door de gootsteen weggespoeld, en ze was zo razend op me dat ze dingen schreeuwde die ik het liefst nooit had gehoord.  Ze had me niet meer kunnen kwetsen door messen te gooien.  Ik ben het huis uitgehold, en nam mezelf voor om nooit meer terug te komen.  Die nacht dwaalde ik doelloos en eenzaam door de buitenwijken, met een schrijnende pijn op de plaats waar bij normale mensen het hart zit. 

De stad slokte me op als een obscuur doolhof van neonlicht en gebroken zwarte muren.  Ik verdwaalde hopeloos en belandde tenslotte op een onbekende brug, een klein verlaten bouwwerk dat zich als een kreupele over een vervuild riviertje boog.

Terwijl ik over de brug slenterde, dwaalde mijn hand langs de roestige reling als een gewonde vogel, en klemde zich er toen pijnlijk hard omheen.  Met een bedachtzame beweging slingerde ik mijn benen over de rand en staarde in de duistere mond van de dood, zijn adem een bitter aroma van verderf en verdriet.

"Ik zou het niet doen als ik jou was..."

Die onverwachte boodschap leek van nergens te komen, en ik tuimelde bijna voorover van het schrikken.  Voetstappen klonken hol op het betonnen brugoppervlak, en als een wezen uit een andere wereld doemde plots een lange, slanke Afrikaan op uit de schaduwen.  Op zijn gemak slenterde hij naar me toe, en leunde op zijn ellebogen over het eens flessengroene metaal.  Zijn huid leek wel zwart satijn en lange dreadlocks vielen over zijn rug.  Een brandende sigaret balanceerde nonchalant op zijn onderlip, en wierp oranje vonken als vallende sterren in de granaatkleurige diepte van zijn ogen.  Zijn blik verankerde zich aan de mijne en even vreesde ik om ook in die poelen vol geheimen te vallen.  Toen knikte hij naar beneden, waar de onzichtbare rivier langs zijn oevers schuurde.

"Niet diep genoeg," verklaarde hij op een toon alsof hij dagelijks zelfmoordpogingen verhinderde met dat argument, "Hoogstens twee meter naar beneden, en dan maar een bodempje afvalwater: je breekt waarschijnlijk je twee benen, om dan langzaam te verdrinken."

Hij nam afwachtend een trek van zijn sigaret, en blies blauwe rook als verdwaalde geesten naar de sterrenloze hemel.  Ik haalde vermoeid mijn schouders op en wierp mijn benen terug over de reling.

"Ik was in feite toch niet van plan om te springen."

De zwarte man toonde zijn parelwitte tanden in een vriendelijke glimlach en stak zijn hand uit.

"Darren Zahur-Wambua.  Welkom op mijn brug."

Ik merkte dat zijn hand even droog en ruw was als zijn stem, toen deze zich rond mijn verkleumde vingers sloot en die stevig schudde.

"Pascalina Roels" mompelde ik, onwillekeurig bibberend door de avondkilte die zich aan mij vastklampte en door mijn dunne trui kroop.

"Zo," vervolgde Darren met een scheve blik op mij, "nu we de kennismaking achter de rug hebben, wat dacht je van een stuk brood en een slok slappe koffie?"

Die nacht, en nog vele erna, was Darren mijn reddingsboei: mijn enige vriend in de stormachtige zee van mijn bestaan.

Wat is misdaad?  Een mens die een ander mens vermoordt.  Een smeerlap die zijn eigen kind verkracht.  Iedere vorm van racisme.  Maar een moeder die niet altijd even goed voor haar kind zorgt, is dat een misdaad?

Gisterenavond stond de rijkswacht plots aan onze voordeur te rammelen, onder het toeziend oog van een kleine, dikke vrouw met roodgeverfd haar en een onechte glimlach: een vertegenwoordigster van Dienst Jeugdzorg.

Ik wist meteen wat er zou gebeuren: ik kon het voelen aan de kilte die ze mee binnen brachten, als een besmettelijke ziekte.  Ik kon het zien in hun minachtende blikken terwijl die mijn thuis aftastten. 

Ze waren van plan om mij voor onbepaalde tijd in een instelling te plaatsen.  Alles - mijn wereld, mijn hart, zelfs de tijd - bevroor bij het horen van die zin tot een uiterst breekbaar kristallen voorwerp.  Ik was doodsbang om een plotse beweging te maken, waardoor het tussen mijn zweterige vingers zou glippen en kapot vallen.

Hun woorden gleden langs me heen zonder enige boodschap of betekenis; niets van wat ze zeiden drong nog tot me door.  Mijn moeder zat met een bleek gezicht naast me op de bank, haar hand als een bankschroef om de mijne geklemd.  Haar opengesperde ogen waren die van een dier in een val, wachtend op het schot van de stroper.

Toen knapte er iets vanachter in mijn schedel: een verbinding die mijn gezond verstand aan de rest van mijn lichaam koppelde begaf het, en het volgende moment spurtte ik weg. 

De deur uit, de trap af, de straat door, dit leven uit. 

Mijn bevroren toekomst viel uit mijn handen en spatte in scherven uiteen op de grond.  Ik kon het duidelijk voelen, want het was mijn hart dat mee stierf.

Ik durfde niet te stoppen om logisch na te denken over de situatie.  Dus bleef ik lopen; als een losgerukt kledingstuk van de wasdraad, als een gescheurd zeil zonder mast om naar terug te keren.  En ik huilde, huilde tot mijn longen schroeiden en ik bijna stikte in mijn verdriet.  Alles wat ik zag, hoorde of voelde deed me pijn.

Het hoe, waar en wanneer van mijn tocht door de stad is allemaal uitgevaagd tot wazige beelden in mijn herinnering.  Maar tenslotte eindigt mijn gekwelde vlucht op de plaats, en bij de persoon, waar ik altijd terechtkan met mijn problemen.

Darren legt meteen zijn gitaar weg als ik de brug kom opgewandeld, en zijn opgetrokken wenkbrauwen en verbijsterde ogen vertellen me dat ik er verschrikkelijk uitzie.

Maar hij stelt geen vragen, hij geeft me enkel één van zijn oude, geruite dekens en wat droge koekjes.

Darren is niet het soort vriend die je met zijn bezorgdheid verstikt en je dwingt je verhaal te vertellen, alsof het van belang zou zijn dat hij het wel of niet weet.

Darren is een vriend die naast je komt zitten op een lege brug, je de ruimte schenkt om te herademen en je gedachten te ordenen, geduldig wachtend tot je zelf besluit iets te zeggen.  Samen kijken we naar de knipperende lichtjes van de sluimerende stad, terwijl de uren langskomen en ongemoeid weer weggaan.

Het brommende geluid van een auto nadert, maar ik kijk niet op.  Mijn ogen liggen als parels in de schelpen van mijn handen, voor even beschut tegen de wrede aanblik van de rest van de wereld.  Ik negeer de opengaande autodeur die daarna met een dreun weer dichtslaat.  Pas wanneer rennende voetstappen als vallende kiezelstenen tot mijn verdoofde hersenen doordringen, en Darren me weinig zachtaardig aanstompt, richt ik mij op.  Een klein breekbaar figuurtje, met lange wapperende haren komt de brug oprennen, en mijn geest rekt zich uit en ontwaakt.  Een woord glijdt van mijn lippen, alsof het daar altijd al heeft liggen wachten op dit moment.

"Mama?"

Het volgende ogenblik gooit mijn moeder zich om mijn hals en omhelst me alsof ik al jaren word doodgewaand.  Ze huilt met lange, bibberende snikken en aait mijn aaneengeklitte haren die als verslenst waterriet op mijn hoofd plakken.  Darren kijkt ons warm glimlachend aan, geeft mij een knipoog en verdwijnt ongemerkt in de grauwe schemer die over de brug sluipt.

"Ik was zo bezorgd," fluistert mama tenslotte moeizaam, "Niemand wist waar je was en ik stond doodsangsten uit dat je iets zou overkomen.  Loop alsjeblieft nooit meer weg, Pascalina.  Ik zal stoppen met drinken en alles komt terug in orde: ik beloof het."

Dauwgrijze tranen vallen glinsterend uiteen op het harde beton.  Weer een belofte, besef ik, en ik sla mijn armen stevig om haar smalle rug, me koesterend in haar warme omhelzing.

''Laat haar deze belofte houden," smeek ik innerlijk, "alsjeblieft!"

De zon is verdronken en de lucht verbrand.  De nacht valt als een donker gordijn over het treurige toneelstuk dat de wereld is.

Ine BOOGMANS, laureaat 2005, reeks 4

©  Davidsfonds Heist-op-den-Berg, Oude Liersebaan 75, 2220 Heist-op-den-Berg, BELGIUM
©  Foto Pierre Anthonissen