Laureaten opstelwedstrijd 2005 / 2006



FOTO
: De winnaars van onze opstelwedstrijd


Mijn glazen bol

Het begon allemaal een paar uren geleden. Toen wist ik nog niet wat me boven het hoofd hing. Het was kermis en ik was heel opgewonden want ik zou voor het eerst met mijn vriendje gaan. Na een uur of twee in de badkamer stond ik voor de deur te trappelen van ongeduld tot hij er was. Eindelijk! Daar kwam hij op zijn fiets aangereden. Zo vertrokken we naar de kermis.          
Daar aangekomen liepen we rustig wat rond te kijken tot ik bij de tent van de waarzegster kwam. Het was alsof de bliksem insloeg in mijn hoofd. Ik weet niet wat het was, maar ik voelde een onuitstaanbare drang om daar naar binnen te gaan. Dus zei ik: ”Kom laten we daar eens gaan kijken”. “Als het voor u hetzelfde is, liever niet”, zei Daan. “Ik word zenuwachtig van zo’n dingen.” “Dan ga ik wel alleen een kijkje neme”, zei ik een beetje teleurgesteld. “Goed, ik wacht wel bij die frituur daar”, zei Daan.

Vol spanning liep ik op de tent van de waarzegster af. Er hing iets geheimzinnigs rond die tent, dat ik niet kon verklaren. Toen ik er voor stond, kon ik een naamkaartje zien hangen waar op stond:’Madame Nala, waarzegster’. Binnen was de tent nogal muf en donker, maar er stonden vele kaarsjes dus ik vond het er wel best gezellig. Achteraan in de schaduw stond een vrouw die waarschijnlijk madame Nala was. Ik schrok wel een beetje want ik had haar nog niet zien staan. Ze liep de kring van kaarslicht binnen. Het was een nogal grote vrouw en ze rook naar een nogal goedkoop parfum.

“Ga zitten, liefje”, zei ze. Ze had grote, bruine ogen en het leek of ze helemaal tot in mijn ziel kon kijken. Ik kreeg er de kriebels van. “Wat is je naam?” vroeg ze. “Euhm… Lotte, mevrouw.” “Goed. We zullen eens kijken wat de toekomst jou te bieden heeft.”

Op het tafeltje voor mij stond een grote, glazen bol. Opeens kwam iemand binnen langs de andere kant van de tent. Aan zijn uiterlijk te zien, was het de zoon van madame Nala. Hij vroeg of ze even wilde komen want een paar jongens waren de tent aan ’t bekladden. Ze zei dat ze zo vlug mogelijk terugkwam.

Toen ze weg was, bekeek ik nieuwsgierig de glazen bol. Zou ik hem durven aanraken? Heel voorzichtig legde ik er mijn vinger op…

Ik voelde ineens een grote kracht uit de bol komen. Het leek wel alsof ik er werd ingezogen (eigenlijk gebeurde dat ook). Wat er daarna gebeurde, kan ik me niet meer herinneren. Waarschijnlijk was ik flauwgevallen van de schok. Toen ik wakker werd, lag ik in een zacht bed. Ik ging recht zitten en het eerste dat ik zag, was een vrouw (tenminste daar leek het op). Ze had het gezicht van een vrouw maar ze had twee armen en vier benen. Toen ik wat bekomen was, vroeg ik angstig: “Waar ben ik en wat doe ik hier?”

De vrouw glimlachte. “Je bent in de toekomst en als je even rustig bent, zal ik je uitleggen wat je hier doet. De mensen vroeger – in jouw tijd dus – voerden vele oorlogen en geloof me, het beterde er niet op. Uiteindelijk hadden ze een atoombom gemaakt die, als ze ontplofte, de schade van twintig atoombommen aanrichtte. Maar dat wisten de makers niet. Ze lieten de bom op het land van hun vijand vallen en … heel de wereld ontplofte. Tenminste bijna de hele wereld. Er bleef nog maar één klein stukje over. Maar alle mensen zijn gestorven. In de loop van de volgende miljoenen jaren zijn er wezens zoals ik ontstaan. We hebben ons ontwikkeld en hebben met veel moeite een mens uit de 21ste eeuw naar hier kunnen halen.”

“Maar waarom?” stamelde ik.

“Omdat we nu de ramp kunnen voorkomen, maar bij ons was het te laat. Maar in jouw tijd kunnen we het voorkomen. Bij jullie moet het nog gebeuren.”

“Bedoel je dat ik die bom onschadelijk moet maken?”

“Precies”, zei de vrouw. “We geven je een plan mee waarop staat hoe je het moet doen. We hebben uitgerekend dat de bom over twee uur ontploft. Je hebt dus niet veel tijd.”

“Maar, maar, zoiets kan ik niet!” zei ik.

“En toch zal het moeten.”

Ze heeft makkelijk praten, dacht ik: ik moet het toch maar doen. De vrouw stond op. “Volg me maar”, zei ze. We liepen door een lange gang die heel hel verlicht werd. Ze bleef stilstaan voor een schilderij. Het was het eerste schilderij dat ik zag. De vrouw die heel de tijd bij me was geweest, stond erop afgebeeld met een kroon op haar hoofd en indrukwekkende kleren aan. Ze zei:”Ik ben eigenlijk een soort van koningin in deze wereld. We hebben geen koning, daardoor is het hier veel vrouwvriendelijker dan bij jullie.”

Ze legde haar hand op het oog van haar afbeelding en ze werden een ruimte binnengezogen. Het was een kleine kamer maar in het midden stond de glazen bol weer.

“We moeten je met hetzelfde voorwerp terugsturen waarmee je ook naar hier kwam. Hier is het plan. We hebben ervoor gezorgd dat de bom midden in de tent ligt. Veel succes!”

Ik keek naar de bol en voelde weer die onverklaarbare aantrekkingskracht. Ik legde mijn vinger erop en werd weer terug naar het verleden gezogen. Ik kwam in de tent op de grond terecht, maar krabbelde vlug overeind. Daar lag het gevaarte recht voor mijn neus. Eigenlijk was het niet zo groot.Maar ik had de angst in de ogen van de vrouw gezien dus ik kende de kracht van het ding. Vlug liep ik ernaartoe. Ik begon al bijna te panikeren bij het zien van al die draden. Op het plan stond dat ik de groene draad moest doorknippen, maar ik was verdoofd van angst. Uiteindelijk slaagde ik er met een grote krachtinspanning in om de draad door te knippen. Opeens verdween de bom en lag er in de plaats een briefje waarop stond:

Je hebt het schitterend gedaan!

Ik stak het met bibberende handen in mijn broekzak. Ik had veel zin om te huilen. Waren er dan geen goede mensen meer?

Opeens kwam Daan binnengelopen.

“Waar bleef je zolang? Ik was doodongerust!”

Ik glimlachte. Misschien waren er toch nog lieve mensen…

Jolien VAN DE SANDE, laureaat 2006, reeks 1

 

Wat ik later worden wil

Heb jij nog nooit zo van die dagen gehad dat je ’s morgens vroeg opstond met de gedachte van: hoe zou de wereld eruit zien in de toekomst; hoe zou IK eruit zien in de toekomst? Ik dus wél: ik ben altijd al een heel nieuwsgierig persoon geweest, met zo van die vragen die door mijn hoofd spoken, waarop niemand kan antwoorden. Op school behoor ik niet echt tot de populairste jongens. Niet dat ik gepest wordt of zo, maar echte vrienden heb ik nooit gehad. Ik denk dat niemand mij echt leuk vindt omdat ik nooit veel zeg: ik ben een stille dromer. Van school ga ik steeds te voet naar huis. Ik maak dan steeds een kleine omweg langs het bos, want ik hou van de natuur, de bomen, de geur van bladeren in de herfst, maar ik kom er vooral graag voor de stilte. Ik ga er graag met mijn rug tegen een boom zitten om dan na te denken over mijzelf, de toekomst, wat ik later worden wil,…

Maar op een dag gebeurde er iets raars. Ik kwam uit het bos waar ik weer eventjes had zitten nadenken over de toekomst en nog vele andere zaken, toen ik voorbij een huis kwam met daarop een affiche waarop in grote drukletters te lezen stond: WAAG JE SPRONG IN DE TOEKOMST. Ik dacht er eventjes over na, maar ging toen lachend verder en dacht bij mezelf: dit kan toch nooit waar zijn! Toen wist ik nog niet dat deze affiche een hele nieuwe wending aan mijn leven ging geven.

Toen ik de volgende dag opnieuw voorbij die affiche liep, bleef ik er weer even bij stilstaan. Waarom ook niet? Wat kan er mislopen? Ik kon het toch wel eens proberen! Dacht ik en ik schreef het telefoonnummer dat onderaan op de affiche stond over op een blaadje papier.

’s Avonds toen ik thuiskwam, vertelde ik mijn moeder dat ik op mijn kamer ging studeren en ik nam mijn GSM mee. Ik tikte de getallen in en wachtte vol spanning totdat er een stem “hallo” ging zeggen, maar dat gebeurde niet. Het enige wat ik hoorde was: “Kom morgen na school onmiddellijk naar het bos. Je zult me daar wel zien.” Eerst was ik een beetje zenuwachtig, maar ik besloot dan toch om te gaan.

Toen ik de volgende dag na school aankwam in het bos, zag ik niemand, totdat ik achter mij de man van het telefoongesprek hoorde zeggen: “Zo, hier ben je dan.” Ik schrok me bijna dood! “Ik weet dat je geïnteresseerd bent in de toekomst, anders zou je niet gebeld hebben. Ik kan je naar de toekomst brengen. Vertrouw je me?”

“Ja”, zei ik, maar ik vertrouwde hem voor geen haar!

“Goed zo”, zei hij. En nog voor ik iets kon zeggen, voelde ik de grond onder mijn voeten verdwijnen; ik riep zo hard als ik kon, maar niemand hoorde mij. Toen voelde ik dat ik er was, dat ik gestopt was met vallen. Ik lag stil en het enige dat ik zag was…zwart. Alles was zwart, ik zag niets. Er was alleen het geluid en alles wat ik rondom mij voelde. Ik voelde dat ik ergens op lag, een matras, een kussen… een bed! Dat was het! Ik kon mij moeilijk bewegen, maar ik slaagde er toch in om mijn linkerhand naar mijn hoofd te brengen want ik had toch zo’n hoofdpijn!

Toen kwam er een man binnen. Hij zei:” Dus je bent nu toch beter geworden, eindelijk!” “Wat is er gebeurd?” vroeg ik. “Je hebt een ongeval gehad. Het zal waarschijnlijk door de klap zijn dat je je niets meer herinnert.”     
Vele vragen stroomden door mijn hoofd: “Waar is mijn moeder; Hoe komt het dat ik niets zie?…” “Dat zijn allemaal vragen die ik morgen zal beantwoorden, slaap nu maar, het is al laat.” En ik gehoorzaamde de man ook al wist ik nu al dat ik vannacht geen oog zou dicht doen.

De volgende morgen kwam de man opnieuw bij me binnen. Ik begon hem onmiddellijk enkele vragen te stellen.           
”Waar is mijn moeder?” vroeg ik. “Zij zat aan het stuur, ze is zwaargewond en waarschijnlijk haalt ze de nacht niet meer.”
Het bleef enkele minuten stil; ik wist zelfs niet eens of hij nog in mijn kamer stond. “Ben je er nog?” vroeg ik om de stilte te doorbreken. “Ja, hoor” zei hij. “En ik? Wat is er met mij gebeurd, waarom zie ik niets? Ik ben toch niet…” “Jawel”, zei hij. “De scherven van de autoruit hebben je ogen te hard aangetast. Je zal blind zijn voor de rest van je leven.”

Dàt was er echt teveel aan! Ik moest de man die ons had aangereden onmiddellijk spreken. De verpleger zei dat hij dat wel kon regelen. Daarna werd het wachten, lang wachten. Seconden, minuten, uren gingen voorbij, totdat uiteindelijk de deur openging.

De man zei: “Hallo. Ik ben de man die…” “Ik weet wel wie jij bent!” onderbrak ik hem.  
”Zat er nog iemand bij in de auto?” vroeg ik.        
”Ja, mijn dochter” zei de man.         
”Hallo” zei ze. Aan haar stem kon ik horen dat ze ongeveer even oud was als ik. Ik ging deze stem nog veel horen…

Het was lang wachten voor ik het ziekenhuis mocht verlaten, enkel maande denk ik. Het meisje kwam heel vaak bij mij op bezoek. We zijn ondertussen al goede vrienden geworden. Ik denk dat ik in die vele uren die ik met haar doorbracht, stiekem verliefd op haar ben geworden, maar het zal toch nooit iets worden tussen ons. Ik wil immers terug naar het verleden om terug te kunnen zien. Ik wil de wereld zien, alles wat er rondom mij gebeurt. Ik heb al met de man, die mij naar hier heeft gebracht, afgesproken om mij terug te brengen. Morgen ga ik samen met haar daarheen, dan kunnen we daar afscheid nemen.

De volgende dag, toen we aankwamen, begon ik onmiddellijk te liegen: ik zei haar dat we gingen verhuizen, ik zei haar zoveel; ik zei zelfs dat ik van haar hield. Het was tijd om te gaan. Ik haat afscheid nemen!

“Tot ziens…” zei ik, en ze kuste me zachtjes. Haar lippen waren zacht. Ik kreeg het warm. Ik heb me nooit zo goed gevoeld. Ik zoek een woord om dat gevoel te beschrijven. Ik denk dat er maar één woord voor bestaat: HEMELS!

“Ik hou van je”, fluisterde ze in mijn oor. En dat is het laatste wat ik ooit van haar gehoord heb.

Jens GOETSCHALCKX, laureaat 2006, reeks 2

 

Een geschiedenisles in 2278 Anno Domini

Kind. Hij kon zich nog herinneren dat zijn moeder hem vroeger, in een ver verleden, Kind noemde. Bij gebrek aan een beter woord noemde hij zichzelf dus zo in zijn gedachten. En om de herinnering aan zijn moeder levendig te houden. Niet dat hij zich nog veel herinnerde. Kind had het gevoel dat er nog een schat aan herinneringen in de hoeken van zijn geest verborgen zat en die alleen maar wachtte tot het juiste ogenblik aanbrak om tevoorschijn te komen…

Hij herinnerde zich dat hij ooit een moeder had, maar hij snapte niet waarom ze er nu niet meer was. Misschien had het wel iets te maken met de Dood waarover ze hem ooit verteld had, die toestand waarin iets ophoudt met bewegen en heel stil blijft liggen, doodstil. Als er één ding was waarmee Kind vertrouwd was, was het wel de Dood. Ze was bijna als een tweede moeder voor hem.

Kind zat in een hoekje van zijn schuilplaats, een oud, stoffig huis waarin voor hem al zoveel mensen verbleven hadden. Hij zat op de vloer en beet stukken van een rat die hij enkele dagen daarvoor gevangen had. Hij kauwde de stukken haastig weg en spuwde de botjes uit, terwijl hij zich voor de zoveelste keer in zijn leven hardop afvroeg wie ooit dit huis en al die andere had kunnen bouwen.

Hoe had men die stenen zo mooi gelijkmatig kunnen kappen? Hoe had men het Scherpe Water, dat in de rechthoekige gaten in de muren zat, kunnen maken?

Het Scherpe Water was een van de grootste mysteries in zijn leven. Je kon er doorheen kijken, als door water, maar het was stevig. En als het stuk ging, viel het uiteen in scherven waaraan je je kon snijden.

Zijn moeder had hem ooit verteld dat vroeger alles veel beter was. De huizen waren toen veel mooier dan nu, en ze werden de hele tijd bewoond. De wegen, de brede stenen stroken die dwars door het landschap liepen, waren toen niet beschadigd en brokkelig.

Maar er was ooit iets gebeurd, iets waardoor dat allemaal verloren ging…

Wist hij maar eens wat!

Plotseling hoorde hij een gerucht vanuit een ander deel van het huis. Een indringer. Hij verborg zich in een nis en wachtte tot hij de geluiden vlak naast zich kon horen. Toen kwam hij uit de nis tevoorschijn en haalde hij uit met zijn vuisten.

Maar de ander was sneller; Kind raakte niets dan lucht.

Het volgende ogenblik sloeg de indringer hem recht op zijn gezicht en lag Kind een tel later op zijn buik in het stof. Hij sprong recht en vloog op zijn tegenstander af, maar die was hem opnieuw voor. De linkerschouder van de man beukte in het middenrif van Kind, die zijn evenwicht verloor en achterover viel, dwars door de plaat Scherp Water achter hem heen, die in duizend stukjes brak.

Een ogenblik lang zweefde Kind in de buitenlucht, terwijl de scherven rond hem heen wervelden als een zwerm wespen. Toen viel hij met zijn rug op het natte gras. Het Scherpe Water sneed diep in zijn vlees.

Daarna landde het enorme gewicht van de indringer boven op hem. Alle lucht werd uit zijn longen geperst. De scherven boorden zich nog dieper in zijn rug, de pijn werd ondraaglijk.

Zijn tegenstander beukte enkele keren met zijn vuisten in Kinds gezicht, liet zich van hem afrollen, ging het huis binnen en liet de hevig bloedende Kind voor dood op de grond achter.

Hij wist niet meer hoe hij het klaargespeeld had, maar Kind bevond zich nu ergens binnen in een of ander huis waar hij tot dan toe nog nooit geweest was. Hij lag bovenop de rafelige resten van een tapijt en besmeurde het stukje stof met zijn bloed. Een grote, vochtige kring bloed afkomstig uit zijn gebroken neus vormde zich onder zijn hoofd. Hij scheurde enkele repen van het oude, vuile kledingsstuk waarmee hij zijn bovenlichaam bedekte af en verbond er zijn wonden mee. Toen dwong hij zijn gekneusde, vermoeide, afgepeigerde lichaam om zich op te richten en keek hij moeizaam om zich heen. De muren van de kamer waren bijna volledig bedekt met een soort houten raamwerk met verschillende horizontaal opgehangen planken waarop grote verzamelingen samengebonden papier stonden. In het midden van de kamer bevond zich een soort grote tafel, waarop wat papier en een aantal ‘apparaten’, zoals zijn moeder ze altijd noemde, verspreid lagen. Hij ging naar een van de houten constructies aan de muren en haalde er een bundel vergeeld, gekreukt papier uit. De papieren waren aan een kant aan elkaar bevestigd en rond het geheel zat een stevig omhulsel. Toen hij het ding opende, zag hij dat er allerlei vreemde tekens in stonden, waar hij niets van begreep. Hij verbaasde zich over de regelmatige vorm die ze hadden. Plotseling drong het tot hem door dat er in de houten constructies allemaal ‘boeken’ stonden, ook een uitvinding uit de betere tijden. Hij had er nog nooit erg veel aandacht aan besteed, maar aangezien hij hier moest blijven tot hij genezen was…

Hij begaf zich naar het bureau. Ook hier lag papier, maar het waren losse bladen en de tekens die erop stonden waren onregelmatiger. Zijn oog viel op een apparaat dat hij direct herkende, omdat het zo vreemd was had hij onthouden wat het was. Het werd vroeger door blinden gebruikt om boeken te lezen… dus zou hij het ook kunnen gebruiken, als hij tenminste zou kunnen uitvissen hoe het ding werkte.

Twee uur later schrok Kind zich bijna dood toen er plotseling een stem uit het apparaat kwam:

‘Willem, ik ben even weg. Zou jij vanavond willen koken voor je vader?Je weet dat hij dat niet zelf kan. Hij zou zich eens moeten branden aan het fornuis… Zou je ook voor hem het boek ‘Oorlog en Vrede’ van de plank willen nemen?, Daar had ik nog geen tijd voor. En voor ik het vergeet…’

Het apparaat werkte! Kind kon niet alle woorden begrijpen, maar hij wist dat hij nu in staat zou zijn te weten te komen wat in al die mooie boeken uit het verleden stond…

De volgende weken werd hij bijna volledig in beslag genomen door zijn zoektocht naar de geschiedenis. Hij wou zo graag weten wat er gebeurd was…

Hij las elke letter die hij maar kon vinden met behulp van het apparaat. Geen enkel boek was veilig voor zijn nietsontziende drang om meer te weten.

En hij vond hopen informatie. Stukje bij beetje was hij in staat het verleden te reconstrueren.

In het begin van de eenentwintigste eeuw was het technologisch beschavingspeil van de mens hoger dan ooit. Hij kende de volledige aarde, er werd druk onderzoek gedaan naar de oceaanbodems en de rest van het heelal, de kennis van de mens groeide en de geneeskunde beschikte over steeds geavanceerdere hulpmiddelen.

Maar toen kwamen de Marsbewoners. Zij waren een volk van een andere planeet waar het technologische peil nog veel hoger was dan hier. Zij waren begonnen met een grotesk ‘kolonisatieprogramma’. De Marsbewoners wilden het volledige zonnestelsel bij hun grondgebied voegen en onze planeet, de aarde, was hun eerste doel. Zij landden op onze planeet in het jaar 2078. Kind had er geen idee van hoe lang dat geleden was, maar toch leek het getal hem heel belangrijk.

Op een dag vond hij een notitie die gedateerd was op 17 november 2078.

‘Vader,

Moeder,

Ik heb besloten jullie te verlaten om de soldaten te steunen en met ze mee te vechten tegen de Marsbewoners bij Marseille. Ik stel jullie hier nu pas van op de hoogte omdat ik zeker weet dat jullie me anders niet hadden laten gaan. Het is echter mijn plicht, zo voel ik het, om deel te nemen aan deze oorlog. Kom me alsjeblieft niet achterna, want ik kom toch niet terug en jullie zijn te oud om daar van enig nut te zijn.

Jullie liefhebbende zoon,

Willem.’

Kind zette zijn zoektocht onverdroten verder.

Gedurende het jaar 2079 werd er overal op aarde gevochten om de Marsbewoners te verjagen. Er werd echter maar weinig succes geboekt en de Marsbewoners wonnen steeds meer gebied. Toen de zomer begon hadden de Marsbewoners een groot deel van de voormalige Sovjetunie, heel Australië, het westelijke deel van Frankrijk, Canada, Zuid-Afrika, Egypte, Brazilië, Oostenrijk, het zuiden van Duitsland, Scandinavië en Soedan  veroverd.

Ook uit deze tijd vond Kind een notitie:

‘De hele wereld is nu in een soort van heksenketel veranderd. Ik hoorde op de radio dat het westen van Frankrijk volledig veroverd is. Ik vraag me af hoe het nu met Willem gaat. Zou hij nog leven? Is Marseille nog in oorlog? Ik denk dat ik het nooit zeker zal weten. Ik hoop maar dat het goed met hem gaat…
Ik ben bang dat het slechts een kwestie van tijd is voordat de Marsbewoners tot hier doordringen. Ik zou willen vluchten, maar ik weet niet waarheen. Het lijkt wel of ze overal zitten, alsof je nergens op de wereld veilig bent.
Is er dan echt niets dat die beesten kan stoppen? Zal deze slachting echt nooit ophouden? Ik vraag het me af.’

Daarna volgden alleen nog maar kleine fragmentjes.

'Marsbewoners winnen de slag om Peru. Marseille wordt platgewalst, geen enkele overlevende. Het Iberische Schiereiland valt. China capituleert. Atoomexplosies vernielen Groenland. Parijs wordt veroverd, Frankrijk moet wijken. Ook het Afrikaanse continent is nu Martiaans grondgebied. De Arabische wereld geeft zich over. De Verenigde Staten worden aangevallen. Japan geeft het op. De CIA wordt ontbonden.Duitsland gaat op de knieën. De Marsbewoners winnen in één dag tijd zowel de slag om New York als die om Washington. Er zijn nog maar een paar onveroverde gebieden op de aarde. De Verenigde Staten worden verpletterd. Alleen Groot-Brittannië en de Benelux zijn nog veilig. De Marsbewoners zijn niet te stoppen. De Belgische grens bereikt. Luxemburg reeds veroverd, de Marsbewoners razen over België heen.'

Toen vond hij alleen nog maar een klein briefje met de volgende notitie op:

‘Alles is verloren. We vluchten naar Schotland.’

Het was nu al bijna drie maanden geleden dat Kind met de indringer vocht en hij was al lang hersteld, maar hij had zichzelf er niet toe kunnen dwingen het huis te verlaten. De drang naar de kennis was te groot. Deze kennis had bij hem diepe gevoelens losgemaakt. Hij had besloten dat hij zou uitzoeken wat er verder gebeurd was, en waar de Marsbewoners die alle beschaving verwoest hadden zich bevonden. Hij zou zichzelf leren lezen, en hij zou alle boeken in deze kamer bestuderen. Hij zou proberen te weten te komen waar al die landen waarover gesproken werd zich bevonden. Hij had een aantal boeken teruggevonden waarin dit op ingewikkelde tekeningen aangeduid werd, maar hij kon deze nog niet lezen. Maar hij had tijd… Hij zou de andere mensen leren wat er gebeurd was, de Marsbewoners zoeken en met het leger dat hij zou vormen aanvallen om hen te verslaan. Een nieuw gevoel borrelde op uit de diepten van zijn ziel: de wraak.

Andy PEETERMANS, laureaat 2006, reeks 3

Hassaïn, 2450 n.Ch

‘…in een enkele dag en nacht van ongeluk verdween het eiland Atlantis in de diepte van de Oceaan.
Plato, 360 v. Ch

‘Is het voorbij?’ vroeg Mombo, mijn kleine broertje, me met grote angstogen en een beteuterd gezichtje. Achter hem zag ik het verschrikte gezicht van mijn moeder. Ik ging voorzichtig rechtop staan. Er hing een wolk van stof in de grot. Ik kuchte en wuifde het uit mijn gezicht. Toen ik eindelijk wat kon onderscheiden zette ik wankele pasjes. De grond was bezaaid met neergevallen stenen. Het was een wonder dat we het overleefd hadden. Ik schuifelde in de richting waarvan ik dacht dat het de uitgang was. Ik was in die drie uur dat we hier gezeten hadden mijn aangeboren richtingsgevoel compleet kwijtgeraakt. Ik gokte dus maar wat aan. Gelukkig functioneerde mijn gevoel voor berekende risico’s nog steeds, want even later kon ik een kleine lichtvlek zien. Ik liet mijn handen over de grote rotsblokken glijden.

‘Hassaïn, zie je wat?’ vroeg mijn moeder hoestend.

‘Ja!’ riep ik terug. Ik inspecteerde de muur van steen voor me.

‘Ik denk dat we er wel uitkunnen, als ik de juiste hefboom vind,’ zei ik toen ik terugkwam. Mijn moeder keek me opgelucht aan. Mombo klemde zich aan haar vast. Hij was doodsbang, wat niet abnormaal was. Wat er ook aan de hand was, het was nu niet bepaald gezellig geweest. 

‘Wat is er eigenlijk gebeurd?’ vroeg ik mijn moeder zacht.

‘Ik veronderstel dat de Grote Terugval begonnen is,’ zei mijn moeder even zacht.

‘Je bedoelt dat de aarde wraak neemt?’ vroeg ik haar scherp. Het was de grootste onzin die ik haar ooit had horen verklaren.

‘Natuurlijk. Wetenschappers hebben het er al zo vaak over gehad. We zijn veel te onvoorzichtig omgesprongen met wat ons het dierbaarste zou moeten zijn.’

‘Mam, je weet dat het puur geleuter is! Het zijn diezelfde wetenschappers die steeds geprotesteerd hebben tegen ons atoomschild.’

‘Ja, maar het atoomschild heeft niet gewerkt.’

‘Natuurlijk wel. Als we eenmaal uit deze rotgrot zijn zul je zien dat iedereen daarbuiten nog springlevend is. Ik snap trouwens nog steeds niet waarom we zonodig moesten wegvluchten. Pap is toch niet gegaan?’

Ik schopte boos tegen een steentje.

‘Pap wou dat ik jullie hier mee naartoe nam als er een beving zou komen. Hij besefte dat het atoomschild ons niet zou beschermen.’

Ze leek bang. Ik besefte dat ik te ver ging. Het was beter het hierbij te laten en deze discussie op een ander tijdstip verder te zetten.

‘Wel, hij had ongelijk. Je zal het zo wel zien,’ probeerde ik haar monter te overtuigen. Ik snapte mijn moeder op sommige momenten echt niet. Dit was de 25e eeuw, we waren echt wel bestand tegen aardbevingen en natuurrampen.

‘Ik hoop dat je gelijk hebt, m’n jongen. Ik hoop het echt,’ zei mijn moeder. Ze ging rechtstaan en strekte haar spieren.

‘Ik ben zo stijf als een plank.’ Ze kreunde klaaglijk. ‘Ik vrees dat je even zal moeten wachten als je op hulp van mijn kant wil rekenen,’ zei ze toen. Ik knikte en draaide me verveeld om.

‘Je moet niet zo kinderachtig doen, Hassaïn,’ zei mijn moeder scherp.

‘Ik snap gewoon niet waarom je zonodig moest vluchten naar deze rotplek. Het was vals alarm. Dit is de 21e eeuw niet! Ons atoomschild beschermt ons zelfs tegen een komeetinslag.’

Mijn moeder bliksemde me neer. Ik wist dat ze er niet van hield dat ik haar tegensprak. Ik was geen goed voorbeeld voor Mombo. Maar ze overdreef. Dat deed ze altijd. Elke keer als de aarde even schokte was ze in alle staten, geloofde ze dat de wereld ten einde liep en dat ze moest vluchten. Dan liep ze dagenlang rond met een dikke trui aan en knuffelde Mombo en  mij om de vijf minuten. Ik schaamde me steevast  rot. Soms wou ik echt dat ik een vader had die dichtbij werkte. Nu zat hij maandenlang in het Tweede Continent. Het Tweede Continent, daar waar de hele wereld bestuurd werd. Na de laatste zeebeving , zo’n twee eeuwen geleden, waren alle continenten weer bij elkaar komen drijven en vormden één grote massa. Daardoor konden we alles gaan regelen. Het weer kon kunstmatig bepaald worden, reizen was een alledaagse luxe geworden. Het atoomschild was de meest ingenieuze uitvinding ooit door de mensheid gedaan. Mijn moeder was gewoon kortzichtig.

Ik stond weer op en speurde de grot rond. Het stof was opgetrokken maar ik kon niets zien dat ons zou kunnen verder helpen. Mijn moeder kwam naast me staan. Haar slanke handen lagen broos tegen de massieve steenwand.

‘Die krijgen we nooit alleen verplaatst,’ zei ze moedeloos. Ik moest haar gelijk geven. Zelfs als we een of andere hefboom hadden gehad zou het ons nóg niet gelukt zijn.

‘Als je me een voetje geeft zou ik door het gat kunnen kijken,’ zei mijn moeder aarzelend. Ik sloeg zwijgend mijn handen in elkaar. Ze zette haar voet erin neer en hees zich op. Ze was slank, mijn moeder. Natuurlijk slank. Een schoonheidsideaal dat weinig mensen tegenwoordig nog zonder plastische chirurgie konden bereiken. Mijn moeder ging er prat op dat het door haar groenten kwam. Ook dat was nog zoiets: geen mens at nog groenten uit volle grond. Iedereen had vervangproducten die massaal geproduceerd konden worden. Véél goedkoper. Maar neen, ze moest weer eens speciaal doen. We waren een oubollige familie in een supersonische wereld.

 Mijn moeder haalde me bruusk uit mijn gedachtegang toen ze zich lijkbleek weer naar beneden liet zakken. Ze nam me bij mijn bovenarmen vast.

‘Alsjeblieft, Hassaïn, kijk en zeg me of je iets ziet. Wat dan ook, zolang het maar iets is!’

Ik klom zonder haar hulp naar boven. Toen ik bij het gat was stroomde koude lucht naar binnen. Het stonk. Alsof iemand liters brandstof over de grond had uitgegoten. Maar wat nog erger was, was het maanlandschap om me heen. Er stond niets meer overeind, geen huis, geen boom, geen fabriek, gewoonweg niets. Ik tuurde tot mijn ogen begonnen te tranen, maar ik zag niets meer. Ik liet me ook weer naar beneden zakken. De bedompte lucht in de grot leek opeens de zuiverste die ik ooit had ingeademd. Mijn moeder keek me afwachtend aan. Ik schudde mijn hoofd. Even dacht ik dat ze zou instorten, maar ze bleef wonderlijk genoeg overeind staan.

‘Het stinkt vreselijk,’ zei ik om maar iets te kunnen zeggen. Mijn moeder zuchtte.

‘Het atoomschild is doorbroken. Ongelooflijk, maar waar. Niets anders kan zo’n walgelijke geur voortbrengen.’

Terwijl ze dat zei haalde ze zo nadrukkelijk haar neus op dat ik moest glimlachen. Daarna liet ik de waarheid tot me doordringen. Onze moderne tijd had gefaald. Wat voorspeld was, was gebeurd.

‘Wilt dat zeggen dat…’

‘Ja, Hassaïn, naar alle waarschijnlijkheid zijn wij de enigen die overblijven.’

‘Dat kan niet!’ riep ik verschrikt uit.

‘Aanvaard het, Hassaïn.’

Ze had het al opgegeven, maar dat kon ik niet. Mijn moeder en ik bespraken wat we verder moesten doen. Eén ding was duidelijk: we zaten behoorlijk vast.

Maar midden in de nacht kreeg ik een idee.

‘We moeten er niet uit, maar er verder in!’ riep ik uit. Mombo schrok wakker, mijn moeders ogen lichten op.

‘Wat bedoel je?’

‘Ik bedoel dat we gewoon de grot moeten volgen. Dit is toch een deel van een gebergte, niet? Ik denk dat ik het Zuiden wel zou kunnen bereiken.’

‘Het Zuiden heeft geen atoomschild, Hassaïn.’

‘Misschien heeft dat ze wel gered,’ mompelde ik. Ik was er ondertussen van overtuigd geraakt dat het de schuld van het atoomschild was. Meer werd er niet over gezegd. Ik nam de helft van ons proviand mee en vertrok. Met pijn in het hart liet ik mijn broertje en moeder achter bij het gat :zij zouden wachten tot er misschien iemand kwam en ik zou hulp gaan zoeken. Het was misschien onze enige kans.

 

Mijn weg leidde me drie dagen lang onder het gebergte door. Ik dacht tenminste dat het drie dagen was. Al mijn technologische snufjes werkten hier niet meer. Het voelde vreemd om naar het Zuiden te gaan. Voor zover ik wist was er in een eeuw niemand meer geweest. Het was onbelangrijk gebied, gescheiden van het Noorden door ondoordringbaar gebergte. Ik wist alleen dat het er koud was. Hoe verder ik ging, hoe frisser het werd. Op de ochtend van de vierde dag zag ik licht. Het was helder wit, een kleur die ik alleen kende van kunststof. Dus dit was sneeuw. De lucht was er zuiver. Vreemd. Blijkbaar was er aan deze kant niets gebeurd. Maar het was er zo koud, zo vreselijk koud! Ik viel bibberend bij de uitgang in slaap.

‘Wat? Waar?’ vroeg ik paniekerig toen ik ergens anders wakker werd.

‘Niet bang zijn, je bent in goede handen,’ zei het meisje. Ze duwde me terug neer. Er lagen bontvellen over me heen. De ironie! In het Noorden hadden we niet eens dieren meer. En dan dat meisje, ze deed me aan iemand denken. Alsof ik haar al eens eerder had gezien. Toen ik opnieuw in elkaar kroop tegen de kou sprak ze met radde tong tegen een man die in de hoek stond. Hij liep naar buiten. Toen hij terugkwam had hij een warme brij bij zich, een soort vleessoep. Echt vlees, geen vervangproduct. Toen ik het wat warmer had keek ik het meisje nieuwsgierig aan. Ze zat daar maar met een ernstige glimlach. Ze sprak mijn taal met een dubbele tongval en haar accent was milder dan het mijne.

‘Wie bent u?’ vroeg ik haar.

‘Mijn naam is Iva. Je bent in het vergeten Zuiden.’

‘Dan bent u… deel van het vergeten Volk? Maar u bent -‘

‘Anders dan  jij op je scholen geleerd hebt? Is dat wat je wil zeggen?’

Ik knikte verlegen.

‘Wat ik ben heeft niets met de straf van het Noorden te maken.’

‘Hebt u ons dit aangedaan?’ vroeg ik boos.

‘Natuurlijk niet! Er zijn ook slachtoffers gevallen aan onze kant. Gelukkig hebben wij niet zo’n idioot atoomschild. Dat heeft ons gered.’

‘Je meent het.’ Ik kon mijn cynisme niet verbergen. Ze keek me met een scherpe blik aan.

‘Sorry. Wie zijn jullie eigenlijk? Hoe komen jullie hier?’

‘Ken je de verhalen dan niet? Wij zijn de afstammelingen van Atlantis, terug uitgespuwd door de zee die hen eens verslonden heeft. Ach, je gebrek aan kennis verbaast me niet: alleen Plato erkent ons.’

‘Dus Plato had gelijk over ...‘

‘Aha, je kent Plato toch nog! Dan ben je niet zo dom als ik dacht. Ja, hij had gelijk. Op het hoogtepunt van onze beschaving werden de goden jaloers en straften ze ons. Die geschiedenis herhaalt zich nu.’

‘Bedoel je dat iedereen die ik ken als straf zomaar zal wegzinken in de oceaan?’ Ik lachte. Zij niet.

‘Dat zal niet nodig zijn; ze zijn al allemaal dood,’ zei ze kortaf. ‘Maar het land zal wegzinken, ja.’

‘Wat moet ik doen?’ mompelde ik verdwaasd.

‘Jullie hebben ook geen medeleven met ons getoond. Verwacht geen vriendelijkheid.’

‘Waarom heb je mij dan gered?’

‘Omdat ik jou ken. Ik heb een tijdje in het Noorden gewoond. Het stonk,’ ze haalde haar neus op en zei iets tegen de man in de hoek. Hij lachte hartelijk om wat ze vertelde. Zie je wel, ik wist dat ik haar van ergens kende. Ik groef in mijn geheugen. Toen kwam het weer bovendrijven: zij was dat meisje uit de buurt dat ik ooit eens net op tijd had teruggetrokken toen ze vlak voor een groot fabriekskonvooi wilde oversteken.

‘Ik heb jou toch eens gered,’ zei ik haar.

‘Ja, dat weet ik.’ Ze zuchtte. ‘Je kan vast niet terug naar waar je vandaan komt, hè?’ vroeg ze me. Ik schudde mijn hoofd.

‘Dat vormt een probleem. Je kan hier in principe niet blijven.’

‘Echt niet?’ Ik nam haar hand vast en gaf haar mijn befaamde puppyblik. Ze aarzelde.

‘Ik kan het proberen,’ gaf ze toe

‘Vergeet mijn moeder en broertje niet,’ waarschuwde ik haar vlug.

‘En je vader?’

Ik ademde scherp in. ‘Die is dood.’

‘Het spijt me voor je.’

‘Vast.’

Ze besloot er niet op te reageren. Ze overlegde weer met de man in de hoek. Hij schudde wild met zijn hoofd. Iva draaide zich weer om naar mij.

‘Het gaat niet. Als je nu alleen was, dan hadden we er nog over kunnen denken. Afgezien van je zwakke fysiek zou je nog van pas kunnen komen.’

Het stak me dat ze me zwak noemde. In het Noorden was ik een stevige knaap geweest. Ach, in het Noorden… het Noorden bestond niet eens meer. Weemoedig keek ik naar haar bewegende lippen zonder te horen wat ze zei. Hoe lang was ik hier al?

‘… begrijp je wat ik zeg? Je moet vertrekken. We schatten dat het Noorden over zo’n vijf dagen zal wegzakken. Als je je moeder en broertje nog wil redden zul je je moeten haasten.’

Ze stond op en liep weg voor ik om meer uitleg kon vragen.

Bitter ging ik terug, weer drie dagen door het donker. De stank was al tot ver doorgedrongen. Het was niet meer te harden. Ik drukte mijn zakdoek tegen mijn mond en liep gestaag door. De geur maakte me licht in het hoofd. Toen ik het gat bereikte keek ik verslagen om me heen. Mijn moeders kleren lagen in een bundeltje onder het gat, twee lichamen ineengestrengeld op de grond. Ze gaven geen teken van leven. Het had weg van Pompeï, die stad die ze zoveel duizenden jaren geleden hadden gevonden. Ook deze ruimte vertelde het schrijnende verhaal van de verstikkingsdood, mijn moeders vruchteloze pogingen om het gat dicht te stoppen met haar kleren en haar wil om mijn broertje desnoods met haar eigen adem in leven te houden. Ik kon niet lang blijven. Alles werd al zwart voor mijn ogen. Fijn, dan zou ik hier maar blijven liggen en samen met hen doodgaan. Ik liet me tegen de rots zakken en sloot mijn ogen. Het zou vast snel gaan.

 

Ik opende mijn ogen. Alles zag hel wit. Ik was buiten, weg uit het donker. De sneeuw om me heen schitterde.

‘Je bent lang buiten bewustzijn gebleven,’ zei Iva glimlachend.

Twee dagen later voelden we een tweede beving en besloten ze me een huis te geven. Zo begon mijn leven in het Zuiden. Toen ik het Iva vroeg nam ze me mee naar een besneeuwde bergtop. Vandaar keek ik uit over de grote oceaan in het Noorden. Er was niets meer. Het gebergte dat me eens hier had gebracht was weg. Alles lag daar ergens onder die enorme massa water. Toen ik terugkwam was ik niet meer  dezelfde.

In de jaren erna keerde ik me in mezelf terug. Hoewel ik de taal van Atlantis leerde, sprak ik ze zelden. Ik stond al gauw bekend als ‘de kluizenaar van het Noorden’. Het kon me niets schelen, ik schreef. Voor wie of wat wist ik niet, maar ik kon er niet mee ophouden. De drang tot vertellen was te groot, even groot als de drang tot overleven die me uit die grot had gered. Er waren betere dingen om voor te sterven.

 

‘… in een enkele dag en nacht van ongeluk verdwenen het Eerste en Tweede Continent in de diepte van de zee.
Hassaïn, 2450 n. Chr 

Ellen CLEYNHENS, laureaat 2006, reeks 4

©  Davidsfonds Heist-op-den-Berg, Oude Liersebaan 75, 2220 Heist-op-den-Berg, BELGIUM