Zevende kortverhalenwedstrijd 2011-2012


vlnr. Carl Bekaert, winnaar, An Verbeeck, Marc Gijsemans 
en de vertegenwoordiger van onze sponsor, Rotary Heist

Virtueel

             Roman kwam de woonkamer binnen.

            Onrustig om zich heen kijkend, een rol wc-papier half verborgen onder de slippen van zijn gestreepte pyjamavest, repte hij zich naar de tafel, schoof een stoel achteruit en ging zitten. Hij plaatste de rol wc-papier netjes binnen handbereik en zette zijn computer op. Een vluchtig blik vertelde hem dat Lotte, zijn vriendin, verloofde en zo meteen ook tijdelijk toekomstige ex, hem hoofdschuddend stond aan te kijken van achter de openstaande deur van de kleerkast.

            Op dit moment kon haar misprijzen hem gestolen worden.

            Hij voerde enkele handelingen uit op de computer en nam vervolgens het stuk zeep op dat in het midden van de tafel lag, drukte het tegen zijn borst en begon erin te kerven met een soort mes, zijn bovenlichaam lichtjes voorover gebogen als om zijn activiteiten verborgen te houden voor de rest van de wereld.

            Opeens hield hij op.

            “Ben jij nu aan het zingen?” vroeg hij enigszins verbaasd.

            Hij had duidelijk een melodie gehoord, gedragen door iets dat verdacht sterk op haar stem leek. Ze antwoordde niet.

            Aarzelend hervatte hij zijn verdoken activiteiten en sneed met de accuratesse van een chirurg enkele flinterdunne schillen van het stuk zeep af. Het vlijmscherpe werktuig dat hij daarvoor hanteerde was ooit een lepel geweest, die hij met veel geduld doorheen het vensterraam tegen de buitenmuur had afgeslepen.

            Opnieuw richtte hij zich op.

            “Ben jij dat nu?”

            Hij zette zijn computer uit om nog beter te kunnen luisteren.

            “Of ben ik nu gek aan het worden?”

            “Ik ben aan het neuriën” gaf ze uiteindelijk toe.

            Dit was nieuw. Lotte hoorde niet te neuriën wanneer ze haar koffers pakte. Lotte hoorde nijdig te zijn, gepikeerd en chagrijnig, hysterisch op het waanzinnige af, maar niets van dat. Ze was aan het zingen...

            “En wat ben je dan wel aan het neuriën?” vroeg hij zo onverschillig mogelijk – misschien bracht de tekst van het liedje enige duiding.

            “Zou jij wel graag willen weten.”

            Ze had hem zelfs niet aangekeken. Even had ze een blik geworpen op het uurwerk dat naast het grote kruisbeeld tegen de muur achter hing, waarna ze een kruisteken maakte en verder ging met inpakken.

            Hij haalde zijn schouders op.

            Telkens wanneer er iets gebeurde dat haar niet aanstond, haalde Lotte haar koffers boven en begon ze haar kleren erin op te bergen. Soms als resultaat van een heftige woordenwisseling, soms als inleiding. Het was zelfs al zo vaak voorgevallen dat het Roman toescheen alsof ze elke onenigheid als een excuus zag om de kleerkast te herschikken. Dan was ze iedere keer behoorlijk pissig geweest. Nu leek het haar niet veel te kunnen schelen. Misschien was het deze keer wel menens...

            “Zou je die computer wel laten afstaan?” vroeg ze na een tijdje.

            “Hoezo?”

            “Je weet maar nooit dat ‘ze’ contact met je wil opnemen”

            Hij fronste...

            “Wie ‘ze’?”

            Er werd aan de deur gebeld.

            “Momentje!” zei hij.

            Hij legde het stuk zeep op de tafel. Het mes wierp hij echter naar de keukendeur waarop een grote foto van haar moeder duidelijk al enkele keren als roos was gebruikt.

            “Zal het gaan, ja?” riep ze uit.

            “Oefening baart kunst.” zei hij laconiek.

            Hij begaf zich, met zijn rol wc-papier opnieuw onder de arm, naar de voordeur, legde zijn hand op de klink, keek enkele keren om zich heen en trok dan de deur met een ruk open voor een oudere man met een slof sigaretten in de hand. Die leek zich allerminst te verbazen over de vreemde gestreepte figuur die voor hem stond en die hem prompt de slof sigaretten uit de handen rukte, de verpakking opentrok en er onderhands een pakje uit terug gaf, samen met het verschuldigde geld, de ganse tijd geagiteerd over zijn schouder heen kijkend. Nadat beide mannen nog een samenzweerderige knipoog hadden gedeeld, sloeg Roman de deur met een klap terug dicht en repte zich tot bij de canapé waar hij de resterende sigaretten achter de kussens verborg om dan weer plaats te nemen aan de tafel en zijn werkzaamheden te hervatten. Lotte sloeg de ogen ten hemel en zuchtte.

            “Wie ‘ze’?” vroeg Roman vervolgens alsof er niets gebeurd was, waarna hij terug opstond om het mes te recupereren.

            “Wie wat ‘ze’?”

            Het kostte hem enige moeite om het geïmproviseerde snijwerktuig uit het linkeroog van zijn toekomstige schoonmoeder te prutsen, maar even later kon hij toch verder werken.

            “De laptop, schat.” vervolgde hij “Wie zou er contact met me willen opnemen?”

            Heel even verscheen op haar gelaat de zweem van een glimlach, die een zekere voldoening verried omwille van zijn aanhoudende nieuwsgierigheid, maar die verdween meteen achter het masker van bloedige ernst waarmee ze enkele onderjurken in haar koffer legde.

            “Je ‘soezie-woezie-schatte-bolle-wieze-wolleke’?”

            Ze sprak het langzaam uit met de belerende intonatie van een financieel expert die een analyse maakte van de beursschommelingen. Bij hem sloeg het in met de impact van een beurskrach.

            “MIJN WAT?”

            Zijn maag trok zich samen in een knoop.

            “Je netslet!” vervolgde ze koeltjes en begon verder te pakken.

            “Wat zeg je daar nu toch allemaal?”

            “Je ‘harde-schijfwijf” voegde ze eraan toe, zo mogelijk nog koeler.

            De knoop in zijn maag trok zich alsmaar nauwer samen.

            “Ik weet niet waarover je het hebt!” probeerde hij vergeefs verontwaardigd te zijn.

            “Lieverd, beledig nu alsjeblieft mijn intelligentie niet.”

            Met rustige regelmaat bleef ze de kledingstukken uit de kast halen en verdeelde die netjes over de twee koffers op het bed.

            Hij aarzelde even.

            Het had duidelijk geen zin meer om zich nog langer van de domme te houden. Hij had zich op glad ijs begeven en zij had hem onderuit gehaald. Misschien was het tijd om toe te geven.

            Het zat zo...

            Deels om de verveling te verdrijven, deels uit nieuwsgierigheid, had hij zich via het internet op enkele datingsites geregistreerd. Vroeger zou hij zich hiertoe nooit verlaagd hebben, zoals hij het zelf noemde, maar hij ging naar de vijftig toe en voelde zich alsmaar verder weg zinken in de verstikkende gedachte dat de toekomst voorgoed achter hem lag. Later was nu geworden en jong zijn kon alleen nog in zijn hoofd... of op het internet. Met dien verstande dat elk fysiek contact beperkt zou blijven tot het indrukken van een toets op zijn keyboard, had hij zich in het avontuur gestort. De leeuw zou nog eens brullen, al was het dan virtueel!

            “Hoe ben je het te weten gekomen?”vroeg hij.

            “Toen je over je enkelband begon.”

            Enkele weken geleden was hij veroordeeld tot drie maanden elektronisch toezicht vanwege het ongeoorloofd dragen van een politie-uniform.

            “Hebt U nog iets ter uwer verdediging aan te brengen?” had de rechter gevraagd.

            “Enkel dat ik gans deze poeha een farce vind, mevrouw! Ik was op weg naar een feestje, verkleed als commissaris Migraine. Mijn vriendin had verdorie een Mega-Mindypak aan! Dat had toch wel een kleine aanwijzing kunnen zijn.”

            “U stond het verkeer te regelen, mijnheer!”

            “Dat was voor de grap!”

            “Een grap die resulteerde in een ongeval.”

            “Niemand raakte gewond. Trouwens, alles verliep vlot tot de echte politie tussenbeide kwam.”

            “O, zij hebben het ongeval veroorzaakt?”

            “Inderdaad, mevrouw!”

            “Vervolgens zou U die politieagenten hebben willen ontslagen? En met welk recht dacht U dat dan wel te verwezenlijken?”

            “Het recht waarop elke werkgever zich kan beroepen om zijn personeel te ontslaan. Het recht van de sterkste, mevrouw”

            “Wel, in deze rechtszaal ben ik de sterkste en ik veroordeel U tot een vrijheidsbeperking, in uw eigen woning weliswaar, voor een periode van drie maanden!”

            Sindsdien was hij dus gevangene van zijn eigen appartement. Hij gedroeg zich dan ook als zodanig: dag en nacht gekleed in een gestreepte pyjama als gevangenisplunje, voortdurend een rol wc-papier meezeulend als laatste restje van menselijke waardigheid – “als ze dat van je afpakken, dan ben je niets meer!” – plannen smeden om te ontsnappen, wapens vervaardigen uit gebruiksvoorwerpen, zoals een mes uit een lepel of een pistool uit een stuk zeep en iedereen die hem een dienst bewees uitbetalen in sigaretten. Nu ja iedereen... enkel de conciërge en diens enige taak bestond erin om die sigaretten te gaan kopen; zelf rookte Roman niet. Weliswaar een karikatuur van wat er zich in de werkelijkheid in plaatsen van bewaring afspeelde, het was de enige manier die hij kon verzinnen om zich met zijn lot te verzoenen. Spot maakte het ondraaglijke wat draaglijker, klonk het dan nogal theatraal.

            “Toen ik over de enkelband begon?” vroeg hij verbaasd. “Je zat met andere woorden verdorie zelf op die datingsite!”

            Onverschillig trok ze haar wenkbrauwen op

            “Men zegt toch dat het ware geluk zich in je eigen huis bevindt. Wel, ik had van een vriendin gehoord dat jij ernaar op zoek was. Ik  moest toch zeker zijn dat je het vond?”

            “Ik was naar niks op zoek. Het was gewoon een spelletje... zoals solitaire... maar dan met zijn tweeën.”

            Hier verderop is een motel waar we eens kunnen afspreken” confronteerde ze hem met zijn eigen woorden.

            Heel even kon hij niets uitbrengen.

            “Wat als ik daarin had toegestemd!” ging ze verder.

            “Een vrouw die zo snel op een dergelijk voorstel ingaat is een sloerie!” probeerde hij.

            “O ja? En hoe noem je dan de man die zoiets voorstelt?”

            “Een Avatar.”

            “Nu ga je me nog wijsmaken dat jij en je Avatar twee verschillende personen zijn!”

            “Natuurlijk! Mijn Avatar is pure fantasie!”

            “Jouw fantasie!”

            “Dat maakt het nog geen werkelijkheid! Als ik fantaseer dat ik jouw moeder een pijnlijke dood laat sterven, denk je dan dat ik dat ook daadwerkelijk zou doen?”

            “Ja!”

            “Oké, slecht voorbeeld.”

            “Het enige wat je ervan zou weerhouden is de straf die erop zou volgen!”

            “O, maar ik zou het wel in een vlaag van zinsverbijstering doen, hé. Daar heeft zo’n jury altijd medelijden mee. Vooral als ik mijn verhaal doe.”

            Hij gooide zijn hoofd in de nek en hield zijn arm omhoog waarbij zijn hand slapjes op en neer wiebelde:

            Dag luitjes... jullie hebben me gemist... ik voel het!” riep hij uit met een schriel stemmetje, waarna hij zijn gezicht vervormde tot een duivelse grimas en zijn handen verkrampt samenbracht alsof hij iemand zou wurgen...

            “Echt indrukwekkend... je kan trots zijn!” snauwde ze.

            “Ik zou er achteraf natuurlijk oneindig veel spijt van hebben!” besloot hij.

            “Alleen omdat je het geen twee keer kan doen!”

            Opnieuw wierp ze een blik op het uurwerk en maakte ze het kruisteken.

            “Wil je daar eens mee ophouden?” riep hij.

            “Ik wil gewoon weten hoe laat het is!”

            “Je weet goed wat ik bedoel... je bent niet eens gelovig!”

            “Je kan maar nooit weten!” zei ze, “Je hebt me trouwens nog altijd geen antwoord gegeven!”

            “Op wat?”

            “Wat als ik ingestemd had om met je mee te gaan naar dat motel?”

            “Denk nu eens twee minuten na, schatje...”

            Hij stak zijn voet met de enkelband in de lucht.

            “Zoals ik dus al eerder al zei, het was gewoon een spelletje.”

            “Datingsites zijn geen speelplaatsen!”

            “Natuurlijk wel! Jij was trouwens niet mijn enige speelkameraadje!”

            “WAT?”

            “Er waren er nog.”

            “Hoeveel?”

            “Een vijftiental...”

            “Vijftien wanhopige vrouwen die in een ultieme poging via het internet op zoek gaan naar een levenspartner en jij houdt die zomaar aan het lijntje! Je moest je schamen!”

            “Ach, wat... die vrouwen zijn gewoon op zoek naar een beetje mysterie en wat romantiek. Trouwens, als ik met hen klaar ben, zullen ze zo’n goed gevoel hebben over zichzelf dat ze niet langer op het internet op zoek gaan naar een nieuwe partner, maar in de echte wereld.”

            “Jij bent gewoon ongelooflijk...” sneerde ze.

            “Vind je niet?” lachte hij. “Neen, echt... het zou ongeveer zo moeten gaan: ‘Ik werd plots geveld door een ongeneeslijke en hoogst besmettelijk ziekte’... ‘een kwestie van dagen’... ‘het intense geluk dat jij mij nog gaf tijdens mijn laatste uren’... ‘een hartverscheurend vaarwel’... ‘maar je moet me beloven’... jadde jadde jadde”

            “Jij... jij...”

            “Wat?”

            Hij pakte het stuk zeep terug op en begon nu zelf te zingen

            “Spread a little happiness as time goes by”

            “Ze hadden je moeten wegsteken in een echte gevangenis“

            “Er was geen plaats meer, schat!’

            “Dan moesten ze maar plaats maken!”

            Hij voelde zich opeens terug in zijn element.

            “Weet je wat het is? De mens heeft geen morele waarden. Heeft hij ook nooit gehad. Datgene wat hem zogezegd  zou onderscheiden van de dieren? Een grote illusie!”

            Hij hield het stuk zeep in de lucht en bekeek het aan alle kanten. Zijn pistool begon stilaan vorm te krijgen.

            “Vroeger stond de mens stil bij wat hij deed. Hij vroeg zich af of het goed was of slecht. Niet omdat hij een geweten had, maar omdat hij wist dat hij later verantwoording moest afleggen bij iets of iemand die van alles op de hoogte was en die je een eeuwigheid van ondraaglijke pijn kon aansmeren. Nu checkt hij alleen nog maar of het wettelijk toegelaten is en zolang dat niet vastgesteld is... doen, verdomme... hoe meer het opbrengt hoe beter!””

            “Wat haal jij God nu opeens in deze discussie?”

            Ze maakte opnieuw een kruisteken.

            “Ik had het over je moeder, schat.”

            Hij schaterde het uit.

            Ze sloot beide koffers en zette ze op de grond.

            “Neen, ernstig nu!” vervolgde hij. “Het verstandigste wat de mens ooit gedaan heeft was het bestaan van iets erkennen, voordat hij de intelligentie had om dat bestaan te kunnen weerleggen.”

            Ze bleef hem een hele tijd uitdrukkingloos aankijken.

            “ ‘Echt waar, mijnheer de uil... m-hm’ ” voegde hij eraan toe.

            Ze bleef hem aanstaren

            “Ons verstand heeft ons de das omgedaan!” besloot hij.

            Ze pakte de koffers vast bij de handvaten en stapte tot bij de kleerhanger waar ze haar jas van het haakje plukte. Nadat ze die dichtgeknoopt had hing ze nog een sjaal om.

            Hij kon zich niet herinneren dat ze het ooit zo ver gedreven had.

            “Maar schatje!” probeerde hij.

            Meestal was ze nu de kasten al terug aan het inladen.

            “Niks schatje! Dat is nu al tweeëntwintig jaar dat we voorlopig in dit appartement wonen tot we iets beter gevonden hebben. Heb je al gezocht? Neen! Tweeëntwintig jaar dat je me beloofd hebt om te trouwen! Heb je al een ring? Neen! Tweeëntwintig jaar dat je parttime werkt op een interim-bureau! Heb je al ooit eens promotie gemaakt? Nog nooit! Nu loop je ganser dagen rond in een pyjama alsof je krankzinnig geworden bent en toch heb je nog altijd de wijsheid in pacht en ik ben het gewoon strontbeu!”

            Hij stond op en wou naar haar toe gaan.

            “Doe geen moeite” zei ze.

            Er werd opnieuw op de deur geklopt

            “Momentje.” zei hij en pakte zijn rol wc-papier terug op. Deze keer mikte hij het mes midden in het voorhoofd van haar moeder.

            Hij wou zich naar de deur begeven, maar zij hief haar hand op.

            “Blijf maar daar!” zei ze.

            “Verwacht je iemand?”

            “Ik ga een tijdje bij mijn moeder wonen, althans, in haar huis.”

            “Maar schatje, ik...”

            “Roman, ik heb tijd nodig om over de dingen na te denken”

            “Je kan dat hier toch ook?”

            Ze negeerde hem.

            “Ik heb dus getracht om de nodige afspraken te maken opdat jij hier niet zou verkommeren met die enkelband om je been...”

            “Ja... wie gaat er nu boodschappen voor mij doen?”

            “Die conciërge” ging ze verder “laat zich in sigaretten betalen om diezelfde sigaretten te gaan kopen. Met dat soort afspraken zie ik je hier alleen maar verhongeren en daarom heb ik voor een andere oplossing gekozen.”

            “Hoe bedoel je?”

            “Wel... zoals ik al zei, ga ik in mijn moeders huis wonen...”

            Opeens drong het tot hem door.

            “Oh neen!”

            De knoop in zijn maag begon zich terug samen te trekken.

            “... en ik heb je probleem aan mijn moeder uitgelegd en zij heeft me toen een voorstel gedaan dat ik onmogelijk kon weigeren.”      

            Zelfs de enkelband leek zich nu alsmaar nauwer om zijn been te knellen.

            “Het is maar voor twee luttele maanden” zei ze smalend.

            “TWEE MAANDEN!?”

            Ze legde haar hand op de klink.

            “Raad eens wie er al die tijd naar hier komt... speciaal voor jou?”

            ”O God!” riep hij uit.

            “Bijna!” zei ze en ze opende de deur.

            Dag luitjes... jullie hebben me gemist... ik voel het” riep een schriel stemmetje uit.

            “Mama, wat ben ik blij je te zien!”

Carl BEKAERT  -  winnaar 7de kortverhalenwedstrijd

© Davidsfonds en Cultuurraad Heist-op-den-Berg, Oude Liersebaan 75, B-2220 Heist-op-den-Berg/BELGIUM