Laureaten opstelwedstrijd 2007-2008

FOTO: De winnaars van onze opstelwedstrijd


Het geheim van de witte paarden.

Laurien en ik keken naar buiten. De sterren waren allemaal klein behalve één. Ze schitterde tot het eind. Laurien bleef er maar naar kijken. Ik dwaalde zowat af.

In de verte zag ik iets vliegen. Een papiertje of zo. “Kijk Laurien daar vliegt iets", zei ik. Ze keek op en zei: "Doe het raam open, dan vliegt het misschien naar binnen." Het was net dat mijn beste vriendin het had voorspeld. Het kwam ons met een golf van wind toegewaaid. Ik plukte het van de wind en deed het raam dicht. In halve fluisterstem las ik wat er op het papiertje stond:

't Is deze nacht dat ik op jullie wacht

Als de maan en sterren aan de hemel staan
Als jij en zij naar de witte paarden gaan.
Dan zal ik het geheim onthullen

En zullen jullie mijn droom eindelijk vervullen

Aan :L. en L                     Van: Nelle de Praan

PS : Steek jullie hand deze nacht, precies om twaalf uur naar buiten door het raam (sta klaar met pak en zak)

Het bleef een hele tijd stil. "Doen we het?" vroeg Laurien met pretlichtjes in haar ogen. "Ik wil wel", zei ze. "Ik ook!"

We besloten bij elkaar te blijven en maakten onze rugzak klaar.

Het was kwart over elf, dat las ik op het horloge dat ik gekregen had van Kaat, de werkster (voor mij is ze een grote vriendin).

Zij I Laurien en ik hadden allemaal hetzelfde horloge.

Bij het denken aan Kaat kreeg ik koude rillingen over mijn rug. Ze was zo lief geweest tegen ons.

En nu gaan wij ergens heen, maar niemand weet naar waar, en wij laten haar zomaar alleen achter zonder 'dankjewel'.

"Laurien, kunnen we Kaat wel alleen achter laten?" Er kwam een snijdende stilte. "Als we het nu eens vragen", zei Laurien. "Aan wie dan?" vroeg ik grinnikend. Laurien vond het zo te zien niet grappig. "Wel die Nelle heeft een briefje met de wind gestuurd, als zij het kan, kunnen wij het toch ook!" Ik scheurde zonder te twijfelen een stuk behang van de muur en toverde een balpen uit mijn broekzak.

Aan Lauriens gezicht zag ik dat ze aan het denken was. Uiteindelijk zei ze,

"Schrijf op:"

Ik ben mij en dat is zij 
Kan er nog iemand bij? 
Lien, Laurien en Kaat, Wij zijn één
Dan gaan we er samen heen

                        Aan: Nelle de Praan       Van L. en L

"Ik wist niet dat jij zo goed gedichtjes kon maken" zei ik versteld.

Het was kwart voor twaalf. "Snel, als je wilt dat ze het nog lezen, moeten we het nu naar buiten gooien."

Ik deed het raampje open en liet het meewaaien met de wind. ''We zijn wel nog iets vergeten, we hebben het nog niet gevraagd aan Kaat. Maar ik zal het wel even gaan vragen." Voor Laurien kon antwoorden was ik al buiten en de trap af. Ik liep enkele gangen door. Het was akelig stil.

Een snijdende gedachte kwam me opeens te binnen. Zou ik Kaat nog wel vinden? Het was immers bijna middernacht. Ik weet niet hoe het kwam, maar ik kwam op een binnenplein. Ik dacht dat ik alleen was maar er was een onduidelijke schim, heel voorzichtig kroop ik in de dichtstbijzijnde struik. De silhouet kwam dichter bij. Ze stond nu aan de andere kant van de struik. Het was al de hele tijd stil geweest.

De schim zei: "Je hoeft niet bang te zijn." Ik wou het niet zeggen maar het ging sneller dan ik dacht. "Hoe ken jij mijn naam?" "Omdat ik Kaat ben"

Ik stond ineens recht, pakte haar hand stevig vast en liep heel de weg terug. Razendsnel kwamen we aan onze kamerdeur. Ik pakte mijn rugzak en deed het raampje open. Laurien stond al bij het raampje. We pakten allebei één hand van Kaat vast. De andere hand gaven we aan de onbekende kracht. We werden net door een buis gezogen. We raasden. Met een schok kwamen we op een groot kussen terecht.

Ik deed mijn ogen open. We lagen in een mooie zaal, afgewerkt met goud en zilver. Naast ons stond een troon, hij was bekleed met rood fluweel. Ik keek naar de slapende Kaat en Laurien. Ik maakte de doornroosjes wakker.

Toen het draaierig gevoel voorbij was, vertelden Laurien en ik waarom we haar hadden meegenomen. Net vijf seconden later, alsof het zo was afgesproken, kwam er een jonge vrouw binnen. Ze ging op de fluwelen troon zitten. Pas toen ze daar zat, merkte ze ons op. " Ah, hier zijn jullie eindelijk. Ik dacht dat jullie niet meer kwamen.” Ik ging wat rechter zitten en vroeg: "Heb jij ons een briefje gestuurd?" “Ja, Lien", was haar antwoord. "Ik ben de eigenares van de witte paarden, Nelle de Praan. Maar noem me maar gewoon Nelle." Nu zei Laurien:" Nelle wij moesten naar hier komen, waarom eigenlijk?" Haar gezicht werd bleker. Ze slikte en zei:" Luister, ik heb erg veel paarden, allemaal wit. Ze zijn allemaal heel erg mooi. Maar vorige week gebeurde er iets verschrikkelijks.

Enkele paarden van mij stonden hier binnen te wachten op een ritje van me. Maar je kan je wel inbeelden als je honderd paarden hebt en die allemaal moet berijden, dat word je op den duur wel beu. Dat werd ik die dag ook. Ik heb veel vrienden zowel hier, op mijn ster, als op de aarde, ik dacht: "Het is lang geleden dat ik mij vriendin Stien heb gezien. Ze woont op aarde. Daarstraks zijn jullie naar hier gekomen. Hoe voelde dat?" Ik antwoordde:"We zaten net in een buis en we gingen supersnel, toen we hier waren voelden we ons vooral draaierig." Nelle ging verder met haar verhaal:"Juist, je weet dat de paarden hier in de zaal stonden, ik drukte dus op de knop om Stien naar hier te sturen. Maar in plaats van Stien naar hier gingen de paarden naar Stien. Dat gebeurde vorige week donderdag. Maar wat erger was, de paarden bleven daar natuurlijk niet wachten tot iemand hen terug naar hun ster zou sturen. Ze liepen dus weg van Stien.

Mijn vraag is, willen jullie de paarden terug gaan halen? Het zijn er welgeteld tien." Laurien vroeg: “Maar waarom doe je dat niet zelf en waarom heb jij ons uitgekozen?" "Ik kan niet naar de aarde, en wij hebben toevallig alle vier hetzelfde horloge aan.

Door dat horloge kan ik zien wat jullie doen en waar jullie zijn. Ook kan ik jullie toekomst voorspellen. Ik had gezien dat als ik jullie niet naar hier had gestuurd er dan iets verschrikkelijks met jullie zou gebeuren."

Het was de eerste keer dat Kaat iets zei:" Met mij ook? Want wij hebben toch een briefje gestuurd?" "Met jou ook ja, en dat briefje was toch niet nodig want ik kan je toekomst voorspellen en ik wist dat ze je zouden meebrengen.

Nu even terug, willen jullie de paarden nu gaan halen?"" Ik wil wel", zei ik en al snel volgden Laurien en Kaat mijn voorbeeld. “Goed, jullie rugzakken staan al klaar, morgen vertrekken jullie. En jullie eigen rugzakjes mag je wegzetten. Maar ik denk wel dat jullie honger hebben, niet?" "Ja, dat heb je zeker voorspeld?” zei Kaat "Neen als jullie dicht bij me zijn kan ik jullie toekomst even niet voorspellen."

We zaten aan tafel en er werd volop gepraat. We gingen vroeg naar bed om de volgende ochtend goed uitgerust te zijn. We moesten immers vroeg vertrekken.

Ik deed mijn ogen open. Het vroege zonlicht scheen op mijn gezicht. Kaat en Laurien waren al opgestaan. Snel kleedde ik me aan en ging naar de ontbijttafel.

Het ontbijt was hemels maar om 8 uur stonden we dan toch klaar om te vertrekken. We zaten allemaal op een pony. Ik op Bles, Laurien op Silvana, en Kaat op Selma. We hadden ook nog een andere pony bij, Candith, die de rugzakken droeg.

Nelle kwam naar mij en zei: "Deze zender is om met mij te praten, het hoort bij het horloge. Gebruik hem alleen in noodgevallen."

We stonden allemaal naast elkaar."Zijn jullie klaar?” "Ja, Nelle", zeiden we in koor. We werden allemaal naar de aarde gezogen.

Opnieuw kwamen we met een schok neer, maar kwamen nu sneller bij. We stonden voor het huis van Stien. In de tuin stonden hoefafdrukken en de bloemen waren half afgegeten. Het hek was stuk. Laurien stelde voor de hoefafdrukken te volgen, wat we dan ook deden.

We waren de sporen al een halve dag aan het volgen. Toen we bij een bos kwamen was het veel moeilijker om de sporen nog te vinden. Maar onze pony's waren helemaal opgewonden. We konden ze niet meer inhouden, ze liepen het bos door en we kwamen aan een gigantisch grote weide. We kwamen opnieuw aan een hek en het was opnieuw stuk. We zagen ook hoefafdrukken, onze paarden hadden ons flink geholpen. Ze mochten even grazen als beloning. We besloten de weide over te steken. En als we aan de andere kant waren gekomen er ons kamp op te slaan. We hadden het gedaan. Die avond gingen we opnieuw vroeg slapen. Onze paarden waren vastgebonden aan het hek.

Toen ik die morgen wakker werd lagen Kaat en Laurien nog altijd te slapen. Deze keer waren zij de slaapkoppen. Ik maakte ze wakker. We begonnen met een lege maag alles op te bergen in zakken, die we vastmaakten op de rug van Candith. We moesten immers nog ver om de paarden te vinden. We stopten ons ontbijt in de zadeltas, zo konden we al rijdend eten.

We vertrokken, maar de paarden wilden niet door de opening in het hek. Candith besloot om rechtsom te keren en wij moesten in volle galop mee. Laurien zei in paniek: "De paarden kiezen zelf hun weg. Hoe gaan we de verloren paarden nog kunnen vinden?" Ik antwoordde: “Ik weet het niet. Maar we kunnen ze toch niet tegenhouden; trouwens misschien hebben ze een spoor, net zoals gisteren." "Ik hoop het,"zei Kaat. We gingen de weide door en het bos in en uit  tot we terug bij de verlaten steegjes kwamen. We lieten ons door de paarden leiden. Het was al een poosje stil geweest, en Kaat riep opeens: "Maar dat is het huis van Stien!” We zagen de afgegeten tuin nog niet, maar het moderne huis wel. De paarden gingen in een drafje naar het gebouw. En daar in de tuin stonden tien witte paarden I rustig de tuin verder te vernielen.

Ik pakte de zender uit mijn jaszak, en belde Nelle op. “Druk nu direct onmiddellijk op de knop naar je ster!" schreeuwde ik van blijdschap. Handen pakten ons opnieuw op, zogen ons door de buizen en lieten ons met een plof neerkomen op de kussens. We vertelden alles aan Nelle en gingen daarna voor de vierde keer terug door de buis, met een draaierig gevoel en een plof naar mijn kamer.

En weet je wat Nelle deed? Zij reed samen met Stien een ritje te paard.


Bo DE BEUKELEER, laureaat 2008, reeks 1

Reizen door films

 

Lylat was een jongen van ergens tussen 15 en 16 jaar en had middelmatig lang, blond haar dat nog net zijn wenkbrauwen bedekte. Voor zijn leeftijd was hij ietwat aan de lange kant, maar dat viel je niet als eerste op als je hem zag. Wat wél opviel, als je hem kende althans, was zijn aangeboren en uitermate hevige optimisme. Om hem in de put te krijgen, moest je al veel doorzettingsvermogen bezitten. Dat optimisme was wel deels bepaald door Emma, het meisje waar hij zielsveel van hield. Emma had lang, bruin haar en donkerblauwe ogen, en ook zij was aanstekelijk optimistisch. Lylat had Emma vier jaar geleden verrast met Kerstmis door kerstkoekjes te bakken in de vorm van letters, die samen “IK HOU VAN JE! X  LYLAT” vormden en deze te laten afleveren door Emma’s idool Kyran McFaith. Sindsdien waren ze een onafscheidelijk koppel. Omdat het Emma’s verjaardag was, had Lylat zijn vrienden Mana, een jongen met middelmatig lang, vuurrood haar en groene ogen, en Kyle, een jongen met blond haar en bruine ogen gevraagd om hem te helpen Emma’s huis te versieren. Alle drie hadden ze het huis prachtig versierd en waren ze aan het wachten tot Emma thuis zou komen. 

“Lylat!” riep Mana. “Uhu?” riep Lylat terug. Lylat kwam de kamer van Emma binnengewandeld. “Waarom huur je geen film?” vroeg Mana. Lylat keek op. “Ja! Dan huren we Mountain Zero! Die wil Emma al lang zien!” En zo geschiede het dat de drie jongens zich haastten naar de videotheek om Mountain Zero te huren.      

Pakweg drie kwartiertjes later galmde “Happy Birthday” door het huis van Emma. “Ooh! Bedankt allemaal!” riep Emma. Mana overhandigde haar een slordig ingepakt cadeautje. “Dank je, Mana”, zei Emma blij toen ze zag dat het een goudroze sleutelhanger was met het opschrift “Princess”. Van Kyle kreeg ze een boek van haar lievelingsschrijver Collin Marsh, getiteld “Vuur” en van Lylat kreeg ze een bolle mok met daarop een mooi liefdesgedichtje. “En nu hebben we nog een surprise!” zei Lylat. “Doof de lichten, Kyle!” “Ajaj, kapitein!” zei die en hij knipperde het licht uit. Lylat startte de film, die met prachtige muziek en beelden begon.

“Mountain Zero!” riep Emma toen dat in zilverzwarte letters op het tv-scherm flikkerde. “Inderdaad!” zei Lylat. Emma omhelsde de drie jongens. “Bedankt!” zei ze en ze wendde zich weer tot de tv, die een vrolijk deuntje speelde. Maar opeens stopte het deuntje en leek er een soort draaischijf op de tv te verschijnen. “Huh?” zei Lylat en hij stapte op de tv af. Hij kon de dvd niet meer uit de dvd-speler halen, noch de tv afzetten. “Hoe kan dat?” zei Kyle. “Ik weet het niet”, antwoordde Lylat. “Lylat, ik ben bang!” zei Emma. “Je moet toch voor niks bang zijn?” zei Lylat. En zijn woorden waren nog niet koud of de tv begon te piepen en zoog de vier kinderen naar zich toe. “Wat is dit?” riep Kyle door het gegil van Emma door. Maar amper een halve minuut later waren Kyle, Mana, Lylat en Emma door de beeldbuis van de tv verdwenen…

 

Lylat opende zijn pijnlijk prikkende ogen. Naast hem lagen Mana en Kyle. Op beide jongens hun gezicht kloppend keek Lylat in het rond. Hij was beland in een onguur en dor gebied. Overal was de grond asgrijs en, ook al stonden er groene bomen, leek het alsof er niets kon leven onder de geelschijnende hemel vol onheilspellende, grauwe wolken. “Waar zijn we in godsnaam?” vroeg hij toen hij alles rondom hem had waargenomen. “Geen idee”, zei Lylat. Even later werd ook Kyle wakker. Met z’n drieën gingen ze door de struiken. “Wacht’ es! Waar is Emma?!” riep Lylat. “Oh nee!” riep Kyle, “Misschien is er wel iets ergs gebeurd met haar!”

 

Plotseling dook er een klein, imp-achtig, zwevend wezen op. “Jullie zoeken naar het meisje, hé?” vroeg ze. De drie jongens knikten. “Ik kan jullie helpen. Ik ben Lanayru, prinses van dit rijk. Jammer genoeg ben ik vervloekt en zie ik er nu zo uit, maar als ik jullie help^, moeten jullie beloven om mijn vloek te breken.” “Alles voor Emma”, zei Lylat. “OK. Nu zal het ongeveer zijn dat jullie zullen transformeren.” “Transformeren?” vroeg Kyle. Lanayru knikte. En jawel, even later gebeurde het. Lylat werd een wolf. Mana werd een vos. Kyle werd een poema. Lylat bewoog zijn kop en hief zijn poten op. Hij kon niets meer zeggen, alleen maar huilen en ‘blaffen’. Lanayru lachte. “Zolang jullie doen wat ik zeg, gaat alles prima”, zei ze en ze besteeg Lylat. “Brave wolf!” zei ze.

Lanayru begeleidde de drie jongens doorheen het woud. “Stil jullie, hier wonen de mardanorussen, een soort gemuteerde dinosaurussen”, zei Lanayru. Uiteindelijk kwamen ze bij een grote plas. “Allemaal tegelijk huilen nu”, zei ze. Na alle drie gehuild te hebben, opende de plas zich en scheen er een blauw licht uit. “Dat is een portaal, dank zij dit reizen we door hetgeen jullie ‘films’ noemen, maar wat voor ons ‘werelden’ zijn!” vertelde Lanayru.

De drie jongens sprongen in het blauwe licht. Ze tuimelden in de prachtige onderwaterwereld van “Lost Ages”, waar ze het portaal vonden in een reuzenoester. Ze werden meegesleurd in de bloedhete vulkaan Morak uit de film “Rupee-Sound” waar het portaal zich bevond in een meteorietachtige rots, waarna ze door films als “Parallel Lines”, “Springtime”, “Gravity Limit” en “Correct Blame” reisden. “En hier vinden jullie het laatste portaal, naar Khani”, zei Lanayru. “Daar zullen jullie het meisje vinden.”

De drie dieren keken op, blaften en sprongen in het blauwe licht. Kyle opende zijn ogen. Naast hem zaten Mana en Lylat. “Ik…Ik heb m’n eigen lichaam weer terug!” riep Kyle. Tussen Mana en Lylat, die hun lichaam ook weer terug hadden, lag een hert met een zilveren gewei en kristallen hoeven. “Is dat    Emma?” vroeg Kyle. Mana knikte. “We moeten het laatste portaal vinden en haar meenemen naar de echte wereld!” riep Lylat.

Plotseling verscheen er een fee vanuit de lucht. “Helden, gekozen door de goden, neem deze goddelijke wapens en verdrijf het kwaad”, zei de elf. “De heroïsche boog, voor de scherpzinnige”, ging de fee verder en een boog verscheen in Mana’s hand, samen met pijlen, in een koker op zijn rug. “De heroïsche boemerang, voor de wijze en luchtige.” Een zilveren boemerang verscheen in de handen van Kyle. “En tot slot, het meester-zwaard, voor de edelmoedige, onbevreesde en heldhaftige.” Een glanzend zwaard verscheen in Lylats handen. De fee verdween. En voor onze helden “Wat was dat?” konden zeggen, verscheen er in de plaats een vlammend beest op twee poten met een kristal op zijn hoofd.

Mana schoot een pijl in dat kristal, met behulp van de geest Bo, in de boog. Het monster werd uit evenwicht gebracht door Kyle’s boemerang, met behulp van de geest Ka. En de edelsteen werd vernietigd door Lylat, met zijn zwaard, waar de geest Mu in huisde. De edelsteen viel op de grond en het monster verdween. De edelsteen verspreidde een felblauw licht. “Het portaal!” riep Lylat, en de drie jongens verdwenen met het hert door het portaal. Ze kwamen weer in de kamer van Emma.

 

Emma lag in de witlederen zetel. Lylat deed het hele verhaal tegen Emma. “Liefde overwint alles”, zei Lylat. “En Lanayru dan?” zei Mana. “We moeten terug”, zei Lylat. “Wat?!”, riep Kyle. “We hebben het beloofd!” En zo vonden vrienden en geliefden elkaar terug door te reizen door films. En Kyle, Mana, Lylat en Emma sprongen weer in de tv. Om Lanayru te redden. Ook al hadden ze geen flauw benul over wat er met hen zou gebeuren.

WARE FILMHELDEN…

EINDE
 

 

 

 


Brent BRUYNSEELS, laureaat 2008, reeks 2

Alles is voorbij nu

 

Hallo, ik ben Vincent. Je kent me vast wel van…je dromen. Ja, ik ben het, de man van je dromen, die ene jongen waar je al je hele leven achter zoekt. Je hebt me gevonden.

Ik stond op, nog een beetje slaperig, en strompelde naar de badkamer. Ik keek in de spiegel, en toverde een glimlach tevoorschijn. De jongen in de spiegel, die niet meer dan een meter van me verwijderd stond, lachte terug. Hij was bloedmooi, zijn parelwitte tanden kwamen tevoorschijn als hij glimlachte en telkens hij bewoog, deinden zijn prachtige halflange blonde haren mee. Zijn diepblauwe ogen zagen er vandaag nog een beetje vermoeid uit, het was gisterenavond laat geworden.

Ik ging snel naar beneden om te ontbijten en zo vlug mogelijk te vertrekken naar school, ik was al bijna te laat, ik had me wat overslapen. Ik had weeral een heerlijke droom gehad, zoals gisteren, en eergisteren, zoals altijd eigenlijk. Elke nacht diezelfde droom. Ik droom steeds dat ik een filmster ben, dat ik wereldberoemd ben, en ik weet zeker dat op een dag deze droom zal uitkomen. Ik at snel iets en vertrok dan naar school. Ik nam mijn fiets, en begon te trappen, zo snel als ik kon, anders zou ik te laat zijn. Ik was met mijn gedachten zo ver weg dat ik die vrachtwagen niet zag aankomen die kwam aangereden net toen ik moest oversteken. Ik reed gewoon door. Hij begon te remmen zo hard als hij kon, maar ik lette er niet op, ik zag hem nog niet eens. Ik voelde een harde klap, enkele meters verder kwam ik neer op de grond.

 

Ik probeerde zachtjes mijn ogen te openen, maar het licht was te sterk, en ik had zo’n vreselijke hoofdpijn. Na een tijd proberen lukte het toch, ik zag enkele verpleegsters voor mij, en mijn ouders. Het duurde eventjes voor ik het door had, maar toen herinnerde ik mij weer het ongeval, de vrachtwagen. Ik hoorde de verpleegster vanalles mompelen, maar ik verstond er niet veel van. Ik kon enkele enkele woorden verstaan zoals “blij dat je nog leeft”, “bijna dood”, “nog maar eventjes slapen”. Ik gehoorzaamde de verpleegster en sloot mijn ogen weer, want ik was zo vreselijk moe. Toen ik bijna in slaap viel, hoorde ik een stem. Ik deed mijn ogen terug open, maar er stond niemand in de kamer. De stem praatte heel zachtjes, fluisterde zelfs bijna, maar ik kon duidelijk horen wat hij te zeggen had.

 

 

Hé, Vincent.

Ben je bang van de dood?

Nee, eerst leef je, en dan is er niets meer. Waarom zou ik bang zijn?

Ben je dan niet bang van het niets?

Ik weet het niet, misschien zou ik er beter niet over nadenken.

 

Toen ik enkele uren later wakker werd, herinnerde ik me nog alles van de Stem.

Ik vond het raar, maar ik was niet bang. Ik kende de stem niet, maar hij klonk toch bekend. Het voelde rustig aan, het voelde veilig.

Weken gingen voorbij in het ziekenhuis. Toen de dokter me was komen vertellen dat ik verlamd was en dat ik voor de rest van mijn leven in een rolstoel zou zitten, was ik niet beginnen huilen, integendeel zelfs, ik bleef maar naar de muur staren, er kwam zelfs een grijns op mijn gezicht. Ik denk dat ik gek aan het worden ben.

Vandaag mag ik het ziekenhuis verlaten. Ik vond het niet erg om in de rolstoel te zitten, het enige dat ik erg vond was dat ik geen filmster meer kan worden. Het knaagde aan me. Sindsdien heb ik die droom nooit meer gehad.

Het was al laat als ik terug thuis kwam, dus ik ging maar direct slapen.

Vlak voordat ik in slaap viel hoorde ik de Stem weer. Ik heb hem de voorbije weken nog enkele keren gehoord, ik vond het niet erg.

 

Hé Vincent. Wie ben jij eigenlijk?

Ik weet het niet meer, vroeger was ik Vincent, die vast en zeker een filmster ging worden. Nu weet ik het niet meer. Ik ben niemand denk ik. Nee, ik ben er zeker van, ik ben niemand.

 

Soms droomde ik dat ik terug kon lopen, dan wandelde ik over het strand, kijkend naar de zonsondergang. Ik woon vlakbij de zee, soms ga ik er eens naartoe, het is maar enkele honderden meters wandelen. Rijden in mijn geval.

Ik werd er ziek van, de gedachte dat ik filmster had willen worden, de herinnering aan de droom. Nu ontbreekt er iets in mijn leven. Telkens als ik opsta, en ik kijk in de spiegel,  dan zie ik geen bloedmooie jongen meer. Zijn plaats is ingenomen door een monster vol littekens. Soms wou ik dat ik er niet meer was.

 

Ik begin de Stem steeds meer en meer te horen, maar erg vond ik het niet. Het was een soort vriend van me geworden. Toen ik wakker werd was hij er weer.

 

 

Hé Vincent.

Ja?

Het zal niet lang meer duren.

Wat?

Het is bijna voorbij.

 

Dit was de eerste keer dat ik niet begreep wat de Stem wou zeggen. Ik zal er maar niet teveel over nadenken. De rest van de dag verliep rustig, zoals gewoonlijk, maar het verdriet werd erger, de droom is weg nu, ik kan het me al bijna niet meer herinneren, het lijkt al zo lang geleden. Het is ondertussen al avond geworden, ik lig in bed, maar kan niet slapen.Het is al laat nu, kwart na 12. Ik ga eventjes naar het strand, ik kan toch niet slapen.

 

Het is stil aan het strand, maar niet helemaal stil, want ik hoor hem weer, de Stem.

 

Hé, Vincent.

Ja?

Heb jij soms niet het gevoel dat je er niet meer wilt zijn?

Soms wel ja, dan droom ik over het niets, als er niets is kan je ook niet ongelukkig zijn. Soms denk ik ook dat ik gek aan het worden ben. Misschien is dat wel zo.

 

Een traan rolde over mijn wang. Ik weet echt niet hoe het verder moet nu. Wat moet ik doen met mijn toekomst? Ik zag de zee, de eindeloze zee. Ik wist niet meer wat ik deed, verdriet nam de controle van mijn lichaam over. Ik kon het niet meer tegenhouden, ik moest in het water. Zachtjes reed ik vooruit. Het water voelde koud aan. Ik reed zo ver als ik kon in het water, het is niet gemakkelijk met zo’n rolstoel. Het water kwam tot aan mijn dijen. Zachtjes voelde ik dat ik begon te drijven, dat mijn rolstoel kantelde. Eerst mijn buik, mijn borst, en dan mijn gezicht. Nu zat ik helemaal onder water, het voelde goed. Het was net alsof het water mijn verdriet wegspoelde, maar na een tijd werd ik zwakker.

Er verscheen een grijns op mijn gezicht, net zoals in het ziekenhuis. Ik voelde dat er geen weg meer terug was, het was gedaan. Het laatste wat ik hoorde was de Stem.

 

 

Hé, Vincent. Ja jij, Vincent.
Alles is voorbij nu


Jens GOETSCHALCKX, laureaat 2008, reeks 3

De filmmaker als vertaler van woord naar beeld

 

Al wie zich al voor de taak gesteld zag, weet dat vertalen een vermoeiend karwei is, een arbeid die niet eens zoveel verschilt van Sisyphus' vergeefse voortslepen van zijn eeuwig naar beneden rollend rotsblok.

Eerst probeert de vertaler zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven, wat bij nader inzien volstrekt onmogelijk blijkt te zijn. Dan probeert hij door wat aan de tekst te morrelen deze aan te passen aan de grenzen van onze eigen taal, aan de rijkdommen maar ook aan de beperkingen, zodat we de oorspronkelijke auteur vaak moeten teleurstellen.

Van het episch gedicht Aeneis, opgesteld door de antieke Mantuaanse poëet Vergilius, werden al vele vertalingen gemaakt die als verdienstelijk kunnen gelden, maar desondanks stel ik me voor dat bij welhaast elke poging tot vertaling van vrijwel elk vers de grote man zich omdraait in zijn graf.

 

Hetzelfde geldt wanneer regisseur en scriptschrijver zich erop toeleggen een boek te ver-filmen. Het ligt weliswaar in hun bedoeling het originele verhaal nauwkeurig weer te geven, maar dat blijkt vaker niet dan wel mogelijk; het verschil tussen de twee methoden, boek en film, is groot en blijkt maar al te vaak onoverbrugbaar. Veel ideeën die werkten zolang ze op de pagina's rustten verliezen hun effect wanneer ze in beeld gebracht worden.

            Het is dus duidelijk dat de verfilming in meer dan een opzicht zal moeten afwijken van het boek, wil hij slagen. En hier schuilt het grote verschil tussen de goede en slechte bewerking: slaagt de filmmaker erin de boodschap in het juiste licht te tonen en om te zetten in aantrekkelijke beeldtaal – of kortweg: doet de film het boek en zijn boodschap recht aan?

 

Een bewijs dat verfilmingen vaak niet zo geslaagd blijken, is wat met George Orwell's Nineteen Eighty-Four gebeurde.

            Niet iedereen kent dit boek, maar velen kennen wel zijn voorganger Animal Farm, de beroemde satire op de geschiedenis van het Russische communisme, waarin Orwell weergeeft hoe de machtsverhoudingen veranderen op de Herenhoeve, een miniatuurmodel waarmee hij de buitengewone gebeurtenissen in de onmetelijk grote Sovjetunie aanschouwelijk kan maken. De dieren – het proletariaat – verjagen boer Jones van zijn erf en besturen op eigen wijze de boerderij. Dan grijpt echter het varken Napoleon, tegenhanger van Jozef Stalin, met geweld de macht en komen er veranderingen in het prachtige systeem, totdat er geen verschillen meer resten tussen het vroeger bestuur van Jones en Napoleons nieuwe regime.

            In Nineteen Eighty-Four, overigens zijn laatste boek, gaat Orwell nog een stapje verder en schetst hij een nachtmerrieachtig toekomstbeeld, waarin de Socialistische Partij het leven en denken van allen in de totalitaire superstaat Oceanië tot in de kleinste details stuurt.

 

Het overgrote deel van het volk woont in armoede verspreid over het land. Deze groep, genaamd de proles, wordt door de regering onwetend en machteloos gehouden met door machines gecomponeerde deuntjes, mechanisch samengestelde romannetjes en ook porno-grafie. Een van de leuzen van de partij is inderdaad: onwetendheid is macht.

Een kleiner deel van de bevolking, de Buitenpartij, woont geconcentreerd in het centrum van Londen, en mogelijk ook in andere steden. Zij zijn waarschijnlijk het meest beklagenswaardige deel van de bevolking: hun denken en gedrag worden immers minutieus gecontroleerd door de Binnenpartij, de eigenlijke heersers van supernatie Oceanië. Door middel van teleschermen wordt de Buitenpartij constant in de gaten gehouden. Op alle strategische plekken hangen posters met een portret van de grote ideologische Leider van de Partij, Big Brother. Onder de beeltenis van de man met de priemende blik staat de weinig aan de verbeelding overlatende tekst Big Brother is watching you. Toen men in de laatste jaren van de vorige eeuw een passende titel zocht voor een televisieprogramma dat stoelde op het gebruik van constante controle, lag de naam van de Grote Leider van Oceanië voor de hand.

            De hoofdpersoon van het boek, Winston Smith, maakt deel uit van deze Buitenpartij. Hij werkt op het Ministerie van Waarheid, waar hij zich bezighoudt met wat in politiek correcte termen geschiedschrijving genoemd wordt. In werkelijkheid echter wordt in deze gebouwen dagelijks de geschiedenis gewijzigd, aangepast aan de ideologie van de Partij. Het meest eenvoudige voorbeeld dat ik geven kan is het subtiele spel dat gespeeld wordt met de voedselrantsoenen. In het ochtendnieuws horen de leden van de Buitenpartij bijvoorbeeld dat het chocoladerantsoen gedaald is van 17 naar 15 gram per week, en later die dag krijgen ze te horen dat datzelfde rantsoen gestegen is van 13 naar 15 gram per week. De partijleden geloven dit omdat ze erop geoefend zijn alle informatie te geloven die ze krijgen van de Binnenpartij. Iedereen spreekt openlijk over dit proces, dubbeldenk genaamd, maar niemand kan zich er iets concreets bij voorstellen; het proces van het dubbeldenk zorgt ervoor dat men aan het woord dubbeldenk geen reële betekenis verbindt. Dubbeldenk zorgt ervoor dat alle partijleden geloven dat het leven steeds beter wordt, dat de economie met sprongen vooruitgaat en dat het politieke systeem waarin ze leven altijd al bestaan heeft, hoewel het in werkelijkheid niet meer dan 20 jaar oud kan zijn.

            Een van de personages stelt het als volgt: hij die het verleden beheerst, beheerst de toekomst. Hij die het heden beheerst, beheerst het verleden.

            Bij de hoofdpersoon is het vermogen tot dubbeldenk echter defect geraakt, met als gevolg dat hij zich dingen herinneren kan die hij niet hoort te weten en zo de leugens van de Partij doorziet. Hij moet echter proberen dat geestesgebrek verborgen te houden, omdat het hem zijn leven zal kosten als het ontdekt wordt: het is immers ten strengste verboden zaken te denken of te doen die niet stroken met de Partij-ideologie. Tegelijkertijd probeert Smith het systeem dat hij haat ten val te brengen.

 

 

Uiteindelijk wordt hij gearresteerd wegens het plegen van de enige misdaad die in Oceanië erkend wordt: misdenk (in het Engels: crimethink of thoughtcrime) en hij ontdekt wat gebeurt met mensen die deze denkmisdaden plegen. Hij ondergaat maandenlang de vreselijkste lichamelijke martelingen en geestelijke kwellingen totdat zijn denken na een bezoek aan Kamer 101, waar hij zijn ergste angst ontmoet, volledig gecorrigeerd wordt.

Later zal hij geliquideerd worden, waarna men de volgende dag op het Ministerie van Waarheid de archieven zal corrigeren: Winston Smith heeft immers nooit bestaan. Elk document dat naar hem verwijst zal verbrand worden, en dubbeldenk zal ervoor zeggen dat niemand ooit nog aan hem zal denken. Winston Smith bestaat niet – meer zelfs: hij heeft nooit gedurende zelfs maar één vluchtig ogenblik bestaan.

 

Orwell schetst de verschrikkingen van deze wereld zoals alleen een geniale geest dat kan, maar niets daarvan blijft bewaard in de filmbewerking door Michael Radford uit 1984. Voor hen die het boek niet gelezen hebben, is de inhoud van de film vrijwel niet te vatten – de boodschap, zo belangrijk bij een boekverfilming, gaat verloren. De kijker ziet hoe Winston Smith allerlei daden stelt in een merkwaardige wereld, hoe hij een romance begint die om de een of andere duistere reden niet ontdekt mag worden. Dan wordt hij plotseling opgepakt en gemarteld, en daarna volgt nog een vreemde scène tussen Smith en zijn vroegere geliefde.

 

Een nachtmerrie om te bekijken, inderdaad, maar niet zoals Orwell het bedoeld had.

 

Maar van tijd tot tijd ontstaan ook ware cinematografische parels: het eerste voorbeeld dat me hier voor de geest komt is de redelijk recente verfilming van Tolkien's machtig epos Lord of the Rings.

Regisseur Peter Jackson wist Tolkien's werk op waarde te schatten. Hij wist dat achter de tekst van het boek een volledige wereld verborgen lag, met zijn eigen kunst, taal en geschiedenis. Het werk is het gevolg van een scheppingsproces dat al in Tolkien's jeugdjaren aan de gang was – eerst kwamen de talen, toen kwamen de elfen als antwoord op de vraag wie die talen spreken zou – zo werd Tolkien's wereld stap na stap groter en complexer.

Jackson heeft zijn uiterste best gedaan om dit scheppingsproces na te bootsen: er werd nagedacht over de verschillen tussen elfen- en dwergencultuur, over verschillende kunst-vormen, over oorlogsvoering en wapenrusting. Het Keltisch geïnspireerde Sindarijns, het Quenya met zijn klassieklatijnse spelling en Finse tongval en de afzichtelijke Zwarte Taal van Mordor vonden hun weg tot in de bioscoopzalen. Op die wijze slaagde hij er op zijn minst in de grootsheid van Tolkien's gedachtewereld en van zijn schitterende trilogie te suggereren, te laten schemeren doorheen de fraai gedetailleerde scènes.

 

Een lichtend voorbeeld voor latere boekbewerkers – moge het navolging vinden.


Andy PEETERMANS, laureaat 2008, reeks 4

©  Davidsfonds Heist-op-den-Berg, Oude Liersebaan 75, 2220 Heist-op-den-Berg, BELGIUM