Laureaten opstelwedstrijd 2008-2009

De winnaars van onze opstelwedstrijd


FLEUR, DE DIERENFLUISTERAAR

Er was eens een meisje, die op bezoek ging bij haar opa, de uitvinder. Ze wou juist kloppen toen de deur al open ging. Haar opa zei:'Ik heb weer iets gewéldigs uitgevonden!' 'Wat dan?' vroeg Fleur. 'Een tijpmachine!' riep hij. 'Maar dat bestaat toch al?' vroeg Fleur. 'Ja, maar geen gewone tijpmachine hoor. Als je een plaats intikt op de toetsen van de tijpmachine, dan word je er direct naartoe gebracht'. ‘Whaw!' riep het meisje dan, 'mag ik hem eens proberen?' 'Maar waar wil je dan naartoe? Je bent hier toch gelukkig?'zei haar opa. 'Eh... ik weet niet' zei ze droevig. 'Dat laten we maar voor een andere keer' zei hij. Na een kopje thee en een gezelschapsspelletje hoorden ze hard gekletter op het dak: de regen. 'Oh opa, mag ik blijven slapen? Het is al zooo laat' riep ze uit. 'En het regent pijpenstelen: 'Oké, van mij mag het, maar van je mama?' 'Euhh... dat zal wel zeker want ze moet toch naar de trouwpartîj van nonkel meloen', zei ze zelfverzekerd. 'Ok dan,' zei haar opa op een vriendelijke toon. 'Maar dan niet de hele dag zeuren over pannenkoeken’, zei hij op een strenge toon. 'Joepie, de poepie' riep ze uit, met de gedachte in haar hoofd om stiekem naar de tijpmachine te sluipen ‘s nachts. Ze dronken nog een kop thee en opa las een verhaaltje voor uit het sprookjesboek. Daarna deed hij het lichtje uit. Het duurde even voordat ze opa in zijn bed hoorde kruipen. Toen sloop Fleur naar zijn uitvinding-kamer. Ze kwam de visbokaal van Fluo tegen en het leek alsof hij iets zei als: 'dag Fleurtje, 'k zal je missen.' Misschien slaap ik nog half. dacht Fleur. Ze ging gewoon door met haar plan. Zou ik het wel doen, dacht ze bij zichzelf. 'Voor een keer zal het wel geen kwaad kunnen.' zei ze hardop. Als ik nu maar niks verkeerd begrijp aan die tijpmachine, hoopte ze. Ze ging zitten op opa's lekkere stoel en zette haar vingers op de toetsen. Ze tijpte: "de tijd van vroeger". En ze duwde op de enter-toets. Met gesloten ogen wachtte ze af. Ze voelde een felle wind door haar haar en op haar gezicht. Voorzichtig opende ze haar ogen. Maar het enige dat ze zag was een zandoppervlakte met stenen. 'Oh nee, waar ben ik nu beland?' vroeg ze zich af. 'Had ik die tijpmachine maar nooit gebruikt', zuchtte Fleur. Opeens voelde ze een hand op haar schouder. Ze draaide zich om, en zag een gebruinde man met rare kleren aan. 'Jij Fleur?’ vroeg hij in een bijna onverstaanbaar taaltje. Het is vast een moordenaar, een ontvoerder! ‘Eu ja... ik ben Fleur... ' stamelde ze. De man greep haar arm stevig vast. 'NEE, LAAT ME LOS!!!' schreeuwde ze. Waardoor de man haar arm nog steviger vast nam. Na een paar minuten stappen, kwamen ze aan bij een paleis. Whaaw! dacht Fleur bij zichzelf. Toen kwam er cen koningin naar buiten. ‘En Andrejoes, heb je haar?' vroeg ze met een zachte stem. Maar Fleur dacht dat het een val was om haar erin te luizen. 'Ja, majesteit' antwoordde hij.

'Fleur, de dierenfluisteraar, eindelijk ben je gekomen,' sprak ze. 'Dierenfluisteraar???' herhaalde Fleur. ‘Andrejoes, je zou het haar toch uitleggen,' sprak ze op een strengere toon. ‘Luister, jij bent de dierenfluisteraar uit al onze boeken, een kind uit de toekomst. Een fee heeft een spreuk over jou uitgesproken: Jij kan met dieren praten’. ·’Maar, waarom ben ik hier en waannee kan ik dan helpen?' vroeg Fleur snel. Een slechte heks heeft het gemunt op mijn koninkrijk en stuurt nu krekels naar hier om al onze graanvelden op te eten' sprak ze angstig. 'Nu snap ik nog altijd niet wat ik kan doen' zei Fleur wanhopig. 'Jij kan met de sprinkhanen gaan praten' zei de koningin van Egypte. 'Dat snap ik wel, maar waar moet ik die sprinkhanen dan naartoe sturen'!' vroeg Fleur. 'Stuur ze terug naar de burcht van de heks', zei de koningin. Elke week stuurt de heks haar slangen om er stiekem vandoor te sluipen met onze voorraad graan ' riep ze nog veel harder dan daarvoor. 'Dan zal ik er wel voor zorgen dat die sprinkhanen hun buikje rond kunnen eten' zei Fleur trots. 'Weet u dan wanneer die sprinkhanen gaan komen?' vroeg ze. ’Morgen is de grote dag en zullen de sprinkhanen toeslaan: 'Zal ik me dan euh.. in de stallen te slapen leggen' stelde Fleur voor. ‘Nee joh, gekkie! Ik sta erop dat je in een fatsoenlijk bed slaapt vannacht' zei ze. 'Ik zal de dienstmeisjes zeggen dat ze een bed opmaken in de logeerkamer'.

De avond ging snel voorbij, ze aten wat en wasten zich en gingen naar de logeerkamer. Daar vertelde de koniging nog een oud mooi Egyptisch verhaal. Toen de koningin uit de kamer verdwenen was, huilde Fleur en dacht aan thuis. Aan opa die leuke spelletjes met haar deed, aan die lieve mama en aan papa, maar ook aan haar katje Figaro die zo schattig aan haar benen kwam liggen. Na al dat huilen viel ze uitgeput in slaap. 'Wakker worden prinsesje’ hoorde ze een lieve stem zeggen. 'Ze opende haar ogen en wist niet meteen waar ze was. Oh ja, ze was in Egypte! ‘Kom je mee naar de ontbijttafel?' vroeg de koningin. 'Er staan warme graanbroodjes - van het graan dat we nog hadden - op het menu samen met vers fruitsap' zei ze. 'Mmm, lekker' zei Fleur watertandend. Toen ze de eetkamer binnen kwam, rook het er superlekker. Terwijl ze aten, bespraken ze hoc ze de sprinkhanen terug zoudcn sturen. Toen ze hun plan hadden beraamd, ging Fleur naar de tuin,,wachtend op de sprinkhanen. Na een paar uurtjes hoorde ze iets. Het kwam van boven uit de lucht. Jawel, het waren de sprinkhanen. Met duizenden kwamen ze uit de lucht. Ze landden, en voor Fleur nog iets kon zeggen, begonnen ze aan het feestmaal. Fleur probeerde vele keren iets te roepen totdat ze heel kwaad werd en krijste.

Opeens was het muisstil. Fleur werd weer rustig en begon haar verhaal. Toen ze was uitgesproken en had verteld wie ze was zei een sprinkhaan: 'Maar nu hebben wij nog wel honger, hoor. Wij willen eten!' 'Oh ja, dat was ik vergeten te vertellen'; voegde Fleur er nog snel aan toe voordat at de sprinkhanen begonnen te klagen. 'In de burcht van de heks, die jullie naar hier heeft gestuurd, ligt een heleboel graan, zelfs meer dan wat hier staat’ riep Fleur opgewonden. 'Vlieg terug langs dezelfde weg dan je gekomen bent. 'Oké, dan vertrekken we meteen' zei een ongeduldige sprinkhaan ‘Daaaaag, en bedankt voor de tip' zei dan een weer zeer vriendelijke sprinkhaan. Fleur ging tevreden terug naar binnen. Daar kwam de koningin al aan. Fleur wou net beginnen met haar verhaal toen de koningin zei dat ze alles gevolgd had vanop het balkon. 'Heel erg' bedankt, je hebt ons koninkrijk gered' zei ze. 'Hoe.. .' begon Fleur ernstig 'hoe geraak ik dan terug?" ‘Wel, misschien kan ik de slimste mensen van Egypte vragen of ze ook zo'n uitvinding kunnen maken’. 'Ja, dat is pas een idee’, riep Fleur!·'Maar dan zitten we nog met een probleem'. ‘We1k probleem dan?' 'vroeg de koningin. 'Wel we hebben die sprinkhanen nu naar daar gestuurd maar wie weet wat de heks dan gaat uithalen' zei Fleur een klein beetje bang.

Op dat moment kwam de postraaf naar binnen gevlogen. 'Een brief van de heks' zei de koningin. 'Ze schrijft dat ze vertrekt en we haar nooit meer zullen terug zien'. ‘Dat is een wonder' riep de koningin opgewonden! Ze stond recht en maakte een vreugdedansje. Later in de namiddag hield de koningin een toesprnak over; het·feit dat Fleur graag terug naar huis zou willen. Alle geleerden. gingen aan, de slag. 'Een wonder', zelfs na een paar uur was de tijpmachine al af! Fleur bedankte de koningin en met tranen in de ogen namen ze afscheid. Na een afscheidsknuffel tijpte ze 'de toekomst' in. Ze sloot haar ogen en daar ging ze weer. Ze voelde een felle wind in haar gezicht en door haar haren gaan. Ze was terug bij opa en liep naar de woonkamer, waar allen bedroefd in de zetel zaten. 'Mama, papa,· opa!' 'M'n kindje! Oh, we waren zo ongerust! Waar was je?' vroeg haar moeder. 'Ik was in Egypte' gaf Fleur beschaamd toe. '·Dat geloof je: nu toch zelf niet. 'ln Egypte' riep haar vader! 'Dat is zo.. .' 'Dat kan’, zei opa. 'Ik· heb een tijpmachine uitgevonden’.'Allez dat.' Opa onderbrak papa met een strenge blik. 'Dat is geen gewone tijpmachine, dat is een tijpmachine, waarop je een plaats intijpt en dan word je er direkt naartoe gebracht' zei opa. Papa wou weer beginnen maar bedacht zich. 'Fleur, waarom deed je dat?' vroeg opa toen. 'Ik wou eens zien hoe het daar vroeger was' zei Fleur. 'Maar ik heb daar wel een probleem opgelost' zei Fleur trots. Ze vertelde haar verhaal en liet de spullen uit. Egypte, die ze had gekregen, zien. Na een lekkere kop warme chocomelk en een koekje gingen ze naar huis.

Af en toe ging ze nog eens op vakantie bij de koningin in Egypte. En de heks? Die heeft niemand nog ooit terug gezien!

EINDE

Zoë HERMANS, laureaat 2009, reeks 1




Dominique Van den Bruel leest het opstel van Michiel Van Hove voor

Alexander de Grote

Daar stond ik dan, in het midden van het slagveld, met zo'n tweehonderd ridders om me heen. Al kon door de kopstukken van hun harnassen hun gezichten niet zien, ik had een kwalijk vermoeden dat ze me niet al te poeslief aanstaarden.

Het enige dat ik nu nog kon doen was gillen en hopen dat hun harnassen plots begonnen te roesten.

Ik bad tot de goden, maar die hoorden me blijkbaar niet echt goed  want plots schoten mijn vijanden in actie.

Ze hakten mijn neus eraf, ze staken met hun speren in mijn maag, ze trokken aan mijn haren en hun paarden bewerkten mij al even enthousiast. Dit voelde niet goed!

 

Toen ik wakker werd, was dat in de hemel. Overal in het rond stonden potten met bloemen uitgestald.

Ik lag in een lekker knus hemelbed en een prachtig wit licht scheen de kamer binnen door een raam.

Door een houten deur kwam een man binnen. Hij was oud, gespierd en had veel sneeën in zijn gezicht. Zijn baard bewoog wanneer hij sprak. Hij zei:"Hoi!" 

"Wie ben ik??"Vroeg ik. "Jij, jij bent Alexander de Grote", klonk zijn antwoord, "al blijft er niet veel meer van je over!"

Daarna begon de man te schaterlachen en ging weer weg.

 

   MEER DAN DUIZEND JAAR LATER 

 

Alexander de Grote opende zijn ogen en zag voor de miljoenste keer het plafond bedekt met lichtgevende sterretjes.

Hij zuchtte en stond op. Daarna zuchtte hij weer en ging ontbijten aan 'de ronde tafel’!

Deze tafel voor overleden krijgers had een stomme naam aangezien hij rechthoekig was . Daarbij was hij ook kilometers lang. Alexander nam plaats aan de tafel.

Hij zag voor de zoveelste keer hoe het overleden Spartanenleger rijstpap at en daarna de gouden lepels stal. Hij was het al beu gekeken. Vandaag wist onze ex-ridder het zeker: hij moest en zou ontsnappen, vannacht nog!

 

Enkele uren later was het helemaal donker in het paradijs. Het enige licht kwam van de brandende haren van Jeanne d'Arc. Alexander sloop op de punten van de punten van zijn tenen z'n hemelkamer uit. Voor de laatste keer keek hij nog eens achterom, naar het hemelbed waarin hij zovele jaren had gedroomd van veldslagen en van kruisigingen.

Toen ging hij weer verder.

Door zijn donkere haren viel hij niet al te hard op.

De buitenlucht voelde koud aan en Alexander rilde. Het was net een achtervolgingsscène uit een James Bondfilm, maar dan zonder James Bond en zonder achtervolgers. Hij was bijna aan het gat in de ozonlaag waardoor hij zou ontsnappen. Dit was zo makkelijk! Had hij hierop nu al die eeuwen gewacht?? Alexander sprong, en hij was weg!

 

Als het geen nacht was geweest hadden honderdtallen Amerikanen ( inclusief toeristen) een man naar beneden zien donderen. Nu hoorden slechts enkele nachtgangers een gigantische plons.

Doornat klom Alexander de dijken van New York op. Van wat hij daar zag verbreedden zijn pupillen en zijn hart begon perplex sneller te slaan.

Hij zag metalen bakken die werden voortgetrokken door onzichtbare paarden. Dit had hij nog nooit gezien. Verbaasd keek hij ernaar tot een toerist in bloemetjeshemd vroeg: " Hé, wat zit je zo raar naar die auto te kijken, engerd???

Alexander fronste zijn wenkbrauwen en liep verder over de dijk.

Hij keek naar links en naar rechts. Hij liet zijn blik rusten op stomme dingen zoals lantaarnpalen, wolkenkrabbers en rioolputjes. In zijn ogen waren lantaarnpalen vreemde staven met het hellevuur, wolkenkrabbers waren mislukte burchten zonder kantelen en rioolputjes waren de tralies tussen de Aarde en de onderwereld.

Maar toen zag Alexander de Grote iets en spontaan begon een adertje te kloppen in zijn hals. Hij keek naar eethuis ' EXCALIBUR' en hij begon te schuimbekken van een schilderij dat daarbinnen hing: een portret van koning Arthur!

Dankzij het leger van koning Arthur moest Alexander walgen als hij nog maar het woord rijstpap hoorde, of het woord hemelbed.

Hij stormde het eethuis binnen, vatte de uitbater bij de kraag en duwde deze tegen de muur. Het schilderij snokte Alexander van de muur en hij schraapte de verf eraf met een goeden lepel.

De klanten jaagde hij buiten met een Visa-apparaat en een bus peper.

Plots hoorde hij geloei van sirenes en in no-time was de keten omsingeld door politiemannen. De agenten wilden net binnendringen tot ze enorme plonsen hoorden. Duizenden plonsen. Allemaal klommen de gedaantes het water uit en ze stormden op de agenten af. Deze begonnen te gillen en liepen weg.

Het was het aloude leger van Alexander de Grote. Ze waren terug, sterker dan ooit.

Allemaal mooi ontsnapt uit het 'paradijs’.

Alexander sloot zich bij hen aan en met z'n drieduizend patrouilleerden ze door de straten van New York .

Ze bouwden burchten, paleizen, reuzenkatapulten, tientonnermunitie,...!

Hun voedsel stalen ze en ze wonnen steeds meer en meer aan macht

Tot de Amerikanen er genoeg van hadden en de SAS en de FBI erbij haalden.

Maar zelfs deze reuzeorganisaties waren niet opgewassen tegen het stel ridders en verloren in de strijd.

Amerika kwam er belabberd bij te liggen.

Door al de macht kwam de bluffer in Alexander naar boven en zong hij triomfliedjes:

 

COLUMBUS VOND DIT STOMME LAND

EN IK MAAKTE HET VAN KANT

 

Het leger werd zijn egocentrische triomfrijmpjes zó beu dat de soldaten Alexander omsingelden. Die begon zenuwachtig te slikken.

Ze hakten zijn neus eraf, staken hun speren in zijn maag, trokken aan zijn haren en hun paarden bewerkten hem al even enthousiast. Dit deed hun zooo goed!!

De volgende keer dat Alexander de Grote zijn ogen opende was dat alwéér in de hemel!

En de rest van zijn leger? Die zijn ondertussen profvoetballer bij Manchester United of politicus. Die laatsten doen hun best voor een beter milieu, zodat het gat in de ozonlaag vanzelf weer dichtgaat en Alexander de Grote vergeten wordt door iedereen op Aarde!

Michiel VAN HOVE, laureaat 2009, reeks 2




Carolien Van den Heuvel leest het opstel van Jolien Van de Sande (r)


Bloemen én kusjes horen erbij

Sprookjes



Jolien

Sprookjes, ze beginnen allemaal met " er was eens dit of er was eens dat" en eindigen steevast met een happy end. Maar... leefden ze nog lang en gelukkig? Had Assepoester geen complexen over haar (te grote) neus en heeft Sneeuwwitje zich nooit afgevraagd of er niet teveel calorieën in haar vergiftigde appel zaten? We zullen het wel nooit te weten komen. Maar één ding staat vast: wat ik jullie wil vertellen is echt. Ik beloof plechtig bij deze dat er geen prins op het witte paard zal komen aangalopperen die met een of andere belachelijke openingszin de harten van alle vrouwen (inclusief mij) komt veroveren. Ik beloof dat ik mezelf niet ga beschrijven als een Miss World, met haren zo zwart als ebbenhout, een maatje 34 en een hele fanclub vol met kwijlende aanbidders. En tenslotte beloof ik, dat als ik het ooit in m’n hoofd zou halen m’n voet in een glazen muiltje te wringen, ik er uitgebreid verslag van m’n blaren bij zal doen. Zoals je al wel gemerkt hebt ben ik niet echt het romantische type. Bruiloften, liefde op het eerste gezicht, de ware. Het zegt me allemaal niet zoveel. Toch ben ik hem tegengekomen, de ware. Tenminste dat denk ik toch, nu ja ik weet het niet zeker hoor, misschien... Misschien was het wel een vergissing. Niet dat het veel uitmaakt. Ik zal het wel nooit te weten komen, aangezien hij in het jaar 1430 rondhuppelt. Maar laat ik bij het begin beginnen... Mijn naam is Nena, Nena Limmers. Ik heb die naam van m’n vader, Erik Limmers, hij is net zoals m’n moeder Ellen een fervent wetenschapper. Ikzelf heb het niet zo op formules en cijfertjes, proefbuisjes en labs, maar als je die twee bezig ziet, hun gezichten glimmend van vreugde als ze ’s avonds bij het avondeten vertellen over hun nieuwste doorbraak bij een of ander verschrikkelijk saai onderzoek. Dan kan ik het toch niet nalaten enige sympathie te koesteren voor hun werk. Dankzij hen heb ik me dit alles trouwens op de hals gehaald. Het begon allemaal een paar jaren geleden. Ik kwam thuis van school en wilde even gedag in het lab gaan zeggen. Daar aangekomen hoorde ik ze uiterst geheimzinnig fluisteren terwijl ze gebogen stonden over een grote tafel helemaal bedekt met volgeschreven papieren, balpennen, en andere vreemde objecten waarvan ik geen idee had wat voor nut ze zouden kunnen hebben. Toen ze me opmerkten, gooide ma vliegensvlug een deken over dit alles en stond m’n vader me schaapachtig aan te kijken. Bij de vraag wat dit alles betekende wimpelden ze me vlug af met de vraag of ik niets beters te doen had dan hen te storen en dat ik m’n huiswerk maar eens moest gaan maken. Nu moet je weten, ik heb een nogal koppig karakter en laat me niet zomaar afschepen, dus ik was vastbesloten om dit tot op de bodem uit te zoeken. Die nacht toen ik zeker wist dat ze allebei hoogstwaarschijnlijk lagen te dromen over een of andere nobelprijs die ze ooit zouden winnen, sloop ik op kousenvoeten de trap af naar het lab. Mijn hand bleef hangen voor de nummertoetsen waar je de toegangscode moest intikken. Ik overwoog even om dit alles toch maar te vergeten en terug in m’n bed te kruipen voor het te laat zou zijn, ma en pa dit te weten kwamen en me dan nooit meer zouden kunnen vertrouwen. Toch won m’n nieuwsgierigheid het op het laatste moment. Met bevende handen tikte ik de code in: "9678352". Het was de eerste keer dat ik het lab niet in het daglicht zag. De vreemde machines zagen er maar onheilspellend uit zo in het duister. Gelukkig had ik een zaklamp bij, ik grinnikte, een inbrekerscarrière zou wel passen bij mij. Vlug schuifelde ik op de tast en met behulp van het kleine straaltje licht dat mijn lamp produceerde naar hun werktafel. In eerste instantie zag ik alleen maar dingen die chinees leken voor mij, en ik bedacht hoe dom m’n plan eigenlijk was. Hoe zou ik nu ook maar iets kunnen opmaken uit de notities van m’n ouders die vol met wiskundige tekens stonden.

Net op dat moment viel m’n blik op een soort van handleiding." TeleFlashFlitser" stond er in grote drukletters bovenaan. Ik keek het vertrek rond en zag in de hoek van de kamer een machine staan die verdacht veel leek op een schets die op het blad terug te vinden was. Ik waggelde tussen alle wetenschappelijke rommel door naar het ding. Het was een heel ingewikkelde constructie zo te zien. Het bevatte een heel paneel met hendeltjes, flikkerende lampjes en duizenden knopjes. Er was ook een soort van weegschaal op bevestigd. De nieuwsgierige Nena kwam weer in me boven en ik klom er meteen op. Ik verwachtte elk moment een of ander getal op de display af te lezen wat verband zou houden met mijn gewicht, maar in plaats daarvan verscheen er: de Bourgondische Nederlanden, 15de eeuw. Ik voelde de wereld draaien. Met een ruk werd ik naar boven, onder, opzij, rechts, links, gezwierd. Volledig in paniek begon ik te schreeuwen, harder en harder zonder dat ik besefte wat er met me aan het gebeuren was. Met een harde plons dook ik in ijskoud water, wat een reden was om nóg harder te schreeuwen. Ik voelde een steek in m’n hart en begon verwoed te trappelen, maar het hielp niets. M’n benen werden zwaarder met de minuut en ik voelde me naar de bodem zinken. Opeens hoorde ik in de verte een plons, en werd bij m’n schouders gegrepen. Een gedaante sleurde me uit het water, ik hoorde hem hijgen van inspanning en tegelijkertijd in een of andere vreemde taal brabbelen. Met een doffe bonk werd ik op het droge gegooid. Ik begon al het vieze water dat ik had binnengekregen op te hoesten. Achter mij hoorde ik hetzelfde gebeuren ( tenzij dat de vreemde jongen weer in z’n onbegrijpelijk taaltje een gesprek met me probeerde aan te knopen). Ik keek om me heen. Waar was ik in godsnaam? Waarom stond er op die vreemde weegschaal de Bourgondische Nederlanden? En waarom was ik zonet uit het water gered door een of andere weardo die niet eens Nederlands spreekt en zat ik niet gewoon in het droge lab? Als een slag in m’n gezicht drong de waarheid tot me door. Ik zou toch niet? ..Nee, zouden ma en pa zoiets kunnen, ik bedoel ze hebben wel wat meer IQ als de gemiddelde mens in hun wetenschapshoofden zitten, maar dit? De jongen porde in m’n zij en gebaarde dat ik moest meekomen naar een strooien hutje een paar meter verderop. Met tegenzin stond ik op. Wat moest ik nu doen? Besluiteloos bleef ik staan, oké Nena dacht ik bij mezelf. Ofwel blijf je hier als een achterlijke geit staan mokken en vries je dood, of je aanvaardt dat je een paar eeuwen verkeerd zit en je beter met die onverstaanbare gast meeloopt, die er eigenlijk nog niet zo slecht uitziet. Integendeel, met zijn natte bruine haar zo wapperend in de wind, een gespierd lichaam en niet eens een onknap gezicht zou de jongen het niet slecht gedaan hebben als fotomodel in de 21ste eeuw. Maar goed, ik zal me inhouden met over zijn looks uit te wijden, aangezien dat mijn belofte over de prins op het witte paard anders nogal nutteloos zou zijn. Met een krakend geluid zwaaide de deur van het hutje open. Het bestond uit een grote ruimte die geweldig hard stonk naar zweet, urine en andere walgelijke geuren die ik niet kon thuisbrengen. Er was ook nog een klein compartimentje aanwezig waar je moest geraken door middel van een zo te zien haastig ineen getimmerde trapladder en dat hoogstwaarschijnlijk als slaapplaats werd gebruikt. De jongen zag me rondkijken en wees op twee gammele stoeltjes, die net zoals de ladder zelf gemaakt leken en het enige meubilair in de kamer waren. Met een zucht plofte ik neer op het stro dat door m’n pyjamabroek in m’n vel prikte. De jongen kwam naast me zitten, wees op z’n borstkas en zei: "Cor". Ik keek hem niet-begrijpend aan en hij herhaalde dit woord nog een paar keer op dezelfde toon. "Probeer je me je naam te vertellen, heet je Cor?" Zei ik op m’n meest trage Nederlands dat ik in huis had. De jongen leek me te begrijpen en knikte. Vervolgens wees ik naar mezelf en zei: "Nena." De jongen lachte vrolijk en herhaalde m’n naam wel duizend keer. Zelfs ik in m’n benarde situatie kon het niet nalaten te lachen met zijn aanstekelijke vrolijkheid. Ik geeuwde, Cor zag dit en wees naar de gammele trapladder. Ik lachte dankbaar en kroop (ietwat angstig, want de ladder leek wel héel vluchtig ineengetimmerd te zijn) naar boven. Hij volgde me en kroop dicht tegen me aan. Heel even voelde ik de aandrang om hem weg te slaan en een eindje verderop te gaan liggen, maar bedacht me. Ik had trouwens niet erg veel keuze, het compartimentje was maar net groot genoeg voor ons en van ver uiteen liggen was dus geen sprake. Daarbij, als ik me de lessen geschiedenis goed herinner was het toch de gewoonte in die tijd dat de mensen bij gebrek aan centrale verwarming het met andermans lichaamswarmte ’s nachts moesten doen. En, als hij verkeerde bedoelingen had gehad, zou hij al ruim de kans gekregen hebben om die uit te voeren, dus was er geen enkele reden om me zorgen te maken. Buiten het feit dan dat ik duizenden kilometers en honderden jaren van m’n eigen bed verwijderd was, maar die zorgen zouden tot morgen moeten wachten. Met deze gedachte viel ik in een onrustige slaap. De volgende morgen werd ik gewekt door een harde bons op het gammele deurtje van de hut. Een man kwam binnen die sprekend op Cor leek. Dat moest z’n vader zijn. Ik zag hem een vreemde blik op mij werpen en hoorde ze discussiëren. Met veel inspanning kon ik opmaken waar ze ongeveer over bezig waar. Niet dat het nodig was in dit geval aangezien dat ze heel de tijd naar mij zaten te kijken en wijzen. Net op dat moment viel het gesprek stil, haalde pa Cor z’n schouders op en kwam naar me toe. Het was een zeer grote, breedgeschouderde vent die met z’n vriendelijke gezicht me meteen op m’n gemak stelde.

En zo verbleef ik bij Cor en zijn vader Peter. Ik leerde al vlug hun taaltje dat, als je wat moeite deed niet zo hard afweek van het huidige Nederlands. Maar hoe vriendelijk ze ook waren tegen mij toch bleef er iets knagen in me. Zouden m’n ouders me aan het zoeken zijn? Wisten ze eigenlijk wel dat ik in het lab was verdwenen en niet gewoon was weggelopen? En zelfs als ze het wisten konden ze me ooit nog wel terug krijgen? Ik wist het niet. Niet dat ik veel tijd had om na te denken over de mogelijke reddingspogingen die ze daar in de 21ste eeuw aan het ondernemen waren.

Cor en z’n vader waren pachters en moesten van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in de weer zijn. Ik wist hoe moeilijk ze het hadden nu ze opeens nóg een mond extra moesten voeden dus ik deed m’n uiterste best om voor hen te koken ( waarbij veel improvisatie aan te pas kwam) en m’n steentje bij te dragen waar ik maar kon. Ik hoorde hen ook zoveel mogelijk uit om te horen of ze niets vreemds hadden opgemerkt wat op een teken van m’n ouders kon wijzen. Dagen, weken en zelfs maanden verstreken zonder enig nieuws van thuis. Ik was intussen uitgegroeid tot een volbloed middeleeuwer, en, moest ik toegeven ik rook en zag er ook wel zo ongeveer uit. Tot mijn grote verbazing bleek ik ook steeds beter en beter met Cor op te schieten. Hoe slecht het weer ook was, hoe weinig er ook te eten viel, de jongen was altijd en overal aan het lachen en plezier maken. Ik betrapte me er de laatste tijd zelfs op dat ik vaker en vaker aan hem lag te denken en m’n voeten me steeds meer onbewust naar de plekken waar hij vaak kwam leidden. Toen er ongeveer 5 maanden verstreken waren (ik zeg ongeveer want ik was m’n gevoel van richting helemaal kwijt) zat ik op een avond helemaal alleen achter het hutje na te denken over thuis , m’n vrienden daar, zelfs school leek een aantrekkelijk iets op dat moment. Ik voelde een traan over m’n wang biggelen, ik probeerde ze nog weg te vegen en me te vermannen maar het baatte niet meer. Één voor één drupten ze op m’n handen, benen voeten, er leek geen eind aan te komen. Ik voelde een zachte hand op m’n schouder en draaide me om. Cor natuurlijk. De jongen kwam naast me zitten en keek me vragend aan. " Het is niets", zei ik door m’n tranen heen. Hij nam m’n hoofdje in z’n armen keek me met z’n liefste blik aan en droogde een voor een m’n tranen. Ik voelde de spanning stijgen, hij bracht z’n hoofd dichter en dichter naar dat van mij tot… Ik hem een kopstoot gaf! Oh nee, niet nu dacht ik! Ik voelde m’n hoofd na die slag op Cor z’n aangezicht naar voor, achter, boven, onder, links, rechts enz. zwaaien, en een bekende ruk aan m’n lichaam voerde me terug naar een nog bekender lab. Op dat moment voelde ik alleen nog maar knuffels, kussen, blij geroep en ga zo maar door. Het enige wat ik kon uitbrengen was: " waarom net nu mama?" Maar ik was intussen zo gewend geraakt aan het taaltje van Peter en Cor dat niemand me begreep en gewoon wat aan het bazelen was van de schok. De volgende uren waren een beetje wazig verlopen. Ik werd denk ik naar bed gestuurd tenminste nadat ik een heel kruisverhoor te verduren had gekregen met een paar huilbuien van moeder er tussendoor en een volledige bus deo die pa per se moest leegspuiten op m’n lichaam. Die nacht was het enige waar ik aan kon denken Cor, en dat bleef zo gedurende de volgende jaren. Iedereen zag het wel aan me, maar de meeste mensen wisten niet eens wat er met me gebeurd was met ,die 5 maanden van mijn grootse verdwijning en dachten dat ik aan een zeer besmettelijke ziekte had geleden. Dat gerucht hadden ma en pa zeer zorgvuldig verspreid, bang voor een enorme media- aandacht. Op een dag, het moet zo’n jaar na mijn terugflits geweest zijn besloot ik het graf van Cor, of in ieder geval de plaats waar het ongeveer moest liggen te gaan opzoeken. De volgende dag vetrok ik voor dag en dauw en kwam tegen de middag aan op de plek die volgens kaarten in het lab de plek van de hut moest zijn. Peter had me ooit eens meegenomen naar een klein kerkhofje in de buurt van hun hutje en het nabij gelegen dorp dus ik wist waar ik ongeveer wel zou moeten zijn. Ik zocht de hele dag zonder resultaat. Nergens viel een spoor te bekennen dat op de aanwezigheid van Cor en Peter honderden jaren geleden hier op deze plaats zou kunnen gewezen hebben. Terneergeslagen stapte ik een café binnen in het dorpje dat er nog steeds een beetje middeleeuws uitzag. Ik ging aan een tafeltje zitten en keek met een droevige blik rond. Ik zag een persoon aan de overkant net hetzelfde doen, onze blikken kruisten mekaar en er ging een schok door m’n hele lichaam. Ik keek recht in het gezicht van Cor, tenminste hij leek enorm op Cor. De jongeman had hetzelfde gezicht alleen had deze versie van Cor blonde lokken. Hij stond op en kwam naar me toe. "Ken ik jou niet van ergens?", vroeg hij me met een vragende blik. Ik (die van de schok niet eens rekening hield met het hoge openingszingehalte van die vraag) antwoordde met een grote grijns. "Beter dan je denkt." We raakten al vlug aan de praat en hij zei me dat hij hier op deze plek geboren en getogen was. Ik vertelde hem op mijn beurt mijn verhaal (dat hij vreemd genoeg meteen geloofde). Zo kwamen we tot de conclusie dat hij wel degelijk de achter- achter -achter , .. kleinzoon van Cor moest zijn.

Op een gegeven moment kwam de cafébaas ons lichtjes geïrriteerd vertellen dat het sluitingsuur al lang voorbij was en hij vroeg ons op een beleefde maar besliste toon te vertrekken. Ik liep met Tim ( zo heette hij) nog even verder en opeens stokte het gesprek. Ik voelde een hand op m’n arm die zo bekend aanvoelde en keek recht in de ogen van Cor. Ik moet je niet vertellen dat er op dit moment geen kopstoot volgde. We wandelden nog even verder en namen toen zorgvuldig afscheid, niet voor lang verzekerde Tim me en met een tevreden gevoel reed ik naar huis. De radio stond op zijn hoogste volume en ik brulde uit volle borst mee. Thuis aangekomen sprong in met een rasechte tijgersprong in bed, gleed onder de lakens en knipte het licht uit. Ik glimlachte, misschien, heel misschien leefden ze nog wel lang en gelukkig.

Jolien VAN DE SANDE, laureaat 2009, reeks 3




Witse Lemmens met het opstel van Jens Goetschalckx

HALFTWAALF

 

Het was kwart na elf ‘s middags, maar er was geen teken van leven te bekennen op straat. De zon had zich verscholen achter een dikke laag donkere wolken en de motregen gooide een grijze sluier over de stad die het zicht vertroebelde. De weinige mensen die uit noodzaak toch buiten moesten komen, hadden zich diep in hun winterjas genesteld of beschermden zich tegen de regen onder een paraplu. Ikzelf had geen dikke winterjas of geen paraplu. De koude druppels vielen op mijn hoofd en rolden samen met mijn tranen over mijn gezicht naar beneden. Ik wachtte op de trein die om halftwaalf hier zou voorbijrijden. Inderdaad, je hoort het goed, voorbijrijden. Ik ben niet echt van plan de trein te nemen zoals ik al zo dikwijls in mijn leven had gedaan. Het zal de laatste keer zijn dat ik de trein neem, of, beter gezegd, ‘gebruik maak van de trein’. Maar laat me je eerst uitleggen hoe ik in die situatie terecht was gekomen.

 

Het was september 1997, zo’n 12 jaar geleden dus. Ik was toen 16 jaar en zag eruit als een typische puber: een gezicht vol puisten, een onhandige slungelige lichaamsbouw en de uitstraling van een kamerplant. Zoals elke 16-jarige jongen was ik verliefd. Smoorverliefd. Haar naam was Kirsten. Ze was een jaar ouder dan ik en had een heel rijk verleden, wat jongens betreft. Alhoewel ik al vele malen geprobeerd had haar aandacht te trekken of met haar te praten, wees ze me telkens met haar gelaatsuitdrukking af. Het was duidelijk dat ik meer dan vrienden wou zijn, net zoals het duidelijk was dat ik nooit een geschikt persoon voor haar zou zijn. Althans, dat dacht ik toch, totdat ze op een dag om een onverklaarbare reden uit eigen beweging op me toe kwam gestapt. Mijn verbazing werd nog groter toen ze me vertelde wat de reden was van haar plotselinge interesse in mij: ze vroeg me of ik iets met haar wou gaan drinken. Mijn mond viel open van verbazing. ‘Ik moet je dringend spreken’ verklaarde ze. Na een secondelange stilte kreeg ik het toch klaar om dat zuchtje adem uit mijn luchtpijp te persen dat volstond om ‘ja’ te antwoorden.

 

Enkele dagen later zat ik daar, op het terras van een cafeetje in de buurt, met haar aan de overzijde van de tafel. De zon scheen en verwarmde mijn gezicht, maar niet voor lang meer, het werd bijna donker. De trance van blijdschap waarin ik verkeerde, werd snel stopgezet toen ik te weten kwam wat de eigenlijke bedoeling was van dit afspraakje. ‘Ik ga weg.’ zei ze, ‘Ik kan je niet vertellen waarom, niet nu.’ Ik werd overspoeld door emoties. Ik was blij omdat ze net mij had uitgenodigd om dit te vertellen, en waarom ze dat heeft gedaan, bleef me een raadsel, maar had ook spijt dat ze wegging. En de onbekende reden van haar mysterieuze vertrek maakt het geheel nog wat mysterieuzer, waarom zou ze weggaan? Misschien kom ik het wel nooit te weten. Ik veranderde snel van onderwerp om er toch nog een leuke avond van te maken, terwijl ik mijn best deed om mijn tranen te bedwingen. We praatten nog eventjes, en dronken nog wat. Het was heel gezellig, maar de hele avond werd toch overdekt door het onaangename gevoel van haar plotse vertrekplannen. Na een grote hoeveelheid vloeibare moed, zowel bij mij als bij haar, zijn we veel hechter geworden. Na heel wat knuffels, vriendschappelijke stootjes en plagerijen drukte ze plots haar lippen op de mijne. Het lijkt wereldschokkend dat zoiets mogelijk is, maar een kus kon je het niet echt noemen. We waren beiden wat aan de dronken kant en ik had absoluut geen ervaring met die dingen. Helemaal in shock en met een gelaatsuitdrukking alsof ik net een spook had gezien, keek ik haar aan. Ze lachte naar me. ‘Sorry, ik moet weg.’ zei ze. Stomverbaasd, maar met een brede lach op mijn gezicht fietste ik al fluitend naar huis.

 

De volgende dag werd ik wakker met een bonzend hoofd en loodzware benen, maar toch was ik blij. Ze was weg, ja, dat is waar, maar ik had haar gekust. Lelijke, verlegen, kinderachtige Maarten had gekust met knappe, volwassen, populaire Kirsten. Ik weende, en ik was blij. Het was rotslecht weer buiten, ik had hoofdpijn, mijn portefeuille bleek alweer leeg te zijn, mijn resultaten op school waren slechter dan ooit, Kirsten was weg, en ik weende, maar toch was ik blij.

 

Weken gingen voorbij. De tijd ging traag zonder haar, ik verlangde naar ons wederzien. Ik had haar enkele keren geprobeerd te bellen, maar ik kreeg geen gehoor. De berichtjes die ik haar stuurden, werden niet beantwoord, en zelfs als ik op bezoek kwam, leek ze wel op mysterieuze wijze verdwenen van de aardbol. Het was duidelijk dat ze alle contact met me probeerde te mijden. Ze wilde me niet, en dat was wel te begrijpen. Ik had besloten te proberen haar te vergeten, maar ik wist dat dat een moeilijke opgave zou worden. Het hoofdstuk ‘Kirsten’ is afgesloten. Althans, dat dacht ik toch. Totdat ik op een dag thuiskwam van school en merkte dat ze had geprobeerd mij te bellen op mijn gsm. Mijn hart bonsde. Zo snel als mijn bevende vingers konden, typte ik haar nummer in en wachtte. Na enkele doodstille seconden nam ze op. ‘Ah, jij bent het’ zei ze. ‘Maarten, ik weet dat het moeilijk is, maar laat me alsjeblieft met rust. Die avond had niets te betekenen. Ik heb je graag, maar dan wel als vriend, en zelfs dat ben je aan het kwijtspelen. Vind je nu zelf niet dat 20 berichtjes per dag overdreven is? Dan heb ik de gemiste oproepen en alle andere dingen nog niet meegerekend. Laat me alsjeblieft met rust, oké?’. Toen had ze afgelegd. Zonder na te denken, gooide ik mijn gsm door de kamer tegen de spiegel. Het glas kletterde tegen de grond. Ik weende, en dit keer was ik niet blij.

 

Dagenlang heb ik getreurd om dat telefoontje. Ik heb nagedacht over wat ik zou kunnen doen. Haar met rust laten? Nee. Ik weet zeker dat ze, diep in haar hart, ergens nog wel van me houdt. Als ze dat ooit heeft gedaan. Ik besliste weer op bezoek te gaan bij haar. Zo snel als ik kon, liep ik naar het station dat maar op enkele honderden meters van mijn huis verwijderd was, om de trein van halftwaalf nog te halen. Toen ik na de lange treinrit bij haar aankwam, wandelde ik naar haar deur, terwijl ik de woorden die ik zou zeggen om mijn excuses aan te bieden nog eens herhaalde. Ik stond op het punt de knop van de deurbel in te drukken toen ik haar stem hoorde. Ik liep tot bij het raam en wou haar naam roepen. Tot ik hem zag. Ach, hoe kon ik zo naïef zijn, natuurlijk had ze een ander! Ze kon toch niet blijven treuren om ons? Of… jawel. Zij moest om mij treuren, en niet omgekeerd! Ik was perfect, en zij had me laten gaan! In een vlaag van woede nam ik de steen die vlak naast mij rechtervoet lag en gooide hem door haar raam. Toen ik besefte wat ik had aangericht, was mijn lichaam te verlamd van emoties om weg te lopen. ‘Ben je gek geworden?’ riep ze woest. Ik lachte. ‘Wie weet…’ zei ik. Toen ben ik naar huis gegaan. Ach, wat had ik spijt dat ik dat gedaan had. Misschien moest ik haar bellen? Misschien moest ik… haar met rust laten zoals ze had gezegd. Misschien eventjes. Alles laten bezinken, en dan haar bellen om mijn excuses aan te bieden, ze wil me terug, daar ben ik zeker van! Ik ging slapen.

 

Toen ik wakker werd, belde ik haar onmiddellijk. Na een nachtje slapen zal ze wel inzien dat ik het alleen maar deed uit liefde, en dan zal ze die andere man vergeten, dacht ik. Nee, ik dacht het niet, ik was er zeker van. Ik belde haar, maar ze nam niet op. Ik probeerde nog eens. En nog eens. Na vele pogingen gaf ik het op. Ze zal wel druk bezig zijn met iets anders, dacht ik. Ze belt wel terug. Alles komt weer in orde, geen reden tot paniek. Ik lachte, en veegde de traan af die over mijn wang rolde.

 

Ik heb lang gewacht, maar in tegenstelling tot wat ik verwacht had belde ze niet terug. Ze liet wel op een andere manier blijken wat ze van mijn gedrag vond. Politie. Ze hadden me opgebeld om te vragen haar met rust te laten, en ze hadden gedreigd met zware straffen indien ik dat niet deed. Ik had de boodschap begrepen, het was gewoon te veel voor haar. In haar ogen ben ik gewoon een gestoord persoon die haar stalkt. En misschien ben ik dat ook wel. Misschien ben ik wel zo’n persoon waarvan je wel eens hoort als je ’s avonds laat je televisie opzet, en naar het nieuws kijkt. Zo’n persoon waarvan je je afvraagt wat er zich in zijn hoofd afspeelt dat hem aanzet tot zo’n hopeloos gedrag. Liefde, dat is het antwoord. Liefde. Die gedachte had me aan het wandelen gezet, de deur uit, door de koude regen. Gevoelloos maar doelbewust wandelde ik richting de spoorweg, naar de plaats waar ik zo dikwijls de trein had genomen om haar te gaan bezoeken, maar nu met een heel ander doel. Een heel stuk voor het station zou de trein nog niet sterk genoeg afgeremd zijn om me mijn verdiende loon te geven. Daar stond ik dan. Kwart na elf. De laatste minuten leken een eeuwigheid te duren, terwijl ik niets deed dan vooruit staren, de grijze leegte in. Ik twijfelde geen seconde, ik bleef gewoon rustig wachten tot het tijd was. De eindbestemming van deze trein was vlak bij het huis van Kirsten, maar mijn eindbestemming is hier. Ik keek op mijn horloge, het was bijna zover. In de verte hoorde ik het bulderende lawaai van een trein die tegen volle snelheid kwam aangestormd. Ik zette enkele stappen vooruit tot ik op de spoorweg stond. De trein kwam dichter. Op enkele tientallen meters van me probeerde de conducteur hopeloos de trein nog te doen stoppen, wat een onmogelijke taak bleek te zijn. De laatste seconden van mijn hopeloze leven verlangde ik naar de aanraking met het koude metaal die mij aan mijn einde zou brengen. Het laatste wat ik voelde, was een harde klap.

Jens GOETSCHALCKX, laureaat 2009, reeks 4


©  Davidsfonds Heist-op-den-Berg, Oude Liersebaan 75, 2220 Heist-op-den-Berg, BELGIUM