Laureaten opstelwedstrijd 2009-2010

De winnaars van onze opstelwedstrijd


MUZIEK VAN DE LIEFDE, MUZIEK VAN DE DOOD.

Helemaal in het verste hoekje,tegen de vuilste muur van de donkerste kant van het schoolplein staat Sam eenzaam naar de spelende kinderen te kijken. Sam is een jongen die tot eind september nog vele vrienden had. Nu heeft hij er geen een meer. Het begon allemaal toen hij voor de grap de jassen van al zijn vrienden ergens had verstopt op het schoolplein. Toen konden ze er nog mee lachen. Daarom dacht Sam dat hij nog meer van dat soort grapjes mocht uithalen met zijn vrienden. Maar op die allerlaatste vrijdag van september is het gebeurd. Hij was boos geweest op een van zijn vrienden,Joris. Joris had de schrift van Sam uit zijn boekentas gestolen. Vervolgens heeft Joris de schrift in het w.c. gegooid. Sam was toen zo boos geweest dat hij de hele boekentas van Joris in de container van de restafval had gegooid. Joris had pas op het einde van de dag door dat zijn boekentas was verdwenen. Sam kreeg medelijden met Joris maar toen hij de boekentas wou halen stelde hij tot zijn grote verbazing vast dat de container verdwenen was. Hij zag in de verte de vuilniskar voorbij rijden. Toen wist hij niet meer wat te doen. Hij begon in het wilde weg te krijsen en rende zo snel als hij kon de vuilniskar achterna. Maar na honderd meter  wist hij dat hij zich zinloos aan het moemaken was. Hij zou zijn krachten beter sparen om alles uit te leggen aan Joris. Maar Joris was zo kwaad dat hij ervoor zorgde dat iedereen Sam begon te haten. Sinds die dag staat hij elke speeltijd zijn tijd te verdoen tegen dat muurtje.

“Wie is nog eenzamer dan mij?” vraagt Sam zich hardop af. “Ik..” Sam kijkt verbaasd de richting uit vanwaar het geluid komt. Zijn ogen worden gefocust op het figuur van een meisje. Het is Roos, Roos uit zijn klas ! Op haar gezicht staat te lezen dat ze het thuis niet al te goed heeft.  Ze komt vanachter de vuilnisbak naast Sam opdoemen. “Hoelang zit je daar al?”vraagt hij geërgerd. “Nog niet zolang,een minuutje of twee.” Sam bekijkt Roos nog eens heel erg aandachtig. Best een knap meisje. Is ze dan zoveel alleen? Hij kan het zich niet goed voorstellen. Zijn gedachten dwalen terug af naar haar lichaam,haar onoverwinnelijk,altijd lachende gezicht,... “Ben jij echt nog eenzamer dan mij?”vraagt de jongen nu hardop. “Ja” Roos haar gezicht wordt donker. Voor het eerst ziet Sam Roos’ mondhoeken zakken. Stil,maar zeker vormt haar mond een heel,heel droevig gezicht.

Dan rolt de eerste traan over haar wang,de tweede,de derde en het begint. Roos huilt... iets wat Sam nog nooit heeft meegemaakt. Onwillekeurig schuift hij steeds dichter naar haar toe. Dan legt hij troostend een arm om het huilende meisje haar schouder. Hij streelt onwennig over haar lange,rosse haren. Opeens, op het moment dat Sam Roos aanraakt, hoort hij ergens in de verte muziek. Het is mooie muziek,prachtige alsof duizenden Cupidos liefdesliederen zingen. De vreemde maar fantastische muziek brengt Sam in de waan dat hij alleen op het schoolplein staat met Roos. “Roos!Roos!” overal klinkt Roos. Die is opgehouden met huilen en geniet van de warme omhelzing van Sam. Ook zij hoort muziek,net dezelfde,alleen veel sneller... de twee genieten van de prachtige muziek en bouwen een onzichtbaar krachtveld zodat niemand hen kan storen en niemand op hen let. Het zijn de twee meest verstoten kinderen van heel de schoolgemeenschap...

 

Sam trekt het deken helemaal over zich. In zijn bed is hij veilig. Gelukkig geen pestkoppen en dergelijk schroot. Er zou nog ččn iemand mogen zijn : Roos. Alleen al als Sam aan haar  denkt,glimlacht hij. Die muziek,dat gevoel,het moet de ware zijn. Het moet gewoon. Het kan niet anders hij is het zeker. Hoelang zou het geduurd hebben? Het leek een eeuwigheid. Of was het maar een seconde... Sam weet het niet,hij moet het ook niet weten. Hij wil het niet weten waarom weet hij niet,maar het zijzo en het zal zo zijn. Klopklopklop hoort hij opeens. “Wie is daar?” “Mama, ik kom je een nachtzoen geven.” “Binnen” terwijl hij dat zegt denkt Sam:waarom Roos niet? Hij heeft geen tijd om een antwoord te bedenken want voor hij het weet spletst er een natte avondkus op zijn wang. “Goede nacht Sammetje”hoort hij nog zeggen en op haar tenen verlaat moeder de kamer. Net op het moment dat ze de deur sluit, sluit Sam de ogen en vliegt naar dromenland.

 

Ja,daar komt ze. Daar komt ze. Roos op de witte geit van meneer De Vriend. Voor Sam is een witte geit het teken van de liefde op het eerste gezicht. Meneer De Vriend is altijd goedgehumeurd,wat voor de dromende jongen in het teken staat van vriendschap en vriendelijkheid. Sam kan als geen ander onbegrensd dromen van ongeloofelijke en onmogelijk gewaande zottigheden. Omdat hij zo vaak alleen is,leeft hij steeds vaker in zijn eigen wereld. Zo word zijn fantasie ook oneindig.

Roos komt steeds dichterbij en wordt alsmaar groter en groter. Wanneer ze zo groot is als de Basiliek van Koekelberg en de ijzertoren te samen blijft ze vlak voor Sams neus stilstaan. Opeens klinkt heel in de verte weer muziek,maar nu is het triestige muziek,enge,griezelige muziek. Maar in tegensteling tot de vorige keer,de eesrte keer,vertraagt de muziek nu. Hij klinkt ook steeds harder en harder. Op het moment dat de muziek zo traag gaat spelen dat het lijkt op de pas van een of andere dolgedraaide kip die een trein achter zich aansleurt om een nieuw wereldrecord te breken,klinkt de muziek het allerluidste. De oren van Sam staan op springen,ondraaglijk hard klinkt de muziek. Je kan een heel orkest dubbel laten klinken nog hoor je niet zo’n luide muiziek.Wat je muziek noemt natuurlijk... De meest lijdende jongen van het moment kan het niet meer uitstaan.Hij wil weg van een ondraaglijk slechtmakend gevoel. Op het allerlaatste moment dat hij lijkt te leven is alles stil,het beeld van Roos is terug op normaal formaat. Alleen is de geit van meneer De Vriend verdwenen. In die zijn plaats staat er naast Roos een rood aangelopen stier. Het wondermooie meisje staat de stier,ondanks het helemaal rood aangelopen gezicht van het dier,rustig te strelen. Sam kan niet meer volgen en als hij zijn droom niet meer kan volgen,dan wordt hij wakker,heel simpel, ook al zijn de dromen niet altijd even simpel. Hij schiet als een pijl uit een bazooka recht en kijkt om zich heen of er nergens een negentiende eeuws draaiorgel staat met een eenentwintigste eeuws dubbele orgel versterker. Maar zijn kamer is op zijn bed,kast en wat rondslingerende kleren na,helemaal leeg. De wakkergeschoten dromer begrijpt het nu  helemaal niet meer. De muziek,die droom het moet een betekenis hebben. Nee het kan niet,want als de droom een betekenis heeft,dan moet het een slechte zijn. En Roos is het mooiste en liefste meisje dat Sam kent,dus weg voorspelling. Hij begrijpt dat blijven piekeren toch geen zin heeft en kijkt op zijn nieuwe horloge. Het is al zeven uur ’s ochtens. Binnen een halfuur zou hij moeten opstaan. Niet de moeite om te blijven liggen denkt hij in zichzelf en kruipt onmiddelijk na zijn redenering uit het eikenhouten bed. Op zijn tenen sluipt hij naar de overloop. Slaat linksaf en dan nog eens links,sluipt van de trap en houdt zijn adem in. Dat alles om zijn ouders niet wakker te maken,maar als hij ze stilletjes hoort fluisteren dan weet hij dat hij al niet meer stil hoeft te zijn. Nu loopt hij bewust bonkend de trap af en bonkt de keuken in. Hij hoopt zo duidelijk te maken aan zijn ouders dat hij wakker is. Maar zijn ouders liggen nog een film van the Simpsons uit te kijken. Sam haat de t.v. op hun kamer en nog meer the Simpsons. Dus dekt hij de tafel maar en pakt een pak Kellog’s. Cornflackes zijn zijn dagelijks ochtendritueel; zonder cornflackes is Sam niets. Hij gaat alleen aan tafel zitten met zijn kom en denkt terug aan zijn vreemde droom. Waarom werd Roos toch steeds groter? En waarom was de geit van meneer De Vriend verruild met een woedende stier? Het vreemdst van al is toch die muziek. Toen hij Roos “omhelsde” hoorde hij prachtige muziek. Nu,in zijn droom is het rauwe ,vreselijk valse,enge muziek. Wat heeft de droom toch van betekenis? Hij moet een betekenis hebben. Zo droomt Sam anders nooit,het lijkt wel een boodschap of zo.

Maar welke boodschap? De jongen wil er niet meer over denken,want als de droom werkelijk een boodschap is,dan kan het geen goede zijn. Deze nachtmerie kan moeilijk in het teken staan van “ik ga samen met Roos naar het leukste pretpark ter wereld” of  “Roos zal later met mij willen trouwen en dan wordt het een heel groot feest”. Ondertussen heeft hij zijn kom Kellog’s opgesmakt en zet hem in de vaatwasser. Als hij het luik van de vaatwasser heeft gesloten hoort hij zijn ouders,napratend over de film,de trap afsloffen. “Goede morgen”,zegt hij vriendelijk. Terwijl hij toch niet zijn beste dag tegemoet gaat na zijn nachtmerrie en hij vindt dat hij als tiener te weinig respect krijgt van zijn ouders. Sam vindt dat als je een kleine moeite doet om “goede morgen” te zeggen en je daar een hele dag respect van je ouders voor in de ruil krijgt dat het zeker de moeite waard is. “Goede morgen,Sammetje”,zegt zijn moeder opgewekt. Dat zijn de voordelen van een stomme “Simpsons” film:je ouders doen vriendelijk en lief tegen je. Dan gaat Sam zonder nog een woord te zeggen de keuken uit,de trap op. Maar zijn ouders zijn tevreden,omdat Sams gezicht even hard glimlacht als een breedsmoelkikker die net een nieuwe PSP gekregen heeft. In werkelijkheid zit die jongen nu heel erg verdrietig op zijn bed. “Die muziek,er was iets met die muziek. Iets bekend,maar wat?”,maakt Sam zichzelf duidelijk. Hij denkt heel diep na. Opeens schiet het Sam te binnen. De opgewekte liefdesmuziek komt uit een Frans liedje. Er hoord ook een tekst bij,maar die is Sam al lang vergeten. Het is prachtige muziek,het liedje trouwens ook. De muziek komt  van Mozart en de tekst van Chopin. De enge muziek is dan weer iets van Beethoven,die muziek is oorspronkelijk al heel luid. Dat komt omdat Beethoven doof was,hij maakte bijna alles in fortissimo,toch was de muziek die Sam hoorde nog tientallen keer luider dan de oorspronkelijke versie. Opeens word de jongen uit zijn gedachten gehaald door de stem van zijn moeder die uit de keuken roept:”Sammetje,telefoon voor jou,van een zekere Roos. Ze beweert bij jou in de klas te zitten!” “Ik kom!”,is het enige wat Sam weet uit te brengen na de overompeling van blijdschap als hij de naam “Roos” hoort.

 

“Roos,je woont prachtig...”zegt Sam verlegen. “Och,dat valt best tegen hoor!”,antwoord het rosse meisje koeltjes. Haar kamer is prachtig blauw geschilderd en om de twee meter staat er een ster op de muur geschilderd.  “Nee,echt waar,ik meen het”,blijft Sam aandringen. Even is het stil,Roos zet zich in een houding en denkt even na wat ze hier op moet zeggen. Van die stilte maakt Sam gebruik om te denken aan zijn droom. Wat zou de betekenis zijn? Het is een groot raadsel. Die muziek is de oplossing dat moet wel, het is niet mogelijk dat die in een droom zo luid kan klinken. “Als je er aan gewend raakt is het erg saai vind ik”,spreekt Roos haar pas bijeen gesprokkelde woorden uit. “Wat is er  erg saai ?”,vraagt de dromende jongen,of beter de nachtmerrie jongen opschrikkend uit zijn gedachten. “Mijn huis natuurlijk” “O,ja daar waren we over bezig. Klopt...”,zegt Sam. “Wel lief dat je me hebt uitgenodigd ,Roos.”,zegt hij om van onderwerp te veranderen. “Och,anders heb ik te veel dorst.”,maakt zij duidelijk. “Te veel dorst?” vraagt Sam geschrokken. “Hoe bedoel je?”nu wordt de jongen toch een beetje bang van Roos,eerst die droom en nu dit... “Ik bedoel dat ik anders geen fanta mag drinken van mijn ouders.”,maakt Roos Sam duidelijk. “Ik heb je ouders nog niet gezien,waar zijn ze?” “O,dat weet ik niet,ergens in dit huis,maar waar,dat weet ik niet...”maakt het meisje Sam duidelijk. Maar de jongen is er toch niet meer zo gerust op. Om snel van onderwerp te veranderen zegt hij :”Roos,heb jij mischien gezelschapspelen?” “Nee,ik heb wel verkleedkleren.” Omdat hij toch iets wil doen,ook al vindt hij verkleden kinderachtig,stemt hij meteen in. Roos springt van haar bed en doet een ingebouwde kastdeur open. Iets dat voor Sam totaal onvewacht komt. Het is een eikenhouten kastdeur met een grote spiegel erin. “Zou ze in de spiegel nog mooier zijn?”,vraagt Sam zichzelf af. Om dat te weten te komen kijkt hij in de spiegel,maar...Roos lijkt voor de spiegel onzichtbaar. Opeens schiet het Sam te binnen:Roos is een vampier! De tekst van het enge lied uit zijn nachtmerrie is door een vampier geschreven,ja dat is het! Sam springt van het bed en wil wegrennen,maar Roos verspert haar kamerdeur en zegt:”eerst nog wat drinken,het doet geen pijn,echt geen pijn. “HAHAHAHA”!!! De wreedste en gemeenste bulderlach ooit is het laatste wat Sam hoort...

Ulysse MAES, laureaat 2010, reeks 1


Tweeling

Ik draai me op m’ n rug en leg een arm onder mijn kussen. Ik kijk naar de schaduw van een balk die op de matras boven me schijnt, en hoor een auto naderen die even de kamer zal verlichten.

Ik zucht en sluit mijn ogen. Ver in m’ n hoofd hoor ik ‘ En dans’ van Clouseau inzetten.

 

Twee handen masseren mijn schouders. Ik open m’ n ogen en kijk recht in die van ‘mijn man’. Er speelt een glimlach met mijn mond. Hij pakt zijn strandstoel en zet die vlak naast de mijne. Zoekend naar mijn hand zegt hij: “ De kinderen zijn met je zus schelpjes gaan rapen. ”  Ik knik.

Joram, de nieuwe vriend van mijn 6-jaar oudere zus, begint te snurken. Hij ligt tegenover me in een strandstoel van Terstrandstoel.

Mijn vrije hand leg ik op mijn al iets gebolde buik. Ik voel het baby’tje erin  zachtjes tegen mijn buik duwen. Ik beeld me in dat het zich uit rekt.

Met een snelle beweging grijp ik naar een handdoek om me te beschermen tegen het frisse noorderwindje, ook al is het 26°C. Samen met dat noorderwindje, hoor ik ook ‘En dans’ van Clouseau uit de cd-speler van een gezin verderop, aan waaien.

Ik zie hoe mijn kindjes aan komen gelopen. Papa laat mijn hand los om Jorien op te pakken. Dorien komt naar mij gelopen, maar valt over een van mijn rondslingerende teenslippers en laat het emmertje met de schelpen op de grond vallen. Zelf valt ze op haar knietjes in het zachte, warme zand.

Ik sta recht en zet haar terug op haar maat 24. Ze kijkt op en zegt: “Ikke en Rien selpjes gerape hebbe. In haar fijne stemmetje hoor ik onbewuste trots.

Jorien schuift van papa’ s schoot af om Dorien te helpen met ‘selpjes’ rapen. Ik kijk op mijn horloge:16.34u.

Mijn zus is ondertussen ook aan gekomen, ze spreidt haar handdoek uit en zet Dorien erop die inmiddels klaar is met haar nieuwe schat heel zorgvuldig in het emmertje te leggen. Ik gooi haar Doriens kleren toe en geef die van Jorien aan ‘mijn man’ , die haar op z’n schoot zet. Ik begin alles op te ruimen en maak Joram wakker die al veel heeft van een snurkende kreeft.

Het gezin van de cd-speler zet de radio harder. De laatste noten van ‘En dans’ , klonken weer glashelder.

Ik pak Jorien en Doriens handje vast en kijk naar de zee die net een grote golf maakt en ons daarmee ‘ tot ziens’ zegt.

Als ik zie dat mijn tweeling naar de zee kijkt, zeg ik: “ Zeg maar dat we snel terug komen.”  Jorien roept: “ We kome snel trug!” Dorien vult aan: “ Dŕŕŕŕg zee!”

Míjn tweeling.


“Kijk naar mij en dans, laat iedereen dus maar begaan!” 
De wekker. Ik ben helemaal nog niet uitgeslapen! Ik sluit mijn ogen terug en luister verder naar Clouseau…     
“Straks is het januari, het leven is al veel te kort 
We leven vandaag, beweeg dus onbezorgd       

Kom erbij en dans, we kunnen samen de wereld aan 
Voel je vrij en dans, laat iedereen dus maar begaan   
Kom erbij en dans, we kunnen samen de wereld aan 
Voel je vrij en dans, laat iedereen nu maar begaan”

“En dan nu het nieuws met Xavier Taveirne … ”

Ik duw mijn wekker af.

Bo DE BEUKELEER, laureaat 2010, reeks 2


De Pillenpianist

 

Stilte. Absolute stilte. Niet meteen wat je in het huis van een muzikant zou verwachten.

Toch is het zo, er heerst stilte. Allesoverheersende stilte. Het is de stilte die je iets toefluistert, zonder woorden. Stilte die iets met je doet, zonder daden. Het is de stilte des doods.

 

2 dagen geleden.

 

Anita draait zich kreunend om. “Verdomde reuma”, mompelt ze. Het is zondag, de enige dag in de week dat ze zo lang van haar rust kan genieten en dan wil ze absoluut niet gestoord worden. Twee etages lager knalt een deur open. Ongeduldige voetstappen haasten zich de trap op. Ze nemen een laatste eindsprintje door de gang en houden abrupt halt bij de deur onder haar flatje. Een sleutel knarst in het slot. “Oh nee”, kreunt ze. “Niet weer.” Haar hand kruipt onder de lakens vandaan en tast zoekend over haar nachtkastje. Verdomme! Ze is haar oordopjes vergeten! Net op dat moment begint hij. Het hele gebouw wordt overspoeld door pianomuziek. Sakkerend komt ze recht, met opnieuw een pijnscheut in haar rug tot gevolg. “Rotpianist!”,schreeuwt ze. De muziek verstomt, hij lijkt haar gehoord te hebben. Tevreden gaat ze liggen, dat had ze toch maar weer mooi opgelost. Ze dommelt terug in. Alsof haar onderbuur op dit moment gewacht had breekt de storm van melodieën opnieuw los. Anita schiet abrupt wakker. Al tierend kruipt ze uit het bed. “Oooh, ik haat muzikanten!”

 

Steven glimlacht grimmig. Het zal ze leren, die oude zuurpruim van hierboven, met haar eeuwige gezeur. Hij kan tevreden zijn, z’n nieuwe muziek klinkt goed. Het was weer zover geweest, hij was net bezig het meisje achter de kassa (mooi kind trouwens) een briefje van 20 te geven toen het melodietje zich in z’n hoofd had ontsponnen. Als hij zo’n moment vol inspiratie had was er geen houden meer aan. Dan moest hij gewoon die muziek op z’n piano kunnen horen, anders zou hij gek worden. Hij kijkt rond in z’n kleine flatje, de glimlach op zijn gezicht verdwijnt. Langzaam wandelt hij naar de foto op z’n piano. Een jonge vrouw lacht hem vrolijk toe, ze ziet er nogal saai uit in haar muisgrijze mantelpakje maar de pretlichtjes in haar ogen verraden dat ze het ding eigenlijk foeilelijk vindt en het liefst naar haar kast zou lopen om daar een van haar (felgekleurde) lievelingstruien uit te halen.

Hij denkt terug aan die dag. Ze zouden naar haar moeder gaan, hij en Nele. Ze zouden erheen

gaan om haar het heuglijke nieuws te vertellen. Ze zouden haar vertellen dat ze eindelijk klaar waren om de grote stap te zetten. Ze zouden samen in het huwelijksbootje stappen! Ze zouden die dag extra vroeg vertrekken, Ze zouden... Ze zouden nooit aankomen.

 

Een scheurend geluid, de remmen piepen alsof er een bombastisch muizenkoor in vastzit. Hij ziet de vrachtwagen komen. Uitwijken is geen optie. In paniek kijkt hij naar Nele. Een knal...

 

Huilend als een klein kind schiet hij wakker. Met een ruk duwt hij de dekens van zich af, hij opent het medicijnenkastje. Z’n  vingers omklemmen een vertrouwd potje, op de bodem liggen nog twee pilletjes. Met een vloeiende beweging verdwijnen ze in z’n opengesperde mond, alsof hij een wild beest is, klaar om z’n prooi te verslinden. Het lege potje gaat de vuilbak in. Hij keert terug naar z’n bed, de dekens nog nat van het angstzweet. Een traan loopt over z’n wang. “Geweldig”, denkt hij. “Nog meer water.” De pilletjes beginnen te werken.Hij valt in een diepe, droomloze slaap.

 

De bel gaat. “Geert, er is een klant in de winkel!” “Ik kom al!”, roept de apotheker een beetje geërgerd terug.“Altijd hetzelfde liedje met hare hoogheid”, mompelt hij binnensmonds. “Zij zal wel in bad liggen weken terwijl meneer zich in de winkel staat uit te sloven.” Hij gaat achter de toonbank staan. “Aah Steven, goedemorgen jongen, alles goed met je?” Hij krijgt geen antwoord. Een beetje ongemakkelijk begint de apotheker van het ene op het andere been te springen. “Euh goed, wat zal het zijn vo..” “Een nieuw potje, ’t zelfde als altijd.” De apotheker z’n blik glijdt over Stevens bleke gezicht, de donkerpaarse wallen onder z’n ogen maken het er allemaal niet beter op. “Steven, jongen, zou je niet wat minderen met die pillen?” Trouwens ik moet eerst een voorschrift van de dokter hebben voor ik ze kan geven.” “Sinds wanneer let jij op zulke dingen? Komaan Geert, ik heb ze gewoon nodig om te slapen , sinds het ongeval...” Z’n stem stokt. “Doe het nog één keer voor mij, we zijn tenslotte familie.” Geert zucht. “ Vooruit, maar dit is echt de allerlaatste keer, familie of niet. Je weet toch dat je mijn job in gevaar brengt als je zo verder blijft gaan?” “Ik weet het, het spijt me , jij doet ook maar gewoon je werk.” Opnieuw gaat de bel, een vrouw van middelbare leeftijd komt binnen. Haastig graait hij het potje weg. “Bedankt voor alles, ik zal minderen, beloofd.” Hoofdschuddend kijkt Geert hem na. “Daar komen nog ongelukken van, ik voel het”, murmelt hij in zichzelf.

 

Z’n vingers strelen de piano. Hij drukt de toetsen in, één voor één. Ze gaan steeds vlugger en vlugger, hij drijft het tempo op. Z’n vingers slaan nu op de toetsen. Het gaat steeds luider en luider. Ze beuken, rammen, stampen, ze verwoesten de wit-zwarte staafjes. Een waas trekt voor z’n ogen, hij valt. Hij ziet Nele, hij ziet haar uit z’n ooghoek staan. Ze lacht , Steven lacht mee. Hij krabbelt recht, wil haar omhelzen, haar zeggen dat ze hem nooit meer zoiets mag aandoen. Hij struikelt opnieuw. Z’n hoofd raakt een tafelpoot, alles wordt zwart, ze is weer verdwenen.

 

Met een bonzend hoofd wordt Steven wakker. “Wat is er gebeurd?”, kreunt hij met een van pijn vertrokken gezicht. Het is al donker. Op de tast zoekt hij de lichtschakelaar. Het licht knipt aan, hij sleept zich naar z’n bed. Met een doffe plof valt hij neer, het enige wat hij wil is slapen, slapen en vergeten. Het wordt opnieuw duister om hem heen...

 

Een scheurend geluid, de remmen piepen alsof er een bombastisch muizenkoor in vastzit. Hij ziet de vrachtwagen komen. Uitwijken is geen optie. In paniek kijkt hij naar Nele. Een knal.

De vrachtwagen beukt met een immens lawaai tegen de flank van de auto. Hij wordt weggeslingerd. Hij ziet haar verderop liggen, de pretlichtjes zijn uitgedoofd. Het muizenkoor zwijgt. Nele zal voor altijd zwijgen.

 

 

Hij spert z’n ogen open. De pijn in z’n hoofd is ondraaglijk geworden. Miljoenen sterren dansen voor z’n ogen. Zij danst mee. Plagerig port ze hem in z’n zij. “Kom, kom dan toch”,lijkt ze te roepen. Ze huppelt naar de badkamer. Hij kan zijn ogen niet van haar afhouden. Hij kruipt uit bed. Het medicijnenkastje gaat open. De volledige inhoud van het potje verdwijnt in z’n mond. Hij wankelt, de pijn in z’n hoofd verplaatst zich naar z’n maag. Hij strompelt naar de woonkamer. Daar zit ze, vlak voor z’n piano. Hij glimlacht . Deugnieterig wenkt ze hem. Hij kan haar nu bijna aanraken. Zijn hand schiet uit, z’n vingertoppen hebben nog maar een centimeter af te leggen.Een hevige kramp. Hij zakt door z’n benen. De hand schuift geluidloos door Nele heen. Stevens hoofd bonkt tegen de piano, z’n lippen raken de toetsen. Hij kust ze, z’n ogen draaien weg, hij voelt Neles hand in de zijne. Hij krijgt een schok, ze legt z’n hand op de piano. Z’n laatste akkoord maakt plaats voor de stilte, de stilte des doods.

De Standaard

 Dinsdag 24 november 2009.

 

Pianist de pijp uit door pillen

Vanmorgen heerste er complete chaos in de Pelgrimsstraat 47 te Mechelen, wanneer Anita Verschuren haar onderbuurman levenloos aantrof in zijn appartement. Steven Boecks, die in muzikale kringen naambekendheid geniet als een vooruitstrevend componist, beroofde zich gisterenavond van het leven. De vermoedelijke doodsoorzaak is te wijten aan een overdosis slaappillen die volgens insiders de pianist meer gebruikte dan goed voor hem was.

Mevrouw Verschuren was zeer geschokt door haar lugubere ontdekking, ook al onderhield ze allesbehalve goede banden met haar flatgenoot. “Duizend maal heb ik zijn muziek verwenst, maar dit? Zoiets wens je zelfs je ergste vijand niet toe. Die bewuste avond was de geluidsoverlast nog nooit zo erg geweest. Ik had er mijn buik vol van en besloot hem ’s morgens een flinke bolwassing te geven. Zijn deur was los en de rest kan je wel raden”, getuigt Verschuren emotioneel.

De pose waarin het lichaam werd teruggevonden was hoogstwaarschijnlijk een unicum voor het politieteam. Met één hand op z’n piano en de andere rond een foto van z’n geliefde geklemd( die enkele maanden geleden omkwam tijdens een ongeval nvdr )  ruilde de muzikant z’n huidige leven in voor de eeuwige jachtvelden. Wanhoopsdaad of niet? Boecks deed het in stijl.

Jolien VAN DE SANDE, laureaat 2010, reeks 3


De dag waarop de muziek stierf

Wat is muziek?

In muziek moet je geloven. Het heeft een sterk onderschatte waarde als tegenpool van de stilte. Het kan de meest uiteenlopende emoties uit je doen vloeien. Het kan je doen springen van geluk, of huilen van weemoed. Tot je smelt. Muziek is een geloof.

En stilte dan? Is stilte een gebrek aan geluid?

Neen. Stilte is geen gebrek aan iets. Stilte is zelf een geluid. Stilte kan zo sterk zijn dat het je snijdt. Het neemt je bij je nekvel vast en sluipt stilletjes naar omhoog, totdat de haren in je nek rechtop gaan staan. Dan snijdt het zachtjes in je trommelvlies, en laat het je oren suizen. Stilte kan je voelen, als een dikke laag mist die altijd aanwezig is, maar niet steeds even zichtbaar. Als een alligator die hongerig maar geduldig wacht, tot het perfecte moment gekomen is om toe te slaan. Stilte kan luider zijn dan het sterkste geluid.

Muziek is een geloof. Stilte is een gevoel.

Gelooft u me niet? Sta me dan toe u het verhaal te vertellen van de dag waarop de muziek stierf.

 

Er was iets eigenaardigs aan die man, je merkte het onmiddellijk als je hem zag. Zijn verbitterde ogen die als voor dood in zijn oogkassen lagen staarden onophoudelijk de lege verte in, en zijn halflange grijze haren plakten tegen zijn bezwete voorhoofd. Als je hem in de ogen keek, keek hij nooit terug. Hij keek door je, gevoelloos. Een versteende blik. In zijn rechterhand hield hij stevig, bijna obsessief, een klein papiertje vastgeklemd. Niemand wist wat erop stond. De eenzaamheid kon je op zijn gezicht aflezen alsof het er in sierlijk krullende letters op geschreven stond. Je wendde snel je ogen af als je wist dat hij je blik voelde. Op zijn gezicht droeg hij een haast onzichtbaar masker, als een dun vlies tussen hem en de wereld. Als een donker dreigend deken dat het denken en doen van de man vertroebelde. Verdriet.  Zijn slome bewegingen, zijn trage ademhaling. Zijn adem stokte. Herinneringen aan vroeger, als een masker van verdriet. Het woord tijd had hij samen met de woorden trots en levenszin uit zijn gedachten verwijderd, zoals je het geheugen van een computer of een gsm wist. Vroeg of laat, dag of nacht, het had allemaal geen betekenis meer. Hij had zijn volledige interesse in de mensheid verloren. En omgekeerd. Niemand luisterde naar hem, niemand wou het verhaal horen van de man die op een dag besloten had zich op de stoep aan de kant van de straat neer te vleien en niet meer op te staan. Nooit meer.

Hij hield ervan ’s nachts naar de stad te luisteren. De stilte die er heerste, maar toch het geluid. Geen getoeter van auto’s, geen krijsende sirenes, geen blaffende honden of ruziënde buren. Maar toch geluid. Alsof de stad stilletjes snurkte. Die stilte maakte hem weemoedig, en weekte diep weggestoken gevoelens uit hem los, zoals je een postzegel van een brief ontfutselt met warm water. Deze man laat je weken in duisternis en stilte. Resultaat? Zijn verhaal. Hij zou dan al zijn geheimen toevertrouwen aan de nacht, hopend dat de wind zijn woorden optilt en ergens ver weg een ziel ontroert. Zijn zachte snikken doorbrak dan het snurken van de nacht, en de maan deed zijn tranen glanzen als fonkelende edelstenen. Alsof hij sterren huilde.

Het werd stilaan ochtend. De pasgeboren zonnestralen flirtten speels met zijn gerimpelde huid, maar de man lette er niet op. Hij had zijn aandacht gevestigd op een ander persoon die zijn richting uit kwam gewandeld. Verbaasd keek hij op toen de man in het donkerblauwe uniform voor hem stond. De politieman vertelde hem dat hij niet zomaar aan de straatkant mocht wonen. Hij moest dringend vertrekken, een huis zoeken. Omdat de man niet antwoordde draaide de politieman zich terug om en vertrok weer. Na enkele passen gezet te hebben draaide hij zich opnieuw richting de man.

 ‘Waarom zit je hier eigenlijk? Je lijkt me niet meteen het type dat te arm is om zich een huis te veroorloven.’

De onderlip van de man begon te trillen. Zijn ogen glansden zodat de zonnestralen erop in scherven uiteenbraken zoals een ondergaande zon dat kan doen op een zacht kabbelende zee.

 ‘Eindelijk.’ zei de man, ‘Eindelijk vraagt iemand naar mijn verhaal.’

Stap voor stap begon hij zijn geheim te ontsluieren. Om te beginnen ontvouwde hij het papiertje dat hij in zijn rechterhand vasthad, en hij stak traag trillend zijn hand uit richting de politieman. Hij nam het aan en bekeek het ernstig.

‘Een mooie vrouw.’

‘Neen. Ze was niet mooi. Mooi is een belediging voor de schoonheid die ze vertoonde. Ze was prachtig. Zo prachtig dat zelfs de meest glanzende sterren aan de hemel bloosden wanneer zij zich vertoonde, wetende dat zij nooit zo’n schoonheid als de hare zouden bezitten. En haar stem. Oh mijn God, haar stem. Zulke mooie klanken dat zelfs de vogels hun mooiste gezangen abrupt stopten om haar te aanhoren. Zo overweldigend was haar stem, dat zelfs in de winter de bloemen spontaan hun zomerse schoonheid ontloken en trots hun kleurrijke bladeren vertoonden bij het beluisteren van haar stemgeluid. Zo mooi zong ze, dat je sterren huilde.’

‘En wat heeft dit met de situatie hier te maken? Wat doe je hier zo alleen aan de straatkant?’

‘Vroeger was ze van mij. En ik was van haar. Althans, dat dacht ik. Op een ochtend was ze verdwenen. Ze deed de laatste tijd wel wat raar, misschien had ik het moeten zien aankomen. Misschien ook niet. Telkens als ik er een vraag over wou stellen, plukte ze behendig met haar lippen de woorden uit mijn mond, en lachte ze lief. Daarna kon enkel nog een slaafs ik hou van je fluisteren. Mensen die haar kenden zeiden dat ze waarschijnlijk al lang dood is. En als ze nog leefde, zou ik haar nooit voor mij kunnen gehouden hebben. Ze was te hoog gegrepen voor me. Dit verhaal geloofde ik niet. Ik weet dat ze hier ergens nog rondloopt, dat ze nog leeft. En daarom ben ik hier. Dit is de plaats waar we elkaar voor het eerst ontmoet hebben. Dus als ze op een dag plotseling beseft dat ze me mist, dan weet ik dat ze naar hier zal komen. Dit is de eerste plek waar ze me zal gaan zoeken. Daarom mag ik deze plaats niet verlaten.’

‘Maar waarom ga je niet gewoon verder met je leven? Vergeet haar toch!’

‘Hoe kan ik verdergaan met mijn leven als zij mijn leven is?’

Er viel een korte stilte…

‘En hoe overleef je dit alles? Ik bedoel… hoe geraak je aan geld? En aan eten? Hoe verwarm je jezelf in de winter?’

‘Ik heb dat allemaal niet nodig. Het lichaam van een mens heeft maar 2 dingen nodig om te overleven; Ten eerste heb je wilskracht nodig. Wilskracht is je benzine. Het voedt je, houdt je sterk, geeft je dat laatste beetje hoop. Daarnaast is er liefde. Dit houdt je hart pompende en verwarmt je lichaam. Het zorgt ervoor dat het bloed in je aders niet bevriest gedurende de winter.’

Met emoties overspoeld door dit tragische verhaal ging de politieman traag slenterend weg, in gedachten verzonken. Zonder ook maar één woord te zeggen.

Het was nacht en de man lag te slapen, zachtjes woelend. Een bitterzoete droom overviel hem. Een droom die zo echt leek, dat hij haar ritmisch kloppende hartslag bijna kon voelen. In gedachten streelden zijn vingers traag door haar haren, haar ademhaling als een warm deken in zijn nek. Hij kuste haar bloedrode lippen. Ze neuriede stilletjes. Hij liet zich meeslepen op de azuurblauwe zeegolven van haar prachtige stem en voelde zich gelukkig. Hij kwam dichterbij en ademde diep in, hopend de honingzoete geur van haar lichaam opnieuw te mogen ontdekken. Met een harde klap werd hij met de realiteit geconfronteerd toen de zware stadslucht zijn neusgaten binnendrong. Hij was alleen.

De zomer kwam stilaan aan zijn einde. Het verhaal van de man had zich snel over de stad verspreidt, en hij kreeg steeds meer en meer reacties van voorbijgangers. Sommigen wilden hem geld of voedsel geven, maar ze begrepen hem gewoon niet. Een gebroken man heeft geen nood aan voedsel. De wilskracht is zijn benzine. Vriendelijk knikkend wees hij de behulpzame gebaren af, en hij zonderde zich weer af in zijn eigen wereld.

Het werd elke dag kouder, en de man steeds grijzer. Niet letterlijk grijzer, niet van kleur, maar van uitdrukking. Beeld je zonnestralen in die gebroken worden door regendruppels in de lucht. Dit vormt een prachtig kleurenspectrum, de regenboog. Verander nu al deze prachtige kleuren in tinten van grijs. Dat was het gevoel dat de man je gaf. De koude van de winter had het stadsbeeld sterk veranderd: overal bevende lichamen die zich verwarmden aan een kachel, mensen als ratten verscholen in de pels van hun dikke winterjassen, lijkbleke gezichten en spierwitte straten en gebouwen. Het leek wel alsof iemand een grote witte pot verf over de stad had gegooid. Dit bracht niet enkel een mooi uitzicht met zich mee, ook de koude begon de man te treffen. Zijn blauwe lippen trilden terwijl hij zich tevergeefs probeerde op te warmen aan zijn eigen lichaamstemperatuur door zijn armen als een deken om zich heen te slaan. Een man heeft geen warmte nodig. Liefde houdt hem warm. Maar wat als de hoop zachtjes uit je lichaam sijpelt en de liefde met zich meeneemt? De bijtende kou zoog voorzichtig het leven uit de man. Traag. Met elke windstoot net iets meer.

Na enkele weken in de winter werd een duidelijk verschil in de houding van de man zichtbaar. Zijn neerhangend hoofd en zijn trieste blik lieten blijken dat het laatste streepje hoop van de man bevroren was. De warmte had zijn lichaam verlaten in de vorm van damp, die telkens als hij uitademde traag dansend uit zijn mond kwam, zachtjes kringelend als sigarettenrook. Hij ging op zijn rug liggen. De liefde was er niet meer om zijn hart kloppende te houden, de wilskracht evenmin. Hij had het leven opgegeven, het leven had hem opgegeven. Hij wist dat hij zou sterven. Morituri te salutant. Opnieuw een slachtoffer van de strenge winter, of opnieuw een slachtoffer van de liefde? U beslist. Hij sloot zijn ogen. Een sterretje op zijn wang bevroor en nam de vorm aan van een ijskristal. De winter groeide over hem heen, als woekerende diamanten. De strenge nacht had voor hem geen genade. Hij lag te luisteren naar hoe de stad zachtjes in- en uitademde, tot hij zelf zijn laatste adem de nacht in stuurde, en zijn laatste woorden boven zijn lippen bevroren.

‘Dit is de dag waarop de muziek sterft.’

En nooit meer werd er in de stad nog één noot gezongen.

Muziek is een geloof. Stilte is pijn. Gelooft u me?

 

*Verhaal deels gebaseerd op ‘The Man Who Can’t Be Moved’ (The Script)

Jens GOETSCHALCKX, laureaat 2010, reeks 4


©  Davidsfonds Heist-op-den-Berg, Oude Liersebaan 75, 2220 Heist-op-den-Berg, BELGIUM