1)
Voorwoord :
In deze cursus worden de meeste commando’s die het werken met
interessant
maken verder toegelicht.
We werken in lessen. De lessen stemmen overeen met de lessen TEKN
van het tweede jaar graduaat bouw.
Deze richting wordt ondermeer gegeven aan de KaHo
St.-Lieven te Aalst.
Achteraan deze cursus zit een handige samenvatting met onderdelen van de
handleiding van Acad zelf.
Als U wil, kan U per lesdeel een bestand dat hierover handelt
downloaden.
Het is ten strengste verboden om deze bestanden te gebruiken in
de lessen zelf.
Op het einde van deze snelcursus wordt U ook een bibliotheek aangeboden
die U vrij kan gebruiken.
Graag
reacties aan : david.verhoeven@advalvas.be
2)
Les 1 : Inleiding :
In release 3 benaderen we meer de Windows-interface dan de vorige
versies van AutoCad.
Zo vinden we erase in het menu terug bij EDIT - CLEAR.
De drawing limits kiezen ? Zie vademecum.
Om objects, layers, e.d. weg te werken gebruiken we het commando
Purge.
Deze objects, layers, ... moeten wel ongebruikt zijn : dus lege
layers, ongebruikte styles, ...
Vanaf dit jaar (1997) werken we met bepaalde standaard diktes
en kleuren voor layers : zie samenvatting.
|
Layer Lock
|
Geen wijzigingen meer mogelijk
Geen objecten selecteerbaar
|
|
Layer Freeze
|
Layer onzichtbaar
Wordt niet meer geregenereert
|
|
Layer OFF
|
Layer onzichtbaar
Wordt wel nog geregenereert
|
Opgelet : Je kan nooit de current layer bevriezen, wel afzetten
!
|
REDRAW
|
schermbuffer heroproepen
|
|
REGEN
|
tekening weer laten uitrekenen
|
Dus als je inzoomt op een circel ziet hij eruit als een zes of achthoek.
Als je redraw uitvoert, blijft
dit zo.
Als je regenerate uitvoert,
wordt het weer een circel.
Met andere woorden, het schermgeheugen van de grafische kaart
wordt ververst.
Als we bij het tekenen van lijnen, maten, ... op de rechtermuistoets
duwen verschijnt er een menu met de snap-to commando’s zoals intersection
(kruising) ...
Nieuw is de from ... snap-to.
Als we een lijn of ander object willen tekenen op een bepaalde
afstand van een kruising of endpoint of zo gaan we als volgt tewerk :
- We drukken op line of rectangle ...
- We drukken op de rechtermuistoets
- We selecteren "snap from ..."
- We drukken nog eens op de rechtermuistoets en selecteren bijvoorbeeld
endpoint.
- We selecteren het lijnstuk vanwaar we de form to willen laten beginnen.
- Nu geven we de absolute afstand in tussen het beginpunt van de te tekenen
lijn of rechthoek en het eindpunt van de geselecteerde lijn.
- We zorgen er wel voor dat we de richting aangeven door de muis op de
juiste plaats te zetten, we werken immers met absolute coördinaten.
Lesbestand 1 van AutoCad ...
3)
Les 2 : Maataanduiding :
Ziehier de nieuwe methode om maten te zetten ...
Er zijn 4 soorten maten :
|
Linear
|
Horizontal
|
horizontaal
|
|
|
Vertical
|
verticaal
|
|
|
Aligned
|
met de te meten lijn mee
|
|
Radians
|
Straal
|
|
|
|
Diameter
|
|
|
Angular
|
Hoeken
|
|
|
Andere
|
|
Aanduidingspijltjes
|
We kunnen voor onze maataanduiding alle instellingen doen in FORMAT-DIM.ENSION
STYLE.
Zo kunnen we ook (vertrekende van de current style) verschillende
stylen voor de maatanduiding geven.
Bij het tekenen van de maat kunnen we ook op de rechtermuistoets
duwen en dan het te meten object gewoon selecteren. Dit gaat veel sneller.
Voor de groottes van de waarden van de in te stellen zaken zoals
gap, text height enz... kiezen we best de units en kiezen we een overall
scale.
Wensen we dan later de schaal aan te passen van de hele tekening
dan hoeven we slechts de waarde van de overall scale aan te passen en alle
maten zijn weer aangepast. Anders zouden we elke waarde moeten aanpassen.
Zo zetten we 0.2 voor annotation height, 0.2 voor de arraowheads
Als we dan de overall-scale op 50 zetten dan staat alles juist
om op 1/50 te plotten.
Als we dan de overall-scale op 100 zetten dan staat alles juist
om op 1/100 te plotten.
Hieronder staat een duidelijke tekening van wat we allemaal kunnen
instellen :
De kaders van ACAD staan hieronder afgebeeld.
Als we in millimeter tekenen dan staat de overall-scale juist
voor een A4-formaat.
Op dit blad kunnen we de naam van de style van de maataanduiding geven
of kiezen.
Ik kies als naam "MAATAANDUIDING".
Hierin staan alle instellingen juist. (staat in file layer.dwg)
(Parent is de oorsprong van alle maten, zowel hoek als diameter
als ...)
Hier volgen de andere keuzeschermen.
Let ervoor dat de UNITS juist staan (0.000 is niet praktisch !)
Bij prefix en suffix kan je respectievelijk intypen wat voor of na elke
maataanduiding moet komen. Zo kan je bij suffix bijvoorbeeld "mm"
plaatsen.
Suppress wil zeggen : onderdrukken of weglaten dus !
Je kan steeds de tekst van een maat veranderen door op properties te klikken.
Als je een verandering aan de stijl aanbrengt en op OK klikt dan
zal de maataanduiding die je erna tekent in de nieuwe of aangepaste styl
getekend worden.
De reeds getekende maataanduiding blijft zoals hij was.
Als je weer in het kader DIM-STYLE gaat kijken staat er een plusteken
voor de naam van de maataanduiding.
Wens je alle maten (ook de oude) in de nieuwe style te zetten,
dan duw je op save.
Wens je slechts enkele (oude) maten in de veranderde style te
zetten dan klik je in het dimension menu op Update en duidt je de te veranderen
maten aan.
We kiezen bij Format Fit best voor TEXT ONLY. Dit zorgt ervoor
dat de computer zoveel mogelijk de tekst binnen de extension lines houdt.
Handig zijn de maataanduidingen CONTINUE of BASELINE.
Hiervoor moet de spacing van de dimension lines juist staan. Dat
is de afstand (verticaal) tussen de maataanduidingen die boven elkaar staan.
4)
Les 3 : Arceren, view modes, speciale lijnen :
In deze les behandelen we arceringen, de verschillende view modes
en tenslotte enkele lijntypes die ons het werk sterk vereenvoudigen.
We weten reeds hoe een gewone lijn tot een polyline geconverteerd
kan worden.
We kunnen er lijnstukken aan toevoegen met het commando JOIN.
Een handig nieuwtje is een arc te tekenen die aansluit op een
polyline.
Denk maar aan de groef onderaan de raamdorpels ...
Bij het tekenen van de polyline drukken we op A op de plaats waar
de boog moet komen.
- We drukken op D en kiezen de richting van de raaklijn aan de boog in
dat punt.
- We tekenen de boog (manueel of met coördinaten in te typen).
- We drukken weer op L en kunnen verder de polyline afwerken.
We kunnen tevens een LTSCALE instellen die afwijkt van de andere lijnen.
Je kan dus een algemene scale nemen, en een aantal lijnen hiervan
laten afwijken.
De algemene waarden stel je in bij de linetype-icon.
Een afwijkende lijn stel je in met het property-icon.
De property painter is ook handig. Deze laat je toe om de formatering
van lijnen, teksten, en andere over te nemen voor andere. (net zoals in
Lotus)
Het icon staat naast het PASTE-icon.
Er zijn in de ACADLT3 nieuwe lijntypes beschikbaar.
Deze staan in de file LTYPESHPE.LIN en bevatten onderstaande lijnen.
Zo nemen we voor isolatie te tekenen de BATTING-lijn.
We moeten er wel voor opletten dat de LTSCALE juist staat. (Try
& Error !)
We kunnen best de volgende Zoom-modes gebruiken : ZOOM ALL, ZOOM WINDOW
en AEREAL VIEWER (onder het vliegtuig-symbooltje)
De aereal viewer toon een apart kader waarin alle zoom-modes beschikbaar
zijn.
Voor het arceren hoef ik alleen te vermelden dat er geen algemene schaalfactor
bestaat.
Je kiest best schaalfactor 1 om op 1/50 zichtbaar uit te plotten.
Gissen dus ! Doe een ZOOM ALL en beeld je in hoe groot je afgedrukte
tekening is
(A4 => A1) Denk dan hoe groot het patroon mag zijn en bekijk
met preview.
Ook kan je patronen associatief maken. Dit wil zeggen dat het
patroon meeschaalt met de grootte van het verschaalde object.
Een hatch editeren doe je ook met het properties-icon en dan edit
hatch.
Lesbestand 3 van AutoCad ...
5)
Les 4 : Blocks :
Blocks nemen linetypes, en colors van de layers over als je ze
op layer 0 getekend hebt.
Block met entiteiten getekend op layer 0
Dit block invoegen op een andere layer
Het block geeft zich weer zoals de layer waarop we invoegen.
Block met entiteiten getekend op verschillende layers
Dit block invoegen op een andere layer
Het block geeft zich weer zoals de layers waarop het getekend
werd.
Indien dan de entiteiten op verschillende layers getekend was en deze layers
niet aanwezig zijn in het bestand waar we wensen in te voegen... dan maakt
Acad deze automatisch aan.
Wensen we toch de kleuren te veranderen, dan zetten we de kleur
op
Kortom tekenen we alle blocks in units, op de layer 0 met de kleur BYBLOCK.
Bij het invoegen kiezen we dan tussen de kleur van het block of
de kleur van de layer.
Opgelet : Als we een block exploderen keert het terug naar de layer
waarop het gemaakt is !
We kunnen kiezen voor retain object. Hierbij zal het aangemaakte
block niet verdwijnen van het scherm. Anders moet je oops typen of gewoon
het block weer invoegen. Uiteraard schrijven we de aangemaakte blocks best
weg naar een bestand zodat we ze later nog kunnen gebruiken.
Dit doen we met het commando WBLOCK, waarna we de bestandsnaam
typen en vervolgens de blocknaam.
TIP : PROBEER DEZE VERSCHILLENDE SITUATIES ZELF UIT !
6)
Les 5 : DLINE, Stretch :
Dline is een handig commando om dubbele lijnen te trekken, denk
maar aan muren.
Het probleem is dat je de hartlijn tekent van de dubbele lijn.
We kunnen deze hartlijn verschuiven !
Een voorbeeldje :
Ik wens een muur te tekenen van 150 mm dik.
Commando DLINE, width 150, D (dragline) 75 (=1/2 width).
Nu ligt de hartlijn van de gewenste dline op één
van de 2 lijnen. Maar welke ?
Dat hangt ervan af hoe je tekent !!!
Onderstaande tabel toont ons dat een waarde 75 en tekenen van
links naar rechts, ons een lijn tekent die samenvalt met wat we tekenen,
en een die 150 mm boven deze lijn ligt. Tekenen we echter deze lijn van
rechts naar links ligt de tweede lijn onder de getekende lijn.
TIP : Om dit snel te onthouden hanteren we de volgende regel !
We tekenen steeds met een positieve d-waarde.
We tekenen de "binnenlijnen" van een muur in tegenwijzerszin.
De tweede lijn vormt automatisch de "buitenlijn".
We tekenen de "buitenlijnen" van een muur in wijzerszin.
De tweede lijn vormt automatisch de "binnenlijn".
Oefen ook zelf wat het commando stretch allemaal kan.
Bij onze oefening kunnen we er deuren mee verplaatsen in de muur
en de opening meenemen, we kunnen de dagmaat van een raam aanpassen, ...
Lesbestand 5 van AutoCad ...
7)
Les 6 : XREF :
Dit commando laat toe om blocks op een speciale manier in te voegen.
Als je een block invoegt met INSERT BLOCK, dan staat het in de
tekening.
We kunnen met het oorspronkelijke bestand doen wat we willen,
zelfs wissen, het block blijft ongewijzigd.
Dit is erg onhandig als meerdere mensen aan 1 tekening werken
of als een block voortdurend veranderd, terwijl de plaats in de tekening
moet ingenomen zijn.
Neem nu bijvoorbeeld een plan waar een zithoek wordt ontworpen door architekt
nummer 1 en de rest van de kamers door een tweede architekt. Op de server
staat dus de hele tekening.
De tweede archtekt voorziet plaats voor de zithoek door de omtrekslijnen
reeds in te laden uit het nog redelijk lege block "zithoek".
Architekt 2 begint te tekenen. Architekt één werkt
de zithoek af.
Als architekt 2 zijn tekening de volgende keer inlaadt staat de
hele zitkamer erop.
De bouwheer wenst de zithoek aan te passen. Architekt 1 past aan.
De volgende keer dat architekt 1 de tekening opent verschijnt
de vernieuwde zithoek.
We dienen dus wel op te letten dat de file op dezelfde plaats blijft staan.
Uit eenvoud tekenen we dus alles in 1 directory.
Anders kan bij het copiëren naar diskette of andere server
het boeltje onvindbaar worden.
Als dit het geval is zal er bij het openen van de tekening een
foutmelding zijn, en zal het block veranderen in de beschrijving van de
XREF-link (XREF file.dwg)
Opgelet : Je kan een bestaand geïnserteerd block niet meer
Xreffen.
Het moet helemaal gepurged worden vooralleer we dit kunnen.
Ook met vermeld worden dat blocks met attributes niet worden ingeladen
met de vragen (zie les verder) gevraagd.
Wens je toch de verwijzing of link aan te passen dan gebruik je : XREF
- Change Path
Je geeft dan de naam van de XREF in, en geeft daarna de nieuwe
file van het block dat je wilt Xreffen.
Let op, want het eerste is een verwijzingsnaam, het tweede is
een hele bestandsnaam inclusief path !
De verwijzingsnaam is echter nog steeds dezelfde gebleven ! (uiterst
onlogisch !!!)
Opgelet : Een geïnserteerd block kan je ook reloaden.
De file van het block moet hiervoor weer ingelezen worden.
Weer hetzelfde blocknaam kiezen.
AutoCad vraagt nu of de blocks die reeds in de tekening zitten
dienen
geherdefiniërd worden.
Lesbestand 6 van AutoCad ...
8)
Les 7 : TEXT, ATTRIBUTE Blocks :
Er zijn twee soorten teksten in AutoCad.
We hebben Paragraph text en Line text.
|
Soorten tekst
|
Uitzicht
|
Wijzigen
|
|
Line text
|
dtext
|
Uitlijning
|
Inhoud
|
modify - objects - edit text
|
|
Paragraph text
|
mtext
|
Stijl
|
Uitzicht
|
|
|
|
Stijl
|
Alignement :
Zo is middle zeer handig voor een letter dat bijvoorbeeld in een circel
staat (A-meter).
Na verschaling of aanpassing van de style staat alles nog juist
!
Bij paragraph text is de grootte afhankelijk van :
- de hoogte van de tekst
- de breedte van het getrokken kader
Met text style kan je bestaande styles aanpassen, aanmaken van
nieuwe styles, ...
Verschillende soorten fonts :
- TT-Fonts
- Win95 Fonts
- Shapefonts Acad (.SHX)
Van een reeds getypte tekst in een bepaalde style kan alleen het font worden
aangepast in de dialoog van text style. Wensen we de hoogte of breedte
of inhoud van de tekst aan te passen moeten we met het properties-icon
werken.
Opgelet : Het probleem is hier nog steeds dat bijvoorbeeld
een titelhoek op verschillende schalen kan worden ingevoegd als block.
Een goede oplossing hiervoor is een ATTRIBUTE !
Dit is een soort vraag die gesteld wordt bij het invoegen van
zo’n block.
We moeten dus eerst een attribute in een te maken block invoeren.
We bewaren dan dat block.
Bij het invoegen worden ons verschillende vragen gesteld.
Laat ons het voorbeeld nemen van een titelhoek !
Bij schaal, datum, titel moeten steeds andere gegevens worden
ingevuld.
We kunnen dit later manueel in een geëxplodeerd block.
Eenvoudiger is het block aan te maken met attributes.
In het menu DRAW kiezen we voor DEFINE ATTRIBUTE.
We krijgen dan het volgende dialoogvenster :
De tag is de tekst die verschijnt op de plaats waar het attribute staat.
De prompt is de vraag die de computer stelt bij het invoegen van
het block.
De Value zet de computer tussen <> en is de standaardwaarde
of tekst die wordt geplaatst als we niet typen of dus enteren bij deze
vraag.
Als justification nemen we best FIT zodat het ingevulde steeds
in het kader kan.
Als we dan straks op OK duwen, zal de computer het eerste en het
laatste punt van de "FIT-line" vragen.
Opgelet : Vergeet nooit Pick Point te doen of je attribute staat
op (0,0)
Als we in de in te voeren tekening de attributes van het block
snel en overzichtelijk willen invullen typen we best eerst ATTDIA en zetten
deze actief door op 1 te zetten. Nu komen al de vragen in een dialoogkader
tevoorschijn. In LAYER.DWG is dit reeds gebeurd.
De volgorde van de vragen is dezelfde als deze van aanmaken van
de attributes.
Wensen we een andere volgorde te bekomen dan selecteren we alle
entiteiten in de gewenste volgorde bij maken van het block in plaats van
met een kader alles te selecteren in één keer.
Opgelet : Het ingevoegde attribute is weer een geheel.
Wensen we achteraf iets aan te passen, kiezen we modify - objects - attribute
single.
Met properties gaat dit niet !!!
Zo maken we vanaf nu alle blocks aan in drawing units en voegen
ze in met de noemer van de schaalfactor waarmee we wensen te tekenen en
uit te plotten.
VANAF NU IN TKGB EN TKWE MET ATTRIBUTES WERKEN !!!
Lesbestand 7 van AutoCad ...
9)
Les 8 : Plotten van een tekening en info erover :
In AutoCad LT3 is er een mogelijkheid om tekeninginformatie af
te drukken als tekst.
We dienen gewoon de file te bewaren als een DXF-file en deze te
openen met een tekstverwerker.
TIP : De legende van de gebruikte layers is zo, handig en snel afgedrukt
!
Ook een objectlist en de drawing limits zijn snel terug te
vinden.
Het plotten van een file vraagt een speciale manier van tekenen.
Uiteraard wordt elke file in AutoCad wel eens afgedrukt. Onder
afdrukken en afplotten verstaan we hier hetzelfde tekenscenario.
Bij een plotdienst kan men werken met plotfiles of met tekeningen.
Als ze met tekeningen werkt mag je deze indienen op diskette en
zij doen al het nodige. Als men echter vraagt om een plotfile in te dienen,
is er wat meer werk.
Dan dien je de plotterdriver te hebben en alles zelf reeds in
te stellen op voorhand.
Ook vraag je best of men met oversized paper werkt of met welke
margins je rekening moet houden.
Op voorhand bij het tekenen :
- We tekenen op ware grootte, d.w.z. 1 dwu (drawing unit) = 1 cm
- We werken voor de maataanduiding met een overall-scale en geven de
afmetingen
(van de maatelementen zoals maatpijltjes en tekst) in millimeter in.
Zo kunnen we later door alleen de overall-scale te veranderen op een andere
schaal plotten.
- Zo werken we ook met teksten ! We maken best in AutoCad een style aan
met een standaardinstelling om op die schaal te plotten. Vb. Font50 en
Font100, respectievelijk om op 1/50 en 1/100 te plotten.
Wensen we dan later de plotschaal aan te passen, dan veranderen we gewoon
de style.
- We maken een juiste keuze van de layers, vermits de kleuren de pendiktes
bepalen.
- Voor standaardkleuren en diktes : zie pagina 15 in de samenvatting.
Bij het plotten of het voorbereiden :
- We trekken een kader (je kan zelfs 210*297 ingeven en dan een scale
*50 doen)
- We houden wel rekening met margins, tenzij we met "oversized paper"
werken !
"Oversized paper" geeft de mogelijkheid om het volledige formaat
van A0->A4 te gebruiken,
vermits het papier enkele centimeters groter is.
- We stellen de plotter in (type, papiergrootte (zeker bij oversized
paper), pennen,...)
- We selecteren "window" in de printdialoog, en "picken"
deze in de tekening.
- We doen even een preview en plotten daarna naar de plotter, ofwel naar
een file.
x)
Samenvatting :
Op schaal 1/1
|
Formaat
|
Staand
|
Liggend
|
|
|
LowerLeft
|
UpperRight
|
LowerLeft
|
UpperRight
|
|
A4
|
(0,0)
|
(210,297)
|
(0,0)
|
(297,210)
|
|
A3
|
(0,0)
|
(297,420)
|
(0,0)
|
(420,297)
|
|
A2
|
(0,0)
|
(420,594)
|
(0,0)
|
(594,420)
|
|
A1
|
(0,0)
|
(594,840)
|
(0,0)
|
(840,594)
|
|
A0
|
(0,0)
|
(840,1188)
|
(0,0)
|
(1188,840)
|
Om nu een andere schaal te bekomen vermenigvuldigen we de waarden met de
noemer van de breuk van de te kiezen schaal.
Zo wordt een A4 of 1/50 liggend : Limits => (0,0) ... (14850,10500)
We tekenen in millimeter, drukken af op een A4 en bekomen alles
op 1/50.
Om dingen weg te werken => Purge
Deze dingen moeten wel ongebruikt zijn : dus lege layers, ongebruikte
styles, ...
Standaard kleuren en pendiktes opgelegd voor TEKN :
|
Kleur
|
Nr.
|
Pendikte
|
Wat ?
|
|
Rood
|
|
0,18
|
Maataanduiding, arcering
|
|
Geel
|
|
0,35
|
Schrijnwerk
|
|
Groen
|
|
0,35
|
Andere (reserve)
|
|
Cyaan (lichtblauw)
|
|
0,5
|
Muurdoorsneden
|
|
Blauw
|
|
0,7
|
Dikke letters, betondoorsneden, details
|
|
Magenta (paars)
|
|
0,5
|
Beton in aanzicht
|
|
Wit
|
7
|
0,25
|
Tekst
|
|
Lichtgrijs
|
8
|
0,25
|
Meubeltjes
|
|
Donkergrijs
|
9
|
0,25
|
...
|
Deze kleuren zijn reeds opgenomen in het bestand : LAYER.DWG
Wensen we tekeningen te maken met deze instellingen, dan openen
we LAYER.DWG en we bewaren het onder de naam van onze opgave.
Opgelet : We moeten nu ook een soort tabel opstellen voor
de niet zichtbare lijnen.
Zo hebben we Schrijnwerk zichtbaar, schrijnwerk onzichtbaar.
Ze dragen dezelfde kleur en pendikte, echter een ander lijntype.
We gebruiken meestal 4 lijntypen, nl.
- DASHDOT (punt-streeplijn voor hartlijnen)
- HIDDEN (streeplijn voor onzichtbare figuurlijnen)
- DIVIDE (voor andere lijnen)
- CONTINUOUS (doorlopende lijn voor zichtbare figuurlijnen)
Dit is reeds opgenomen in het bestand LAYER.DWG
Om goed zichtbaar te tekenen kiezen we voor de file ACLT.LIN
Layer.dwg ...
Complete zelfgemaakte symbolenbibliotheek ...
Knappe AutoCadtekeningen gevonden op internet ...
Graag
reacties aan : david.verhoeven@advalvas.be
Mail me je eigenhandig gemaakte symbolen gerust door als attachment.
Versie : 26/12/1997
Terug naar overzicht
BACK TO MAIN PAGE