| |
|
Oorsprong - De Adventus Saxonum - Oorlogen tegen de Britten - De zeven koninkrijken OorsprongVan al de migrerende volkeren uit de Grote Volksverhuizing hebben de Angelsaksen ongetwijfeld het meest hun sporen achtergelaten in de gebieden die zij veroverd hebben. De Franken en de Ostrogoten, de Visigoten en de Longobarden hebben allemaal grote gebieden veroverd en regeerden over de autochtone bevolking van Gallië, Italië en Spanje. De Angelsaksen gingen een stapje verder: ze drongen hun taal en cultuur voor eeuwig op in de gebieden die ze veroverden. Men heeft lang geloofd dat de Angelsaksen de Keltische Britten verdreven en zelfs uitroeiden. Engelse plaatsnamen en de Engelse taal vertonen immers een ongewoon gebrek aan Keltische invloed. Nu lijkt het er echter meer en meer op dat de Angelsaksen zich nogal opgedrongen hadden aan de oorspronkelijke eilandbewoners, wiens cultuur stilaan verdwenen is. Er is geen twijfel dat vele Britten het land ontvlucht waren vóór de heidenen naar Strathclyde, Wales, Cornwall en Brittannië kwamen. De Engelsen gaven aan dit volk een verachte naam: 'Welshmen', dat eenvoudigweg 'vreemdelingen' betekent. De Angelsaksen zelf echter bleven zich bewust van hun eigen oorsprong, zelfs eeuwen later. In 738 bijvoorbeeld, zei de Engelse missionaris Sint-Bonifatius tegen de Saksen op het continent het volgende over de Engelsen: "Wij zijn van één bloed en één been" - een feit dat hij gebruikte om zijn broeders te overtuigen om de kerstening van dit nog steeds heidens volk te bevorderen. De Engelsen waren een verzameling van Germaanse stammen - bij de Romeinen gekend als de Anglii, Saxones, Frisii en Jutae - die grote delen van de oude Romeinse provincie Britannia veroverd hadden tussen de vijfde en zevende eeuw. De verzamelnaam 'Angelsaksen' was uitgevonden door de Noormannen, als een wettelijke omschrijving van de volkeren die ze in 1066 hadden overwonnen. De Saksen traden in de derde eeuw op de voorgrond als overvallers van op zee, samen met de Franken. Volgens Ptolemaeüs en Beda kwamen zij uit de gebieden rond de beneden-Elbe. Zij waren sterk verbonden met de Angelen, die direct ten noorden van hen leefden. Blootgelegde graven gaven hechte relaties met de Thüringers en de Franken. Taalkundig gezien zouden de Juten uit Jutland komen, alhoewel archeologisch bewijsstuk uit Kent - waar zij zich hoofdzakelijk gevestigd hebben - een verband met de Ripuarische Franken en ook met Denemarken aantoont. De invallen verhevigden tijdens de vierde eeuw, toen de belangrijkste doelen Brittannië en Noord-Gallië werden. Tezelfdertijd verhuisden de Saksen zuidwaarts richting Holland. De Saksen die niet migreerden naar de Britse eilanden, bleven in deze streek wonen als een onafhankelijke strijdkracht, totdat zij werden onderworpen door Karel de Grote in de achtste eeuw. Minder bekend zijn de Saksische vestigingen in Gallië; de archeologie bevestigt belangrijke woonplaatsen in de buurt van Bayeux in de vijfde en zesde eeuw. ![]() De Adventus SaxonumIn 402 trokken de Romeinse legioenen zich terug uit Brittannië, omdat de leger-aanvoerder Stilicho hen inzette in de strijd tegen Alariks Visigoten in Italië, en de drieënhalve eeuwen van Romeinse heerschappij liepen op hun laatste benen. Barbaarse invallen aan de zuid- en oostkusten, die tot dan toe beschermd werden door de keizerlijke legers van de 'Angelsaksische Kustlijn', begonnen toe te nemen. Vanaf toen zwakte de geschreven geschiedschrijving af en gebeurtenissen werden 'duister' door de chaos en ongeletterdheid van de tijd. Rond het jaar 430 werd Brittannië geregeerd door een militair leider, genaamd Vortigern ('Vawr Tigherne' - de Grote Leider). Volgens de negende-eeuwse historicus Nennius huurde Vortigern Saksische soldaten in om te vechten tegen de binnenvallende Picten en Scoten en om zijn positie te versterken. Volgens een legende trouwde hij de dochter van hun aanvoerder en gaf hen een gebied in Oost-Engeland. Dit hield enkel in dat Vortigern de toegang tot Londen beschermde door daar kolonies van Saksische groepen te stichten, net zoals de barbaren op het eiland tewerkgesteld waren. Archeologische bronnen bewijzen het voorkomen van Saksische vestigingen in Kent en in de buurt van Londen rond deze tijd. De Adventus Saxonum of de komst van de Engelsen, traditioneel gedateerd in 449, duidt waarschijnlijk alleen op de start van het proces waarin Saksische huurlingen en overvallers zich voorgoed vestigden op Britse grond. In 455 kwamen de Saksen in opstand tegen Vortigern, volgens de legende veroorzaakt door de broers Hengist ('Hengst') and Horsa ('Paard'), en stichtten hun eigen koninkrijk in Kent. Maar spoedig stond een groot deel van Oost-Engeland onder Saksische heerschappij. Rond deze tijd vernam Gildas, een schrijver-monnik, dat de Britten boodschappen zonden naar een machtig Romeins legeraanvoerder - waarschijnlijk Aetius - hem smekend om legioenen te zenden om hen te beschermen tegen de invallers. Dit aanzoek, dat bekend staat als het 'gekerm van de Britten', luidde de doodsklok over Romeins Brittannië. ![]() Oorlogen tegen de BrittenDe Britten bleven weerstand bieden maar zij bevonden zich in een benarde positie. Verdeeld onder elkaar, maakten zij zich zorgen, niet alleen over de Saksen, komend van Oost-Engeland, maar ook over de eindeloze invallen van Picten, Ieren en Scoten. Toen de Franken nog kwamen oprukken richting Kanaalkust, werden zij meer en meer afgesneden van de Romeinse wereld, waarvan zij zo lang een deel waren geweest. De weerstand tegen de Saksen werd vanaf ca. 460 geleid door een zekere Ambrosius Aurelianus en daarna, misschien, door een van zijn gouverneurs, Owain Ddantgwyn volgens één bron (Graham Phillips en Martin Keatman, King Arthur: The True Story), die de geschiedenis is ingegaan als de halfmythische koning Arthur. De Saksen, onder leiding van Aelle, waren beslissend aan de winnende hand in de slag bij de Mons Badonicus, waarschijnlijk ergens in Somerset, aan het einde van de vijfde eeuw, daarna werd hun expansie stopgezet gedurende ruim een halve eeuw. ![]() De zeven koninkrijkenAan het einde van de zesde eeuw hadden de groepen zich verenigd tot autonome koninkrijken: Northumbria, Lindsey, Mercia, Hwicce, Midden-Anglia, Oost-Anglia, Essex, Wessex, Sussex en Kent. Eens de Saksen zich hadden bekeerd tot het christendom, raakte de band met het vasteland hersteld. Latere historici duidden op een 'Heptarchie' van zeven koninkrijken vanaf deze tijd (in feite is het eerder een vereenvoudiging van een complexe politieke situatie). In een tweede golf van tochten westwaarts namen Northumbria, Mercia en Wessex het voortouw. Zo werd de autonomie van de Britten ingeperkt tot het gebied dat vandaag Wales wordt genoemd. De definitieve grens tussen de Angelsaksen en de Welshmen werd bepaald aan het einde van de achtste eeuw, toen koning Offa van Mercia zijn beroemde Dike bouwde. Van de zeven koninkrijken worden er drie herdacht - Kent, Sussex en Essex - in de namen van de hedendaagse Engelse streken die overeenstemmen met hun territoria. Terwijl Sussex en Essex de koninkrijken waren van respectievelijk de Zuid-Saksen en de Oost-Saksen, is de naam 'Kent' afkomstig van de Cantiaci - de Keltische stam die er woonde vóórdat de invallers er binnendrongen. Het vierde koninkrijk, dat van de Oost-Angelen, lag in het uiterste oosten van Brittannië, midden in de huidige streken Norfolk en Suffolk - dit gebied wordt nog steeds Oost-Anglia genoemd. De andere twee koninkrijken van de Angelen waren Northumbria en Mercia. Northumbria - het land 'ten noorden van de Humber' - reikte, ten tijde van zijn grootste uitbreiding, in het noorden aan de Baai van Forth en in het westen aan de Ierse Zee. Het koninkrijk Mercia vond zijn oorsprong in de boven- en midden-Trentvallei, maar breidde langzamerhand uit op kosten van zijn buren - de Midden-Angelen, de Magonsæte en de Hwicce - totdat het hele Engelse binnenland ingenomen werd. Op zijn grootst was het begrensd door de Humber in het noorden, de Theems in het zuiden, de Fens in het oosten en de Welsh grens in het westen. Toch was het koninkrijk van de West-Saksen, Wessex, uiteindelijk bestemd om de Engelsen te verenigen onder één kroon. Wessex, dat zijn oorsprong vond in Hampshire en Wiltshire, breidde net zoals Mercia uit op kosten van zijn buren. De maximale grootte van Wessex omvatte heel Engeland ten zuiden van de Theems, uitgezonderd Cornwall. Het was Wessex dat aan het Engeland vóór 1066 zijn grootste vorsten gaf: Alfred de Grote, Edward de Oudere en Athelstan. Werken:
![]() Terug naar boven - Deze pagina afdrukken © 2000, Rien van de Wall Laatst bijgewerkt op 5 juli 2002. | |