| |
|
Oorsprong - Tussen de derde en de vijfde eeuw De Franken waren van alle Germanen veruit het volk dat het minst in aanraking was gekomen met de Romeinse beschaving. Toch bleken zij als enige in staat om op het puin van het West-Romeinse rijk een levensvatbaar koninkrijk te vestigen. ![]() OorsprongEr is voor het eerst sprake van de Franken in het midden van de derde eeuw. Zij zouden echter hun oorsprong hebben gevonden in de late tweede eeuw. Hun naam betekent 'moedig' of 'stoutmoedig', het soort naam dat oorlogsbenden wel eens gebruikten om zichzelf te beschrijven. Deze naam klinkt het geloofwaardigst wat betreft de oorsprong van de Franken: nl. groepen avonturiers die zich verenigden om de beneden-Rijngrens van het Romeinse rijk aan te vallen. ![]() Tussen de derde en de vijfde eeuwDe militaire kracht van de Franken ontwikkelde zich snel in de tweede helft van de derde eeuw. Samen met de Alamannen en anderen begonnen ze tussen 250 en 275 volop het Romeinse rijk binnen te vallen, Gallië platwalsend in 274-275. De Franken verplaatsten zich zowel via de zee als over het land. Zij vielen de Kanaalkusten aan en overvielen het binnenland via de rivieren. Eén bron beweert dat zij zelfs Oost-Spanje binnenvielen en schepen kaapten waarmee ze Afrika binnendrongen. Onder Diocletianus (284-305) versterkten de Romeinen de Rijngrens. Er werd in die tijd melding gemaakt van twee grote groepen: de Ripuarische Franken (ten oosten van Keulen) en de Salische Franken (ten noorden van de Rijn). Keizer Julianus de Afvallige stond deze laatsten rond 358 toe om zich te vestigen in Toxandrië, de huidige Kempen, waar zij in ruil militaire dienst voor Rome moesten uitoefenen. Ze kregen de bescheiden status van foederati binnen het Romeinse rijk. Zij waren halfvrij en gebonden aan het gebied. Hoe dan ook, verscheidene Frankische regimenten werden vermeld in de vroege vijfde eeuw in de Notitia Dignitatum en sommige commandanten van het vierde-eeuwse Romeinse leger waren Frankisch of gedeeltelijk Frankisch van origine. In deze tijd was er geen sprake van enige Frankische macht. De Salische koningen werden vernoemd, maar geen van hen leek effectief of voor lang geregeerd te hebben; het waren eerder bendeleiders en ambitieuze heersers die een meer lucratieve rol speelden in diensten voor het Romeinse rijk. Het was in de periode tussen 420 en 440, toen de grenzen van het rijk in duigen vielen, dat de Frankische leiders grotendeels de macht in handen kregen, hoewel het Romeins gezag nog niet totaal verdwenen was. Het was voornamelijk de Romeinse legeraanvoerder Aetius, die hen verschillende keren had bevochten, maar nadien verbonden met hen sloot én hun hulp inriep bij de slag tegen de Hunnen in 451. Na de overwinning op de Romeinen bij Vicus Helena in 440 werd Chlodio (de Harige) erkend als leider van de Salische Franken en hij kreeg de streek rond Doornik in bezit, van waaruit hij een belangrijke Frankische enclave stichtte. Dergelijke enclaves zouden ook elders opgericht zijn, o.a. in de buurt van Kamerijk en Trier. Het koninkrijk Doornik maakte aanzienlijke vooruitgang tussen 450 en 480. Inmiddels wist het geslacht der Merovingers het Frankische koningschap te monopoliseren. Childerik, zoon van een zekere Merovech (naar wie de dynastie is genoemd) breidde de Frankische invloed uit in West-Gallië tot aan de Somme. Bij zijn dood in 481, werd hij opgevolgd door zijn beroemde zoon Chlodovech, beter bekend als Clovis... De Frankische geschiedenis staat verder beschreven bij De Merovingers en De Karolingers. Werken:
![]() Terug naar boven - Deze pagina afdrukken © 2000, Rien van de Wall Laatst bijgewerkt op 7 juli 2003. | |