De Merovingers

Home
POLITIEK
Introductie

Volkeren
    De Alamannen
    De Angelsaksen
    De Avaren
    De Franken
        De Merovingers
        De Karolingers
    De Friezen
    De Gepiden
    De Goten
        De Ostrogoten
        De Visigoten
    De Hunnen
    De Longobarden
    De Vandalen

Biografieën
    Clovis
    Geiserik
    Karel de Grote
    Theodorik

Strijd
    Casilinum
    Taginae
Sociaal-economisch
Cultureel
Bijkomende informatie
www.vroege-middeleeuwen.tk

Clovis - De Merovingische koningen - De macht van de hofmeiers - Merovingische instellingen

Clovis' zonen

Clovis

Clovis (481-511) ruimde niet alleen zijn rivalen uit de weg; hij verenigde ook alle Franken onder zijn bewind. Bovendien vergrootte hij ook zijn heerschappij over andere volkeren ten oosten en ten westen van zijn gebied. Met zijn overwinningen op de Thüringers en de Alamannen (496) begon de tijd van Frankische overheersing over de Germaanse stammen ten oosten van de Rijn. Zijn overwinning op de Gallo-Romeinse koning Syagrius in Soissons in 486 deed de Frankische hegemonie in Noord-Gallië toenemen. Hij overwon Alarik II bij Vouillé in 507 en dreef de Visigoten terug over de Pyreneeën (behalve uit Septimanië, de kuststrook ten westen van Marseille).

De Merovingische koningen

In tegenstelling tot vele andere Germaanse volkeren, hielden de Franken krampachtig vast aan hun aloude opvatting over 'de staat': zij zagen de veroverde landen als privaat en erfelijk bezit van de koning, dat bij diens dood werd verdeeld onder de zonen. Daardoor leken de koningen hun belangrijkste taak te zien in het bestrijden van elkaar. De geschiedenis van de Merovingers werd aldus een opeenvolging van bloedvergieten en andere schandelijke daden.

Voor Clovis stierf, verdeelde hij, in overeenstemming met de Salische wet, zijn koninkrijk onder zijn vier zonen. Zijn oudste zoon, Theodorik, heerste over Reims, terwijl Chlodomer, Childebert en Chlotarius respectievelijk over Orléans, Parijs en Soissons regeerden. Onderling speelden zij een spelletje van oorlogen en bondgenootschappen, maar voor de uitbreiding van het Frankenrijk sloegen zij de handen in elkaar. In 534 werd Bourgondië ingelijfd, zij legden de Thüringers hun gezag op en verkregen in 536 de Provence van de Ostrogoten. Ca. 540 reikte de Frankische heerschappij tot aan de midden-Donau.

In 558 overleefde Chlotarius zijn broers en zo werd het rijk voor een korte periode herenigd: in 561 werd het rijk opnieuw verdeeld, ditmaal in Neustrië (noordwesten), Austrasië (noordoosten), Aquitanië (zuidwesten) en Bourgondië (zuidoosten). In de daaropvolgende periode vond o.a. de beruchte bloedvete plaats tussen de Austrasische koningin-moeder Brunhilde en de gifmengster Fredegonde, die zich had opgewerkt tot koningin van Neustrië. Door de aanhoudende gruwelijkheden vervreemden de vier deelrijken van elkaar en steeg de macht van de lokale aristocratie zienderogen.

Ook al waren Chlotarius II (614-629) en zijn zoon Dagobert I (629-639) in staat nog een laatste maal alle Franken onder één kroon te verenigen, zij konden de Merovingische eer niet meer redden. Dagoberts opvolgers werden marionettenkoningen, die dansten naar de pijpen van de feitelijke machthebbers: de hofmeiers.

De macht van de hofmeiers

De hofmeiers (maiores domus), aanvankelijk het hoofd van de koninklijke hofhouding, werden vanaf het midden van de zevende eeuw, behalve de bewindvoerders, ook de vertegenwoordigers van de verlangens van de adel. Dit is een tendens die merkbaar was in alle deelrijken.

Al vlug traden de hofmeiers van Austrasië - naar hun voorvader Pippijn I van Landen de Pippiniden genoemd, en later de Karolingers naar Karel Martel - op de voorgrond. In de slag bij Tertry (687) wist hofmeier Pippijn II van Herstal zijn Neustrische rivaal uit te schakelen. Zo werd hij de machthebber in het ganse rijk. Zijn veroveringen in Friesland gingen gepaard met missiewerk: zo ontstond er een nauwe samenwerking met de Angelsaksische zendeling Willibrord.

Toen Pippijn II in 714 stierf, werd hij opgevolgd door twee onmondige kleinzoons. Deze crisis gaf ondermeer de Friese 'koning' Radbod de mogelijkheid om de Frankische veroveringen in zijn gebied ongedaan te maken. Spoedig herstelde Karel Martel (de 'strijdhamer'), een bastaardzoon van Pippijn, de macht. Het bondgenootschap met de Kerk beleefde onder zijn bewind echter een dieptepunt. De drievoudige roep van de paus om hulp tegen de Longobarden negeerde hij straal; de missionarissen Willibrord en Bonifatius moesten van hem evenmin steun verwachten. In plaats daarvan moest hij het rijk verdedigen tegen invallen van de Avaren en de Arabieren. Deze laatsten rukten na hun verovering van het Iberisch schiereiland gestaag op naar het noorden. Karel slaagde er echter in hun opmars te stuiten in een veldslag die verkeerdelijk bekend staat als die van Poitiers in 732, maar in feite enkele jaren later plaatsvond nabij Tours. Hiervoor had hij een zwaarbewapend ruiterleger van getrouwen nodig, die hij moest vergoeden met grond, de meest efficiënte vorm van beloning in de geldarme economie van de Vroege Middeleeuwen. Ook kerkelijke landgoederen bleven daarvan niet gespaard. Met deze strijd hield eindelijk het geruzie tussen de adel op, en werd Karel onbetwist heerser over de Franken.

Karels regering, een ware nachtmerrie voor de Kerk, eindigde in 741. Meteen zette men een concilie op poten, waarin de kerkelijke gebieden die Karel indertijd geconfisqueerd had, ter sprake gebracht werden. Ze teruggeven zou de hele militaire organisatie overhoop gooien; ter compensatie werd de tiendenheffing verplicht: de Kerk mocht voortaan één tiende van de oogst op de domeinen voor zich opeisen. Dit gebruik hield gedurende de ganse Middeleeuwen stand.

Karel Martel werd opgevolgd door zijn twee zoons Pippijn III en Karloman. Deze laatste besloot enkele jaren later om zich terug te trekken in het klooster van Monte Cassino in Zuid-Italië. Hoe Pippijn koning werd en daarmee stichter van de Karolingische dynastie, leest u bij De Karolingers.

Merovingische instellingen

Het Merovingische rijk was privaat en erfelijk bezit van de koning. De idee van de Frankische 'stamleider' bleef leven: het koningschap berustte op de verovering van grondgebied, de lange haardracht was nog steeds een symbool van de koninklijke macht, en hij kon lezen noch schrijven. De Merovingische vorst was een despoot: zijn macht was absoluut en alomvattend; door het aanstellen van bisschoppen had hij zelfs invloed op de Kerk. Op zijn sterfbed verdeelde hij het rijk onder zijn zonen.

De volksvergadering van weleer werd in stand gehouden, met deze wijziging dat - wegens de toegenomen omvang van het rijk - niet meer álle vrije mannen, maar enkel de aristocratie werd uitgenodigd. Deze samenkomsten vonden gewoonlijk plaats in de lente, wanneer het leger werd bijeengeroepen (het marsveld), en dienden om de wil van de koning aan zijn volk mee te delen. Met het verdwijnen van het vorstelijk gezag raakte ook deze gewoonte in onbruik.

De Merovingische koning had geen vaste verblijfplaats, maar trok met zijn hele entourage van villa naar villa. De hofmeier stond in voor het beheer van de hofhouding. Deze bestond uit o.a. de seneschalk (de oudste knecht), een stalknecht, een schatbewaarder en een schenker. De vorst omringde zich met een heuse lijfwacht en enkele geestelijken, die instonden voor de eredienst aan het hof. Samen met de paltsgraaf zat hij ook zijn mobiele rechtbank voor.

Het rijk was verdeeld in graafschappen, die in het zuiden samenvielen met de vroegere Romeinse civitates en in het noorden vaak met het grondgebied van een stamgroep. De graven werden aanvankelijk benoemd uit het paleispersoneel, maar geleidelijk meer onder de plaatselijke grootgrondbezitters. De benoeming gebeurde vaak samen met de uitreiking van een beneficium: dit hield in het vruchtgebruik van een onroerend goed, of een opname onder de getrouwen van de koning. Er werd geen controle op hen uitgeoefend, waardoor zij ongestraft de wreedste misdaden konden begaan. Naast graafschappen ontstonden er, naarmate de koningen zwakker werden, ook hertogdommen onder leiding van legerleiders of duces.

De geleidelijke barbarisering van Gallië in de Merovingische periode was ook merkbaar in de rechtspraak. Hierin gold oorspronkelijk het personaliteitsbeginsel: elkeen werd geoordeeld volgens het gewoonterecht van zijn volk; Gallo-Romeinen naar het Romeins recht. De praktische toepassing hiervan zorgde soms voor moeilijkheden. Met de uitbreiding van het Frankenrijk werden ook de gewoonterechten op schrift gesteld. In zulke wettencompilaties (bijvoorbeeld de Lex Salica uit het begin van de zesde eeuw) stond zorgvuldig opgetekend hoeveel schadevergoeding - het zogenaamde 'weergeld' - de familie moest ontvangen wanneer een van haar leden lichamelijke schade werd berokkend. In de praktijk ging men echter al gemakkelijk over tot bloedwraak, een minder omslachtig middel om de zaak af te handelen.

Het Romeinse belastingsstelsel werd nog lange tijd in ere gehouden, alleen kwam al het geld nu terecht in de koninklijke schatkist. Het geld diende om de trouw van de onderdanen te behouden: het was een eerste vorm van feodaliteit.

Zie ook: Clovis.

Werken:

  • W. Blockmans & P. Hoppenbrouwers; Eeuwen des onderscheids (2002)
  • Mark Furnival; Dark Age Web (1996)
  • M. Huig e.a., Aula Eeuwboeken - De Middeleeuwen (1994)
  • Christian Papeians; Kunst en beschaving - De Middeleeuwen 1 (1991)
  • Prof. W. Lourdeaux & prof. D. Verhelst; Geschiedenis van de Middeleeuwen (1983)
  • H.P.H. Jansen; Geschiedenis van de Middeleeuwen (1978)

Terug naar boven - Deze pagina afdrukken

© 2000, Rien van de Wall

Laatst bijgewerkt op 16 augustus 2003.