Geschiedenis van de Goormolen te Turnhout (4)

                   

De molen van het schoenmakersambacht
Diefstal op de Goormolen
De Franse tijd
De negentiende eeuw
De omgeving
Epiloog

Aflevering 4"De Belgische Molenaar - Levende Molens" - 74e jaargang -22 mei 1979.


 

 
Het onderhoud

De rentmeester was voortdurend in de weer voor het onderhoud van de molens. Meesters werklieden van de hertog kwamen van buiten de stad, meestal van Brussel naar Turnhout om herstellingen te doen. Hout werd gehaald in het Grotenhoutbos, eveneens tot het domein behorend. Geregeld moesten ook molenstenen vervangen worden.

 Enkele cijfers

Bij de overgang van Turnhout naar de koning van Pruisen werd medegedeeld dat de Goormolen opbracht:

 

1665

1043.10

1666

 905.00

1667

 905.00

1668

 905.00

1669

697.00

1670

697.00

1671

697.00

1672

928.10

1673

928.10

1674

928.10

 

             8.636.00GULDEN

 

De Lokerenmolen bracht in dezelfde periode 9.301,2 gulden op. De molen van Oud-Turnhout 7285,5 deze van Gierle 6.812, deze van Wechelderzande 4702 en deze van Lille  8366.10 gulden.

                                                                                                                                                          Terug naar overzicht
 


De molens van het schoenmakersambacht.

Aanvankelijk placht de watermolen  van Oud-Turnhout schors te malen van Bamis tot half maart. Deze molen was echter teniet gegaan  en werd afgebroken toen de windmolen van Oud-Turnhout werd opgericht. Van dat ogenblik af  kregen de schoenmakers van de Hertog het privilegie om in oktober en november schors te laten malen op de Goormolen. Vaak waren de molenaars onwillig maar toch werd telkens begin oktober de Goormolen “ Gesteld tot schorse ende (einde november) wederom tot coren”. Nochtans zo zeggen de rekeningen wanneer

“deur stilte van  winde geenssints mogelyck en waere dat geduerende de voirsc, twee maanden dambacht van de schoenmaekers huere schorsse nyet affgemaelen en conste gewordden. In welcke gevallen, sal de pachter (van de Goormolen) gehouden syn, ten advys van den Rentmeester by merckelycke nootsake de moelen totter schorse te repareren metten ierste winden om den voirse .ambacht te gerieven”.

De pachter mag daarvoor slechts zijn normaal loon vragen en moet zijn gereedschap dienaangaande in orde houden.

                                                                                                                                                         Terug naar overzicht


Diefstal op de Goormolen (1536-37)

De rekeningen van 1536-37  van de Turnhoutse schout maken melding van het stelen van koren op de Turnhoutse windmolens door Hendryck Jan Sleden zoen. De schout deed de dief omwille van zijn misdrijf  folteren zonder voorgaande informatie. De beul van Breda, een regelmatige bezoeker van onze vrijheid, folterde de misdadiger en kwam zo te weten dat hij drie maanden tevoren in Tilburg had gevangen gezeten wegens identieke feiten. Te Tilburg was hij ter dood veroordeeld geworden, doch er was nadien een minnelijke schikking en gratieverlening gebeurd. In Turnhout kende men geen genade. De beul van ’s Hertogenbosch deed de ophanging aan de galg. Tevoren werd de pastoor van Sint-Pieter geïnviteerd

“om zijne biecht te hooren ende anders en selven te informeren ter behoudingen ende devotien synder sielen”.

De ter dood veroordeelde bleef obstinaat weigeren en daarom werd er een tweede pastoor, deze van het begijnhof bijgeroepen

“om dezen misdadiger te moegen bringen op een goed propoest tot zijn der zielen salicheit”.

Na vier dagen intense activiteit hadden de geestelijken succes want vermits “de delinquent geëxecuteerd ende gestorven is als een cristen mensch” kregen de pastoors een gelderse ryder.

Zoals men gewoon was nodigde de schout de zeven schepenen en de gerechtsdienaars uit in een wijnhuis te Turnhout na de ophanging. Voor drank en spijzen betaalde de schout  aan de waard van De Roose vijf gulden.

                                                                                                                                                         Terug naar overzicht


De Franse tijd

Tijdens de Franse tijd werden de bezittingen van o.a. afgeschafte kloosters, domeinen, gilden, pastorijen enz.. volgens de republikeinse wetten van 16 Brumaire en 2 Fructidor jaar V en van 26 Vendemiaire en 27 Brumaire jaar VII. Daaronder ook de bezittingen van het Turnhoutse domein waarbij o.a. het kasteel, het molenhuis enz,..in de verkoopsaffiches aangeduid als vootkomend van den uitwijkeling De pestre”. Ook de verkoop van de Turnhoutse molens werden op deze “Affiches de Ventes des Biens nationaux”  aangekondigd, een eerste maal op 12 februari 1799 en een tweede maal op 22 oktober 1804. op de laatste koopdag werden voor Turnhout aangeboden: art.1 een huis van den Heer De pestre, geweezen emigrant, art. 2 de lokerenmolen (door de expert geschat op een jaarlijks inkomen van 1000 fr. En een kapitaal van 12. 000 fr.) art. 3 de oranjemolen (jaarlijks inkomen 900 fr. En kapitaal 10.800 fr.) art. 4 de Goormolen, waarvan seffens meer, art. 5 de Oud-turnhoutse molen (jaarlijks inkomen 900 fr. Kapitaal 10.800 fr.) art. 6 De Rosmolen (jaarlijks inkomen 160 fr. Kapitaal 1920 fr.).

Onze Goormolen wordt als volgt beschreven: “ Een plein van 19 ares 73 centiares, de wegen daeronder begrepen, waerop staet eene steenen molen, Oosthoven genaamd, op de eerste verdieping, omringd van eenen houten galerij, nevens eene houten stalling voor vier paarden, afkomstig van den Heer De pestre, geweezen emigrant. Belend ten oosten een stuk land van den Heer van Hal, ten zuiden de weg van Ravels naer Turnhout, ten westen een stuk land van de weduwe van Mechelen, ten noorden een stuk land van den Heer Robert. Bewoond door de weduwe Valentijn, volgens huurcedule van 3, 6 of 9 jaeren, eindigende den 12den nivose van ’t jaar 13.

Door den expert geschat op een jaerlijks inkomen van duizend francs en een capitaal van twaalf duizend francs, dus… 12.000.


                                                                                                                                                          Terug naar overzicht


De negentiende eeuw

Alhoewel vermoedelijk niet alle artikels werden verkocht gebeurde dit wel met de Goormolen. Hij kwam in het bezit van Alexander Josephus Dela Roche de Marchienne, van beroep rentheffer. Iemand dus, die leefde van opbrengst van de verpachtingen van zijn eigendommen. Hij was volgens het kadaster woonachtig te Harvinghs. Hiermee kan niets anders bedoeld zijn dan de Henegouwse gemeente Harveng. Op het grondgebied van Harveng bestonden twee heerlijkheden waaronder deze van Marchienne, op het einde van de achttiende eeuw in het bezit van de familie de la Roche. De Goormolen was niet het enig bezit van Alexander Josephus te Turnhout. Hij was bovendien eigenaar van de andere Turnhoutse molens, inclusief de Rosmolen en de molen van de Vraneakker en van heel wat grond. Naar alle waarschijnlijkheid had hij de molens verpacht, doch de namen van de pachters zijn mij onbekend. Rond, 1850, de juiste datum staat niet vermeld in het kadaster verkoopt onze Henegouwse edelman de Goormolen aan Jan de Jongh, een molenaar geboren in poppel op 12 maart 1793. Hij was gehuwd met een De Beer en zou sterven te Turnhout op 15 mei 1872. In 1879 verkocht de familie De Jogh de Goormolen. Volgende advertentie verscheen in “de Kempenaar” van 3 mei 1879.

De nieuwe eigenaar werd Frans Van Hooghten-Proost. Als molenaar werkte bij hem vermoedelijk Christiaan Nefkens, welke op 3 januari 1894 openbaar verkocht een verzameling huis- en herbergmeubelen alsmede boeren- en molenaarsgerief (3 grote zeilen, partij kammen, handpelmolen, reepen, slagkoorden, banden, bouten, verscheidene rijnen, grote partij ijzerwerk..)

De weekbladen maakten ook af en toe melding van kleine ongevallen op de Goormolen. In een nummer van 29 septmber 1899 schreef een journalist dat donderdagmorgen (29-9) een reep brak op de Oosthovense molen, waardoor een zak meel van 30 kilo het been van het vierjarig kindje van Victor Wouters verbrijzelde. De geneesheren Goffin en Huybrechts oordeelden een afzetting noodzakelijk, doch de ouders wilden tot de operatie niet laten overgaan.

Op dinsdagavond 20 november 1906 viel de zoon van  molenaar Karel Lenaerts van de gaanderij op een kruiwagen. Bewusteloos werd de jongen naar zijn woning gevoerd. Meteen kent U ook de nieuwe bezitter van de molen:  de familie Lenaerts-Gers. In 1934 werd de molen en aanhorige gebouwen (huizing, herberg-café, tramhalte, poort, open plaats, stenen graanwindmolen met aangebouwde machine kamer enz.. openbaar te koop gesteld om zoals het heet  “uit verdeeldheid te treden. Het bezit bleef in de familie, want Charles Louis Bavo Lenaerts kocht de molen. Deze verkocht op zijn beurt zijn bezit in 1949 aan de familie Van de Vliet.

                                                                                                                                                               Terug naar overzicht




                                                                                         Terug

De omgeving

Tot in 1771-1778, jaar waarin Ferraris zijn bekende militaire kaarten tekende, enkel omringd door de aanpalende en bijhorende woningen en bedrijfsgebouwen, ongeveer halverwegen tussen de stad Turnhout en meer bepaald de Theobalduskapel en het toen reeds vrij druk bewoonde gehucht Oosthoven. Tijdens de negentiende eeuw werd de Oosthovensesteenweg stilaan volgebouwd. Daarbij kunnen we ondermeer vermelden de zg. Oosthovense Hof, vlakbij de molen, het buitenverblijf van de schuttersmaatschappij “den Edelen Handboog” opvolger in 1808 van de door de Fransen afgeschafte Sint- Sebastiaansgilde. In 1832 bracht de maatschappij haar oefenterrein over naar de Steenweg op Oosthoven. Tijdens de negentiende eeuw kregen we arbeiderswoningen, in 1874 de fabriek Meses-Goris en hovenierderijen. Als namen van woningen kennen we de huizen “De Verkeerde  Wereld”, Den Diepenstal”, De vijf klinken”

Daartussen nam onze Goor- of Oosthovenmolen een ereplaats in.

                                                                                                                                                             Terug naar overzicht

 

 


Epiloog

Dit duurde tot in 1953  de molenwieken van de met houten gaanderij werden afgehaald. Ze werden verkocht aan de molen van St. Annaplage van Antwerpen. Nadien werd ook de gaanderij afgebroken. Na de glorie van een belangrijke molen zowel op historisch, sociaal en economisch vlak kwam het verval. Wij hopen dat dit een omkeerbare  evolutie is en dat de Goormolen ooit opnieuw de wind in de wieken moge krijgen.

 

   Harry De Kok
  
Stadsarchivaris


Terug naar overzicht