De vorming van het Franse werkwoord

Inleiding

De vorming van het Franse werkwoord is een lastige materie voor velen. Nochtans zit er een duidelijke logica in de structuur van de verschillende tijden en die opbouw zal je hopelijk iets duidelijker worden aan de hand van deze site. Voor elke tijd is er een gedeelte waarin de vorming wordt uitgelegd, met eventueel het waarom erbij zodat je alles makkelijker kan onthouden, en vervolgens krijg je van elke regelmatige werkwoordsoort een voorbeeld in die tijd. Zo heb je tijdens het maken van je oefeningen een handig hulpje. Er komen vier onregelmatige werkwoorden voor in het lijstje, omdat die voor de vorming van sommige tijden nodig zijn: 'ętre' ('zijn'), 'avoir' ('hebben'), 'aller' ('gaan') en 'venir' ('komen').

Veel succes!

Een overzichtje van de tijden

De gewone tijden staan links: 'les indicatifs'. In een tweede kolom vind je de voorwaardelijke tijden (de zou-vorm): 'les conditionnels'. De derde kolom staat voor de bevelende wijs en een laatste kolom wordt alleen in welbepaalde gevallen gebruikt, bijvoorbeeld na sommige voegwoorden of in speciale constructies.

Voor de vorming van enkele werkwoordstijden heb je de infinitief (l'infinitif) of het deelwoord (le participe) nodig. Wat die twee inhouden, wordt nog eens apart uitgelegd.

Het verre verleden
indicatif plus-que-parfait

Het verleden
indicatif imparfait                 conditionnel passé                                             subjonctif passé
indicatif passé composé
indicatif passé récent

Het heden
indicatif présent                    conditionnel présent        impératif présent        subjonctif présent

De toekomst
indicatif futur proche
indicatif futur simple

De voorbije toekomst
indicatif futur antérieur

Welke soorten werkwoorden zijn er?

De Franse werkwoorden zijn onderverdeeld in drie grote categorieën:

  • op -er
  • op -ir
  • op -re

  • Bij de werkwoorden op -ir heb je twee types: type 'finir' en type 'sentir'.
    Al die soorten worden per tijd apart behandeld als er verschillen zijn tussen hun vervoegingen.
    Verder heb je nog de wederkerige werkwoorden - waar 'se' ('zich' of 'elkaar') voor staat - en de onregelmatige werkwoorden, die zoveel verschillende regeltjes volgen dat je ze beter vanbuiten leert. Wel zal je gemakkelijker een structuur terugvinden in de onregelmatige werkwoorden als je de regelmatige werkwoorden goed kent.

    Hoe ga je te werk?

    De meest logische volgorde die we je dan ook aanraden omdat ze de verschillende tijden het vlotst op mekaar laat aansluiten, is deze:

    1. 'afwijkingen' bij de schrijfwijze
    2. indicatif présent
    3. indicatif futur proche
    4. participe passé
    5. indicatif passé composé
    6. impératif présent
    7. indicatif futur simple
    8. indicatif passé récent
    9. indicatif imparfait
    10. conditionnel présent
    11. subjonctif présent
    12. indicatif plus-que-parfait
    13. conditionnel passé
    14. indicatif futur antérieur
    15. participe présent
    16. subjonctif passé