*****

ATELIERSCHILDERKUNST

Rubens, Van Dyck en Jordaens hadden de leiding over een belangrijk atelier. In de 17de eeuw had een schilder het recht een doek te ondertekenen, dat niet helemaal door hemzelf gemaakt was. Er heerste in dergelijke ateliers een bepaalde werkverdeling. We weten dat Rubens dikwijls de schets maakte van een gegeven opdracht of eenvoudigweg een tekening, met wat kleur opgewerkt. Het ontwerp werd dan door de leerlingen op het paneel overgebracht of vaker nog op het doek, dat bij ons fijn geweven was, terwijl de Italiaanse variëteit grover was, een feit, dat ons in staat stelt bepaalde werken van Van Dijck te dateren.

Zodra de schets definitief op het doek was gebracht, werd aan de uitwerking ervan begonnen. Deze werd slechts aan de knapste leerlingen toevertrouwd of aan medewerkers die gespecialiseerd waren in het schilderen van achtergronden, landschappen, dieren, bloemen of vruchten. Bij het herlezen van contracten van Jordaens kan men constateren dat het officieel was toegestaan dat de meester het werk ondertekende, nadat hij er verbeteringen op had aangebracht en het voltooid had. De contracten van Rubens waren zelfs nog uitvoeriger. Heel dikwijls staat er in een museumcataloog vermeld, dat een bepaald schilderij is aangevuld door een bepaalde meester, wat wil zeggen dat hij figuren of bijzonderheden aan het werk van zijn collega heeft toegevoegd. In zo'n geval worden dan de namen van de betrokken kunstenaars vermeld. Dit contact van de schilders onderling in zo'n atelier moet wel bijzonder stimulerend gewerkt hebben. Immers, al deze kunstenaars kenden elkaar, hadden waardering voor elkaars werk en waren elkaar onderling behulpzaam. Wederzijds schilderden ze elkaars portretten (cfr. Snyders, Maarten Pepijn en Duquesnoy, door van Dyck geschilderd). Sterker nog, ze trouwen in elkaars familie, want het geval van Jordaens met Catharina van Noort, staat niet alleen; het gebeurde zelfs zo vaak, dat onze Antwerpse school en onze Brusselse en Waalse school tenslotte één grote familie gingen vormen, die zich in dienst stelde van de kunst.

Jan Wildens, de grote landschapschilder, omschrijft Rubens in zijn huwelijkscontract als Pedro Paulo Rubens, mijn goede vriend. Er is ook nog de Fluwelen Bruegel, de schoonvader van Teniers, en Snyders, die trouwde met de zuster van de gebroeders Cornelis de Vos en Paul de Vos. (Artis Historia)

*****

AVERCAMP

Hendrik

bijgenaamd de Stomme van Kampen

Nederlands schilder

25.01.1585 Amsterdam - 1634 Kampen (begraven voor 15 mei)

Te Amsterdam was hij een leerling van Peter Isaacsz. Daarna was Avercamp uiterlijk in 1613 weer te Kampen, waar zijn vader apotheker was. Over eventuele contacten met Vlaamse meesters als D. Vinckboons en G. van Coninxloo tijdens zijn verblijf te Antwerpen is niets bekend. De aard van zijn werk maakt hem echter tot op zekere hoogte tot voortzetter van de traditie van de kring van Bruegel. Zijn werken zijn echter soberder en atmosferischer.

Avercamp schilderde bijna uitsluitend winterlandschappen, waarin de grote witte ijsvlakte meestal tussen de perspectivisch wijkende oevers van een grote rivier ligt, de verre in het tafereel vrij hoge horizon in witte nevelsluiers verdwijnt en een enkele boom en enige huizen, molens of tenten de coulissen liggen. Het ijs is steeds rijk gestoffeerd met schaatsrijders, spelende kinderen, enz. De pittig getekende figuurtjes vertonen verwantschap met die van E. van de Velde.

Naast schilderijen zijn diverse tekeningen bewaard. Zijn werk, dat vooruitloopt op o.a. Aert van der Neer en Jan van de Cappelle, behoort tot het belangrijkste dat de vroege Hollandse landschapschilderkunst heeft voortgebracht. Zeer verwant met Avercamps schilderijen zijn die van zijn neef Barent en die van A. Arentsz. (Summa)

Jeugdschrijfster Thea Beckman publiceerde in 1992 een roman over Avercamp, met als titel "de stomme van Kampen". Aanbevolen lectuur (uitg. Lemniscaat).

 

 

AVERCAMP, Winterlandschap met schaatsers, ca. 1608, olieverf op paneel, 78x132, Rijksmuseum Amsterdam, Museumstraat 1, 1071 XX Amsterdam

Verstilde weergave van ijzige kou. (dhk)

Onder de lage hemel van een winternamiddag zien wij dit vrolijke landschap, bezaaid met bootjes, kale bomen en een menigte mensen die zich overgeven aan de vreugden van een eenvoudig leven. Avercamp schilderde liefst schaatsscènes en is veel scheutiger met levendige details dan zijn tijdgenoot Jan Bruegel, zoals spellen op het ijs, sleden door paarden getrokken en het gewriemel van de druk bezige mensen. De nauwkeurige weergave van de omringende natuur is zeer karakteristiek voor de 17de-eeuwse Hollandse schilderkunst. (Scala dia)

Eén van de opvallende kenmerken in de Nederlandse landschapskunst van de 17de eeuw is een voorkeur voor de meest statische momenten in de natuur, de late zomer en de winter. Wintergezichten waarmee Pieter Bruegel in Vlaanderen ca. 1560-68 zijn grote roem heeft behaald, zijn Avercamp waarschijnlijk niet onbekend geweest. Maar de talrijke mensen die op en bij het ijs zijn neergezet, zijn veel minder bij de ijzige atmosfeer en de armoede die de winter meebrengt betrokken, dan de figuren van Bruegel. Avercamp leefde in een andere, iets minder gespannen tijd en misschien was het feit dat hij doofstom was, de oorzaak dat hij met een zekere nieuwsgierigheid om zich heen zag. In zijn vrij gedetailleerde tekeningen is meer aandacht aan de menselijke verschijningen besteed dan in de meeste schilderijen. Hier zijn zij ondanks een uitvoerige vertelling, waarbij verschillende houdingen en kostuums worden aangeduid, toch volledig deel van het landschap. Hoe natuurlijk dit ook schijnt, men kan toch niet uitmaken of het ondergelopen land of een rivier was. Hij combineerde elementen thuis op zijn atelier die hij buiten had bestudeerd. Hij stelde a.h.w. een film samen en bevredigde daarmee eenzelfde behoefte, waaraan nu het filmjournaal voldoet. Hij is echter voor alles een verfijnd colorist, die er in dit schilderij uitnemend in is geslaagd de eindeloze vlakte te suggereren, waar de mensen in de verte in een waas worden opgelost. De bomen hebben niets van de uniformiteit waarmee vele winterschilders de kale takken tegen de lucht doen afsteken. Zij hebben toch iets levends, ook door de verschillende tonen in de schors, het best waarneembaar in de knotwilg op de voorgrond. Bruinige grijze, rozige tonen, iets blauws, worden gebruikt voor de gebouwen, die vooral in de huizen in de verte mooi harmoniseren met het wit dat vele schakeringen bezit. De indruk van vrolijkheid wordt niet gewekt door de mensen, maar vooral door het rood dat de schilder speels over de compositie verdeelde. Gezichten heeft hij nauwelijks getekend en ook de bewegingen drukken geen vrolijkheid uit. De hoge horizon duidt vooral aan dat het begrip van het landschap belangrijker was dan weer te geven wat hij vanuit zijn standpunt kon waarnemen. De neiging tot perspectivische, verstandelijke constructie is wel aanwezig, doch wordt niet helemaal doorgevoerd. Dat gebeurt eerst bij de iets jongere generatie. (Rijksmuseum Amsterdam, schilderijen, p. 23)

*****

AZTEEKSE KUNST

De kunst van de Azteken, m.n. de steensculptuur, stond in dienst van de religie. Een terugkerend motief in hun kunst is de angst voor de nabije ondergang, die vaak zeer expressief is uitgebeeld. Tijd om de van Tolteken, Mixteken, Totonaken en anderen overgenomen kunst tot nieuwe bloei te brengen, hebben de Azteken blijkbaar niet gehad. In beeldende kunst en wetenschap waren zij, ondanks hun onbetwistbaar technisch meesterschap in steensnijkunst, goudsmeedkunst en beeldhouwkunst, epigonen. De rijpe beeldhouwkunst van de Maya hebben de Azteken nimmer bereikt, evenmin als de monumentaliteit van de Tolteken en de levendige, naturalistische schilderkunst en de keramiek die in Teotihuacán is gevonden. In de stedenbouw echter waren zij origineel. De steden waren volgens een vast plan aangelegd; vanuit een grote centrale plaats liepen de straten in een radiaal patroon. Bij de bouw van terrassen en woonhuizen werden in de zon gedroogde leem en hout gebruikt, de daken waren van riet dat met pek waterdicht was gemaakt. De grote trappiramiden, tempels en paleizen waren voor een groot deel van steen en hadden cementvloeren, een uitvinding van Olmeken en Tolteken. De 25-trapspiramiden waren gemiddeld 40 m hoog; hierop stonden de naar verhouding kleine tempels en de schedelrekken.

Archeologische opgravingen (tussen 1978 en 1982) in het centrum van Mexico-Stad hebben dat deel van het ceremoniële centrum van Tenochtitlan blootgelegd waar de dubbele piramide stond, bekend als Templo Mayor. Deze piramide was gewijd aan Huitzilopochtli en Tlaloc. Bij de opgravingen is veel archeologisch materiaal te voorschijn gekomen, waaronder de spectaculaire sculptuur van Coyolxauhqui, de maangodin en zuster van Huitzilopochtli die door hem gedood werd. Verbluffend is dat de Azteken zelf een omvangrijke collectie archeologische voorwerpen bezaten van culturen die vóór hen gebloeid hadden. Deze voorwerpen bleven hun ceremoniële en prestigieuze waarden houden. (Encarta 2007)

 

 

Dodenweg van Teotihuacan met de Piramiden van de Zon en de Maan (blik naar het zuiden),

Teotihuacan, ceremonieel centrum,

Vooral uitgebreid tijdens de Tzacuallifase (50-150 n.C., Eerste Tussenperiode 10). Er woonden ongeveer 90.000 mensen in de stad. Het systematische basisplan van de stad dateert uit die periode. De stad had een oppervlakte van 20km² en was geconcentreerd rond een noord-zuid- en een oost-westas. De noordelijke arm van het hoofdstratenkruis wordt Calle de los Muertos (Dodenweg) genoemd. De breedte bedroeg 50-60 m, de lengte van het centrum tot aan de Piramide van de Maan 2,5 km. Aangezien het terrein naar het noorden steeg, waren er occasioneel trappen of terrassen aanwezig. Tezelfdertijd werden er langs de Dodenstraat kleine platforms opgericht die waarschijnlijk tempels van vergankelijk materiaal droegen.

De grootste onderneming van deze tijd was echter de bouw van de zogenaamde Piramide van de Zon, ten oosten van de Dodenweg: hoogte 65 m, oppervlakte 225m², inhoud ca. 1.100.000m³ (ongeveer de helft van de inhoud van de Piramide van Cheops). Ze is, afgezien van de vijfde trap en enige kleine aanbouwsels, in één werkfase geschapen en is niet, zoals bijna alle andere Mexicaanse piramides, pas door vele ommantelingen tot haar grootte gegroeid. Ze behoort tot de grootste piramides van het dal. Ze is gebouwd met in de zon gedroogde blokken leem (adobe) en aan de buitenzijde met steen bekleed. Hoe ze er oorspronkelijk uitzag is niet bekend, wegens een onjuiste reconstructie uit 1910.

Ook de eerste versie van de zogenaamde Piramide van de Maan aan de noordzijde van de Dodenweg is in die tijd gebouwd.

De bouwactiviteiten in het centrum namen zelfs nog toe gedurende de korte Miccaotlifase. De Piramide van de Maan werd herbouwd en op de Piramide van de Zon werd de bovenste - vijfde - trap geplaatst. Bovenal werd echter een complex gebouwd dat men de Ciudadela (Citadel) noemt. Dit was het religieuze en politieke centrum van Teotihuacan en de residentie van de machthebber. Het op het snijpunt van de hoofdassen gelegen complex vormt een door platforms begrensd vierkant met een zijde van ca. 400 m. Op de platforms zijn steeds vier (aan de oostzijde drie) kleine, tweetrappige piramides geplaatst, die vroeger bouwwerken van vergankelijk materiaal droegen.

In de binnenruimte bouwde men tezelfdertijd de (waarschijnlijk vijf maal getrapte) Piramide van Quetzalcoatl, genoemd naar de gebeeldhouwde gevederde slangen (Azteeks quetzalcoatl) die een gedeelte van de rijkversierde gevel vormen. De koppen steken volplastisch uit het bouwlichaam en alterneren met andere koppen, die men als afbeeldingen van Tlaloc, de regengod, beschouwt aan wie de tempel waarschijnlijk was gewijd.

Uiterlijk aan het begin van de late Talmimilolfase (300-400 n.C., Midden Horizon 2) was Teotihuacan tot een wereldstad geworden en bleef dat gedurende de komende 350 jaar. Haar invloeds- of machtsgebied - de meningen lopen sterk uiteen - strekte zich uit tot in het Mayagebied van de Petén (Guatemala). Ook het gebied van de Golfkust stond onder invloed van Teotihuacan, dat er zelfs steden (vb. El Tajin) stichtte. Elementen van de Teotihuacancultuur bereikten de Stille Oceaan en het zuidwesten van de Verenigde Staten. (Azteken I 30-42)

teotihuacan det muur

teotihuacan3

 

 

Olmeeks figuurtje, 1000-500 v.C., jadeïet, 9x4x3 cm, herkomst onbekend, Washington, Dumbarton Oaks, B-15

Dit stuk toont de volmaakte Olmeekse stijl. Fijn, uit jadeïet gesneden doet het ondanks de geringe grootte monumentaal aan. De houding is strak frontaal. Het katachtige babygezicht bezit de typische amandelvormige ogen, de brede platte neus en de huilende, tandenloze mond onder de opgetrokken bovenlip. Hoewel de vorm van het figuurtje blokachtig is, deelt het veel karakteristieken met de Olmeekse cultusbijlfiguren. Evenals bij de antropomorfe ceremoniële bijlen is de kop in verhouding met het lichaam te groot weergegeven. De armen zijn in laagreliëf zijdelings langs het lichaam uitgesneden en zo gebogen dat de handen op de buik rusten. Alleen de kloof in de schedel, kenmerkend voor de bijlvormige figuren, ontbreekt.

David Joralemon heeft dit beeldje als God IV aangeduid die hij met de regengod in verband brengt: een antropomorfe zuigeling of dwerg, gekarakteriseerd door de tandeloze mond, de hoofdband en de golfvormige oorbedekking. Ook het kind op de schoot van de beroemde figuur van Las Limas bezit deze attributen, evenals monument 52 van San Lorenzo.

Zoals de meeste Olmeekse kleinsculptuur van jadeïet of serpentijn werd waarschijnlijk ook dit figuurtje ritueel als offergave begraven. (Azteken, 5)

 

 

Krijgerfiguur, 100 v.C.-250 n.C., protoklassiek, Colima, terracotta, H 15, Brussel, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Parc du Cinquantenaire 10, Brussel

Deze twee beeldjes stellen krijgers voor en zijn achteraan met een systeem voorzien waardoor erop kan gefloten worden. De krijgers die in gevechtshouding staan, hebben verschillend toebehoren waaronder de indrukwekkende helm met beweegbare kinriem en bekroond met een viervoeter met opstaande staart bij de ene en een rond voorwerp bij de andere. Een groot schild met convex oppervlak beschermt de linkerarm terwijl de rechter met een knots zwaait.

De krijger links draagt een tunica met halflange een soort schort die waarschijnlijk ter bescherming uit een steviger materie was vervaardigd. De andere figuur draagt deze schort niet. De beeldjes werden samen met andere voorwerpen in het graf meegegeven en dienden waarschijnlijk om de afgestorvene tegen vijandige krachten in het hiernamaals te beschermen. (Azteken, 86-87)

 

 

Figuurvaas, 200-500 n.C., terracotta, rood beschilderd, 35x12, Monte Alban III-A (TL-datering 74 v.C. tot 690 n.C.), Berlijn, Etnologisch Museum (voormalig Museum für Völkerkunde), Unter den Linden 3, 10117 Berlin

In overeenstemming met bijna alle figuurvazen van de Monte Albanstijl bestaat ook deze uit een cilindrische beker waar aan één zijde de plastische, uit vele onderdelen gevormde figuur is toegevoegd. Deze kant wordt daardoor tot voorzijde, tot de mooie zijde van het geheel.

De regengod Cocijo (genoemd naar de Zapoteekse regengod uit de tijd van de verovering) is in tegenstelling tot de godin 13 slang in de typisch mannelijke zithouding weergegeven: de benen zijn gekruist, de handen rusten op de knieën. Ook de kledingstukken zijn eigen aan het mannelijke geslacht. Het voorste gedeelte van de lendendoek (deels afgebroken, evenals de onderbenen, de linkerhand en de tanden) ligt op de bovenbenen; een schouderdeken bedekt de armen en schouders volledig. Over de schouderdeken draagt de godheid een borsthanger aan een dik, gedraaid koord. Grote, ronde oorpluggen, die overigens beide seksen sieren, vervolledigen de smuk. De hoofdtooi alsook de vormgeving van het gezicht zijn echter voor slechts één godheid karakteristiek, namelijk de regengod. Op de brede hoofdtooi die met een parelrand en zijdelings op de schouders hangende banden is versierd zit in het midden de glyf C, die als chthonisch symbool wordt geïnterpreteerd. In de gelaatstrekken verenigen zich kenmerken van de jaguar en de slang, beide eveneens symbolen voor de aarde en de vruchtbaarheid. De gespleten, tweepuntige slangentong hangt - gemakkelijk te identificeren - uit de monde, een sterk gestileerde jaguarmuil van de god. Tot de jaguar behoren ook de dikke, getrapte wenkbrauwen en de bandvormige omraming van de ogen van de godheid aan de onderzijde die telkens in een voluut op de wangen eindigt.

Cocijo, de naam betekent in de Zapoteekse taal Bliksem, is de veruit meest voorkomende god in de beeldenwereld van de Monte Albancultuur. Het was zijn taak om op tijd de vruchtbaarmakende regen te zenden. (Azteken, 63)

 

 

Fragment van een muurbeschildering, 250-600 n.C., Laatklassiek, schildering op stuc, 40x68, Teotihuacan, Brussel, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, (Jubelparkmuseum), Parc du Cinquantenaire (Jubelpark) 10, Brussel, A.AM.48.16.623

Talrijke gebouwencomplexen van de uitgestrekte ruïnes van Teotihuacan waren met muurschilderingen versierd waarvan de resterende die nu in situ zijn bewaard, gedeeltelijk werden gerestaureerd of gereconstrueerd. Toch verdwenen gedurende de laatste decennia nog talrijke stukken die op de kunstmarkt werden verhandeld. Dit was ook het geval met de karakteristieke figuratieve wandschilderingen van Teotihuacan die vandaag buiten Mexico in verschillende musea en privéverzamelingen bewaard worden.

In de meeste gevallen kan de juiste herkomst niet meer achterhaald worden en brengt een reconstructie van het oorspronkelijke beeld problemen met zich mee, zoals ook bij het kleine fragment van Brussel.

Het toont ons een gezicht in vooraanzicht met ovalen ogen, een brede neus en een geopende mond die twee rijen tanden laat zien. De wangen zijn groen geschilderd op een oranjekleurig gezicht. Het hoofd draagt een hoge hoofdtooi waarvan het bovenste stuk verdwenen is. Langs de linkerzijkant van de hoofdtooi steekt een vederbos uit. Links en rechts van het gezicht zien we twee grote oorschijven die gedeeltelijk zijn bewaard, en een halssnoer. In het rechter gedeelte van het fragment kunnen we onderaan een hand identificeren die een tak of een plant vasthoudt. Een vergelijking van dit fragment met een schildering van Teotihuacan die in 1950 op een tentoonstelling van het Dallas Museum of Fine Arts werd getoond, laat een betere interpretatie toe: op deze schildering staat een gelaat afgebeeld in vooraanzicht met een identieke schildering op de wangen, een hoofdtooi en een juweel dat een rij boogelementen siert waarvan er op ons fragment één zichtbaar is tussen het gezicht en de hand (op de rechter boord van de voorstelling: een boog met getand motief). Deze elementen komen vaak voor op de keramiek van Teotihuacan en worden doorgaans als symbolen voor de berg geïnterpreteerd. Op het vergelijkingsstuk houden de zijdelings afgebeelde handen bloeiende takken vast en lijken - zoals ook het rijk versierde hoofd - uit de bergtoppen op te stijgen.

De interpretatie van deze voorstelling als de vrouwelijke godheid van de berg en plantengroei kan in overweging genomen worden. (Azteken, 121)

 

 

Masker, ca. 400-800 n.C., Teotihuacan, herkomst onbekend, Jade, 5,8x7,3x5 cm, Firenze, Museo degli Argenti, Inv. nr. Gemme 1921, nr. 824, Palazzo Pitti, Piazza de' Pitti, 1, 50125 Firenze

Het waardevolle stuk jade behoort tot de omvangrijke groep van maskers die uit de klassieke Teotihuacantijd bekend zijn. Tot op heden kon hun functie net zo min eenduidig worden verklaard als de vraag wie ze voorstellen. Dodenmaskers zijn het niet; echter zouden ze voor het grootste deel grafbijgaven kunnen zijn geweest. Het hier beschreven stuk kan op grond van zijn formaat en materiaal tot een pectoraal, een grote borstversiering hebben behoord.

Het voorwerp behoort eveneens tot de inventaris van de kunstkamer van de Medici's in Firenze. Het is echter niet meer na te gaan wanneer en door welke vorst het werd aangekocht.

Klaarblijkelijk behoort het niet tot de voorwerpen die direct na de verovering door de Spanjaarden werden aangetroffen en naar Europa werden verscheept. Waarschijnlijk behoort het tot de latere "leveringen", toen schatgravers in de ruïnesteden ontdekkingen deden en hun buit doorgaven aan opkopers die ze naar Europa overbrachten.

Oude foto's van het stuk tonen de destijds nog behouden ingelegde ogen; de pupillen van gepolijst obsidiaan waren in paarlemoer ingelegd. Wanneer dit inlegwerk verloren ging, kan niet worden gereconstrueerd. (Azteken, 332)

 

 

Grote figuur, 500-900 n.C., laatklassiek, terracotta met verfsporen, 110x95, gevonden langs de golfkust in de staat Veracruz, Brussel, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Parc du Cinquantenaire (Jubelpark) 10, Brussel, A.AM.71.1

Dit indrukwekkend beeld stelt een personage met naakte torso in kleermakerszit voor met de handen op de knieën. De figuur draagt een lange rok die in de lenden wordt opgehouden door een riem die een tweekoppige slang voorstelt. De armbanden, die de twee polsen sieren, zijn uit grote ovalen parels samengesteld. De cirkelvormige witte oorschijven omvatten een rode knop. Een dik snoer is achteraan dichtgeknoopt en houdt het in het midden gescheiden haar bijeen dat in brede strengen op de rug, schouders en het bovenste van de borst neervalt. Op de rug en aan beide kanten van de rok bevinden zich gaten voor de ventilatie zodat bij het bakken het uiteenspatten van het stuk vermeden kan worden.

De interpretatie van het stuk is omstreden; zelfs over het geslacht is men het niet eens. In de studie van M. Doppee en M. Graulich (1978), wordt het personage geïdentificeerd als Xochiquetzal, patrones van het textielambacht en de zinnelijke liefde. Maar op basis van postklassieke en koloniale documenten hebben de auteurs een overzicht van de verschillende interpretaties gegeven. Door de opsmuk kan de figuur met verschillende godheden geassocieerd worden. De tweekoppige riem is een attribuut van Coatlicue (Deze met de Slangenrok) maar kan ook bij het beeld van Tlazolteotl, een van de aspecten van Xochiquetzal behoren. Het hier ontbrekende voorhoofdsieraad had een antwoord kunnen geven. Maar door te vergelijken met een gelijkaardig beeld, dat te Jalapa wordt bewaard, is het niet onmogelijk dat ons beeld een dierenkop met grote oren of vleugels en poten of wijd uitgespreide armen droeg. Dit beeld kan een vleermuis voorstellen, het dier dat bij Xochiquetzal hoort. Maar de oren en armen zouden de vleugels van een vlinder kunnen voorstellen die in dit geval bij de godin Itzpapalotl (Vlinder van Obsidiaan) behoren. Het beeld van de vlinder, de vleermuis en de dood samen kunnen ook Zitzimime voorstellen. (Azteken, 45)

 

 

Quetzalcoatl, 14de - begin 16de eeuw, groensteen, H 17 cm., herkomst onbekend, Turijn, Museo Civico Numismatico-Etnologico-Orientale, verz. Cav. Zaverio Calpini, Via Bricherasio 8, 1876

In de open muil van een met pluimen versierde slang verschijnt tussen de grote tanden en boven de gespleten tong het antropomorfe gelaat van de god Quetzalcoatl wat slang met pluimen betekent.

Op de eerder grof weergegeven pluimen van deze grote slangenkop liggen slakkenhuizen die in reliëf versierd zijn met bijzondere pluimen. Deze elementen, die men op dezelfde manier aantreft o.m. op een beeld van Quetzalcoatl dat in het British Museum wordt bewaard, laten ons toe de godheid te identificeren.

Het lichaam van de slang met pluimen werd vaak in spiralen voorgesteld. Deze slangenkop met het gezicht van de god in de muil voorgesteld, is geen fragment maar een gesloten vorm in reliëf van een ronde blok in groensteen die men vaak aldus aantreft in de Azteekse kunst. Het beeld is een merkwaardig voorbeeld van de beheersing van de steenbewerking in de late periode. (Azteken, 160)

 

 

Man met cacaoscheut of kalebas, 1325-1521 n.C., Azteeks, beschilderde steen, 35x17, misschien afkomstig uit Amatlan (staat Veracruz), New York, The Brooklyn Museum of Art, 40.16, 200 Eastern Pkwy, Brooklyn, NY

Ronde levensmiddelen werden als bijzonder gepaste offergaven voor Quetzalcoatl-Ehecatl beschouwd. Ook de gevouwen hoofdband staat in relatie tot deze godheid. Van de zijkant bezien, lijkt de man zich voorover te buigen met het rechterbeen licht naar voren geplaatst, alsof hij de offergave voor de godheid zou willen neerleggen. De houding en het aangeven van beweging zijn ongebruikelijk voor staande Azteekse figuren, die normaal gesproken statisch werden voorgesteld. De ideale Azteekse man was bescheiden, ernstig en waardig, Deze eigenschappen komen in het beeld naar voren.

Hoewel hij geabstraheerd, met een typisch, vergroot hoofd, overgrote handen en een compact lichaam is voorgesteld, werden onverwachte details; zoals het botje van de linker pols, weergegeven; de vingernagels die meestal werden afgebeeld, ontbreken hier echter. De vlakke vormgeving van de armen contrasteert met de eerder vlezige knieën en kuiten. Details die niet werden gebeeldhouwd, werden vaak met kleur aangegeven. Resten van rood zijn nog duidelijk zichtbaar om de mond, de oren en op de knopen van de hoofdband; de lendendoek heeft witte kleursporen en de niet eenduidig te identificeren blauwgroene vrucht. Het inlegwerk van de ogen, waarschijnlijk met schelp en obsidiaan, ontbreekt. (Azteken, 152)

 

 

Masker van Coyolxauhqui, 1400-1521 n.C., Azteeks, Jadeïet, 12x15, herkomst onbekend, Cambridge, Harvard University, Peabody Museum of Archeology and Ethnology, 11 Divinity Ave, Cambridge, MA 02138, Inv. nr. 28-40-20/C 10108

De identificatie als Coyolxauhqui vijandelijke halfzuster van Huitzilopochtli en de dochter van Coatlicue, is door de uitbeelding van het gezicht en de attributen gewaarborgd. Het maskerachtige gezicht is als dat van een dode voorgesteld, aangezien ze door Huitzilopochtli werd onthoofd. De ogen zijn gesloten en de mond is halfgeopend. Op het kapsel zijn de voor haar kenmerkende attributen, balletjes van dons of katoen, afgebeeld.

Ook de klokjes op haar wangen behoren daartoe. Verder ontbreken attributen die op andere afbeeldingen van de godin voorkomen, nl. de vedersmuk boven de haren en de neusring. De band over de neus die beide klokjes met elkaar verbindt, is uniek voor dit exemplaar. Ter versiering draagt zij oorpluggen met hangers.

Het kleine masker behoort stellig tot een sierhanger en zou op de borst kunnen hebben gehangen. Twee boringen aan de zijkant door het kapsel dienden ter bevestiging; een reeks kleine gaatjes aan de achterzijde van de onderkant pleiten voor het aanbrengen van nadere hangers.

In de Azteekse religie was Coyolxauhqui, De met Klokjes Beschilderde, de maangodin. Haar broer, Huitzilopochtli was een zonnewezen en haar moeder personifieerde de aarde. Zo is de strijd tussen broer en zus als een kosmisch gebeuren op te vatten. Coyolxauhqui is meer als een elementaire dan als een astrale godheid te beschouwen. (Azteken, pl. X)

 

 

Vaas met masker van Tlaloc, 15de eeuw, Azteeks, beschilderd terracotta, hoogte 35 cm, diameter (rand) 22 cm, Mexico-Stad, Templo Mayor, Offerdepot 21, Mexico, Museo Nacional de Antropologia, 10-168830 (TM 1/OF 21-1/2486-2505, 2507-2544), Av Paseo de la Reforma & Calzada Gandhi S/N, Chapultepec Polanco, Miguel Hidalgo, 11560 Ciudad de México, CDMX

Het opengewerkte en evenals de vaas polychroom beschilderde masker van de regen- en vruchtbaarheidsgod Tlaloc is vóór een kogelvormig vaaslichaam met een hoge, brede hals geplaatst. Volgens de verklaring van Sahagùn was het gelaat van Tlaloc met roet ingewreven en droeg hij lichte deegvlekken uit de zaden van de gestekelde papaver op de wangen. Hier is de onderste gezichtspartij zwart gemaakt en met lichte vlekken weergeven. De mond met twee uitstekende slagtanden en de ronde oogholtes zijn omringd door blauw geschilderde en met een zwarte lijntekening gelede banden; op dezelfde manier verlopen slangvormige banden boven en naast de ogen die op de neus zijn samengevoegd. Het onmiskenbare gelaat van Tlaloc wordt aangevuld met grote, rechthoekige oorschijven met afhangende sierstaven en een hoofdtooi met wikkelband en kroon waarvan de afzonderlijke punten met knopen zijn bezet.

Bij de vondst in het offerdepot 21, een met muren beklede put achter de tempel van Tlaloc, bevatte de grote terracottavaas schelpen en parels van groensteen; ze was in vele stukken gebroken en is nu zorgvuldig gerestaureerd. Een tweede, bijzonder gelijkende Tlalockruik bevond zich in offerdepot 56 aan de noordzijde van de tempel van Tlaloc, wederom als belangrijkste voorwerp in het midden van een met stenen rand omgeven put. De gezichten blikten steeds in de richting van het heiligdom van de god. Als bijvondsten worden bolletjes kopal, stenen messen, vogelbeenderen en een zaagvisbek vermeld. (Azteken, 265)

Tlaloc was de regengod van de Azteken. In deze tropische streken is regen dikwijls een kwestie van leven of dood voor de mensen, want zonder regen kan hun oogst mislukken en lopen ze gevaar van honger om te komen. Geen wonder dat de god van de regen en het onweer in hun geest de vorm van een verschrikkelijke, machtige demon heeft aangenomen. De bliksem lijkt in hun verbeelding op een grote slang, en vele volken uit Amerika beschouwen de ratelslang daarom als een heilig en machtig wezen. De figuur van Tlaloc werd inderdaad vaak door slangen met grote giftanden gevormd. (Gombrich 32)

 

 

Ring, 15de-vroeg 16de eeuw, Mixteeks, goud, H 3,3 cm, diameter 2,7 cm, naar vermeld afkomstig uit Monte Alban (staat Oaxaca), New York, Museum of the American Indian, 20/6218, 1 Bowling Green, New York, NY 10004

De Mixteken waren de onomstreden meesters van de goudsmeedkunst in Pre-Spaans Mexico. Hun werk kenmerkt zich niet door monumentale stukken van goud maar door meesterschap in het kleine, zoals deze ring bij wijze van voorbeeld verduidelijkt. Ringen behoren tot de meer zeldzame sieraden in het oude Amerika; ze waren echter een specialiteit van de Mixteekse goudsmeden. De fraaiste exemplaren zijn uit het beroemde graf 7 van Monte Alban (Caso 1969) aan de oppervlakte gekomen. De typische vorm van Mixteekse ringen bestaat uit een brede band die als filigraanwerk is vormgegeven, maar eigenlijk in één stadium in de verloren wastechniek is gegoten. Hier zijn in vier, met dunne gouddraden (aanvankelijk wasdraden) gekaderde velden slangenkoppen afgebeeld. Aan de boven- en onderzijde wordt de ring door een fijne, gedraaide gouddraad omrand. De voorzijde van de ring bezit een opzetstuk waarop de kop van de god Xipe Totec (Onze Heer, de Gevilde) sterk plastisch is uitgewerkt. Deze gevreesde god was een vegetatie- en lentegod ter ere van wie de priester in een onheilspellend ritueel gebeuren in de afgestroopte huid van een geofferde werd gehuld om het sterven en opnieuw opbloeien van de natuur te verzinnebeelden. Het slappe, hangende aspect van de dode huid die over het gezicht was getrokken, komt in de vormgeving van de mondpartij in een schrikwekkende realiteit tot zijn recht. Onder de neus bevindt zich een neussieraad in de vorm van een gestileerde vlinder; het voorhoofd is met een brede hoofdband versierd.  Aan beide zijden van het hoofd hangen belletjes; boven het hoofd is eveneens een bewegende hanger in de vorm van een kwast aangebracht. Dit soort ringen werd tijdens rituele handelingen door kostbaar geklede hoogwaardigheidsbekleders gedragen die hun handen naar boven hielden, opdat de ringen volledig tot hun recht zouden komen (Emmerich 1965). (Azteken, 255)

 

 

Hanger met de god Xochipilli (Bloemenprins), 15de - vroeg 16de eeuw, goud, 6x3 cm, herkomst onbekend, Mixteeks, New York, Museum of the American Indian, 16/3450, 1 Bowling Green, New York, NY 10004

Deze in de verloren wastechniek gegoten hanger die de god Xochipilli ("Bloemenprins") voorstelt is een fraai voorbeeld van hoogwaardige Mixteekse goudbewerking. Oorspronkelijk de zonnegod van de zuidelijke Mexicaanse volkeren Xochipilli door de Azteken als god van de zinnelijkheden en de lente in hun pantheon opgenomen. Tot de karakteristieke attributen van de god behoren de vogelhelm van de coxcoxtlivogel die het gelaat van de god omsluit evenals een gestileerd vlindersierelement dat hij in de neus of als mondbeschildering draagt. Het lichaam is hier in het vlak uitgewerkt, terwijl de kop plastisch is gevormd. Armen, benen en kleding zijn door dunne gouddraden (tevoren wasdraden) omlijnd. De uitgespreide vingers van de buitensporig grote handen liggen plat op het lichaam. Hij draagt een plat, rond borstsieraad en sandalen. De tenen, de sandaalsluitingen om de enkels en de armbanden zijn als kleine, aan elkaar geregen kogeltjes uitgevoerd. Het indrukwekkende hoofd van de god blikt uit de wijd opengesperde snavel van de coxcoxtli-vogel naar voren. Het spitse, onderste gedeelte van de snavel is onder de kin zichtbaar, terwijl het gebogen bovendeel duidelijk waarneembaar boven het hoofd van de godheid is te herkennen. De karakteristieke verenkam op de kop van de vogel, bestaande uit kleine staafjes met opgezette goudkogeltjes, is zorgvuldig uitgewerkt. Boven zijn hoofd ontvouwen zich de veren als een fijne krans van filigraan bestaande uit vele dunne lusjes van gouddraad (tevoren wasdraad).

De gelijkmatige gelaatstrekken van de godheid zijn zeer fijn uitgevoerd. De amandelvormige ogen bevinden zich in diepe oogkassen onder het lichtgewelfde voorhoofd. Onder de sterk geprononceerde neus bevindt zich het uit dunne gouddraad (vooraf draden van was) gevormde neussieraad in de vorm van een gestileerde vlinder. Het in laagreliëf vervaardigde motief om de licht geopende mond is een gezichtsbeschildering en toont waarschijnlijk eveneens een gestileerde vlinder. De godheid draagt grote, ronde oorpluggen. De hanger is aan de achterzijde hol; twee ogen zijn aan de achterzijde boven de kop aangebracht. (Azteken, 257)

 

 

Motecuhzoma, 2de helft 16de eeuw, olieverf, 182x107, Firenze, Soprintendenza per i Beni Artistici e Storici, inv. nr. 1890, nr. 5158, Piazza de' Pitti, 1, 50125 Firenze FI

Het schilderij is het werk van een Europese schilder die in de tweede helft van de 16de eeuw in Mexico leefde en werkte. Hij heeft het portret niet gesigneerd en blijft voor ons anoniem. Het schilderij is duidelijk zichtbaar gerestaureerd en daarbij is een al half onleesbaar opschrift gekopieerd: Hernando.. rey de Mexico Montezuma. Of daarmee Hernando Cortés is bedoeld, moet openblijven.

Als het portret zich in Firenze bevindt, wordt er voor het eerst melding van gemaakt in de Istoria della Conquista de Mexico van Antonio de Solis y Ribadeneyra dat in 1699 in Firenze verscheen. Dit werk werd door Corsini in het Italiaans vertaald en in deze vertaling bevindt zich een afbeelding van ons portret met de tekst: ritratto di Montezuma cavato d'all originale venuto dal Mexico al Ser. mo Gran ducala di Toscana. Gezien de details van de kleding van de Aztekenkeizer en zijn gelaatstrekken beschikte de schilder, die de heerser beslist nooit had gezien, over goede bronnen. Zulke bronnen kunnen vroege manuscripten zoals de zogenaamde Codex Ixtlilxochitl in Parijs of de Genealogia de la Familia Mendoza Montezuma in Mexico-Stad zijn. Ook Bernardino de Sahagún geeft in zijn Historia de las coasas de Nueva España nauwkeurige beschrijvingen van dans- en feestkostuums. Maar aangezien Sahagúns geschriften tot in de 19de eeuw achter slot en grendel werden gehouden, is het de vraag of de schilder ze heeft gekend.

Ook met betrekking tot het fysieke voorkomen van Motecuhzoma bestaat er informatie. Bernal Diaz schrijft: Moctezuma was rond die tijd 40 jaar oud. Hij was groot en slank, wellicht iets te mager. Zijn huid was niet bruin; ze had enkel een lichte zweem van de gebruikelijke tint van Indianen. Zijn zwarte haren vielen in lokken over zijn oren. Ze waren overigens niet uitgesproken weelderig. Hij droeg een lichte, maar goed uitziende zwarte baard. Zijn gezicht was vrij lang en maakte een opgeruimde indruk. Hij had zeer expressieve ogen waaraan men gemakkelijk plezier of ernst kon aflezen.

Deze beschrijving van de lichaamsbouw komt in grote trekken overeen met wat de schilder heft weergegeven; het gezicht is smal, beheerst door donkere, expressieve ogen, het lichaam is slank en gespierde. Uiteindelijk is het moeilijk te bepalen of dergelijke afbeeldingen op nauwkeurige kennis teruggaan of dat ze beantwoorden aan het beeld van de edele wilde in de verbeelding van de schilder.

Voor het overige wijst de weergave van de kleding van de vorst op een vergaande kennis van de Azteekse mode. In het bijzonder omdat kledingdetails getoond worden die in de tijd van de schilder niet meer werden gedragen, zoals de lange, gouden oorplug die Motecuhzoma in zijn linkeroorlel draagt. Vedermantel, schort, borstcape en -decoratie, alsook de gouden sieraden aan armen en benen stemmen normaal gezien met de beschrijvingen overeen, maar zijn in hun decoratieve details vereuropeest. Dit komt bijzonder duidelijk tot uiting in de gouden arm- en beensmuk en in het borduurwerk van de luisterrijke textilia. Speer en schild geven hem als hoogste krijgsheer weer; de hoofdtooi is met quetzal-veren bezet, waarvan het gebruik aan de vorsten, de priesters en de goden was voorbehouden. Hoe genreachtig en met Europese ogen de Aztekenvorst ook is weergegeven, het schilderij geeft toch een indruk van de vroegere luister en waardigheid van Motecuhzoma. (Azteken, 345)

 

 

Idool, preklassiek, beschilderd terracotta, 8x4 cm, herkomst Tlatilco, Mexico-stad, Bremen, Übersee-Museum, Bahnhofspl. 13, 28195 Bremen

De stilistische kenmerken van het kleine figuurtje zijn identiek aan andere voorbeelden. Alleen de ogen zijn spleetvormig gemodelleerd. Duidelijk zichtbaar is een ketting met dikke (jade?)kogels ter versiering.

De details van de kleding kenmerken hem als balspeler, bovendien draagt hij de bal onder de linkerarm. De stootarm is voorzien van een ringvormig windsel; de dikke schort is een bepantsering ter bescherming van het onderlichaam.

Voor de buik is een additioneel (katoenen?) pantser weergegeven dat de meest gevoelige lichaamsdelen beschermt. (Azteken, 20)

 

 

Kruik in de vorm van een hond, terracotta, Colimastijl, herkomst West-Mexico, 22x21x15 cm, Hamburg, Hamburgisches Museum für Volkerkunde, 56.54:9, Rothenbaumchaussee 64, 20148 Hamburg

Figuurvaas van rood-grijze keramiek in de gedaante van een vette, op de achterpoten zittende hond die met wijd opengesperde muil jankt of blaft. Door de vaas lopen meerdere scheuren; een achterpoot is afgebroken. (Azteken, 91)

 

 

Lipplug, Mixteeks, lengte 5,4 cm, goud, Turijn, Museo Civico, Numismatico-Etnologico-Orientale, verz. Cav. Zaverio Calpini, 1876, Via Bricherasio 8

De lipplug is in de vorm van een elegante adelaarskop gemodelleerd. Bij de vervaardiging werden twee technieken toegepast: in de verloren wastechniek werd een kern van klei en kolen met een waslaag bedekt; deze werd door het bakken van de klei opgewarmd waardoor de was langs een gat aan de overzijde wegliep. De veren van de vogelkop en de halskraagdecoratie werden aangesoldeerd.

Het goud van het oude Mexico werd uit het rivierzand in het noordwestelijk gebied van Oaxaca en zuidelijk Veracruz gewassen en was met een gering percentage zilver vermengd. Om de laatste zilververontreiniging aan het oppervlak te verwijderen, polijstte de goudsmid het voltooide werk met een mengsel van zout en klei.

Ondanks het feit dat een Mixteekse vindplaats wordt opgegeven, is dit niet te bewijzen. Het stuk werd samen met de grote Meso-Amerikaanse verzameling van Cav. Zaverio Calpini in 1876 aan het Museo Civico in Turijn overgedragen. Uit de verwijzingen naar de herkomst van de afzonderlijke delen van deze verzameling valt niet op te maken of ze uit de handel of uit opgravingen afkomstig zijn. (Azteken, 242)

 

 

Masker, Mixteca-Puebla, hout versierd met turkoois, jadeïet, paarlemoer en schelp, 25x15, Rome, Museo Nazionale Preistorico ed Etnografico L. Pigorini, inv. 4213, Piazza Guglielmo Marconi, 14, 00144 Roma RM

Het met inlegwerk van turkoois, jadeïet, schelp en paarlemoer bedekte houten masker is één van de meest indrukwekkende voorwerpen uit de Azteekse cultuurkring. Artistiek is het tot de Mixteca-Pueblastijl te rekenen die om zijn bijzondere mozaïektechniek bekend is. Momenteel bestaan er op de gehele wereld niet meer dan 25 van dit soort voorwerpen. Dit masker is niet alleen één van de kostbaarste, maar tevens één van de best bewaarde stukken.

Het stuk werd vermoedelijk voor het eerst in 1553 in een inventarisboek van de Medici's, L'inventari della Guarrdaroba Medicea (1553-1559) vermeld als een uit Indië afkomstig masker van turkoois op hout. Het stond voortaan in de inventarisboeken geregistreerd tot het in 1783 in het R. Museo di Fisica e Storia naturale in Firenze terechtkwam. In 1823 werd het aan de werkplaats Orificio delle Pietre Dure overgedragen. Luigi Pigorini ontdekte het daar in de vergetelheid geraakte stuk in een doos in een magazijn en bracht het naar het museum in Rome. Het masker moet dus tot de verzameling van Cosimo I de Medici, hertog van Firenze (1537-1574) hebben behoord en werd ofwel in 1519 op de reis van Juan de Grijalvas van Yucatan naar Veracruz verworven en aan Karel V van Spanje in Barcelona overgedragen, ofwel pas in 1520 in Valladolid door Cortés aan de koning geschonken.

Het werd tussen 1461 en 1521 of in het dal van Mexico of aan de Golfkust ten tijde van de grote bloeiperiode van het Azteekse rijk onder invloed van de Mixteca-Pueblastijl vervaardigd. Het gezicht van het masker wordt gevormd door lege ogen, een neus met getrapte neusplug (nariguera) en de mond. De driehoekige kaken van een reptiel waarvan het tandvlees door rode schelpinleg wordt aangeduid, omsluiten het. Twee in elkaar verstrengelde slangenlijnen winden zich om het voorhoofd, de grote koppen vormen de zijkanten van het masker. Links is de kop van het reptiel bewaard gebleven en toont een vederdecoratie.

Men heeft het masker vaak als Quetzalcoatl (gevederde slang), cultuurbrenger en centrale figuur van de Azteekse mythologie, betiteld. Meer waarschijnlijk is echter de interpretatie als Chalchiutlicue die als water- en vruchtbaarheidsgodin met jade behangen uit de muil van de aarde opstijgt. (Azteken, 333)

 

 

Messenheft, hout, turkoois, jadeïet en schelp, 5x13, Rome, Museo Preistorico ed Etnografico L. Pigorini, inv. 4216, Piazza Guglielmo Marconi, 14, 00144 Roma RM

De elegante uitvoering, de zorgvuldige kleurkeuze en het fijne detailwerk maken dit messenheft tot één van de fraaiste mozaïekwerken die vóór de Spaanse verovering werden geschapen. Van het stenen messenlemmet is helaas alleen een fragment bewaard gebleven. Op de gehele wereld zijn drie dergelijke messen gekend: twee in het Museo Pigorini en één in het British Museum. Het heft is aan de Mixteca-Pueblastijl toe te schrijven en is ofwel uit het gebied van Oaxaca afkomstig of werd in Tenochtitlan zelf vervaardigd.

Het voorwerp behoorde vroeger tot de verzameling van markies Ferdinando Cospi van Bologna. Aangezien zijn moeder een Medici was, kan het messenheft uit Firenze komen. In 1667 overerfde Cospi zijn verzameling aan de stad Bologna en werd zij onderdeel van de verzameling van het Museo Archeologico van de universiteit van Bologna. In 1878 kwamen de etnologische objecten door ruil in het Museo Nazionale Preistorico Etnografico te Rome.

Het messenheft werd voor het eerst door Legati, samen met het gelijksoortige heft van de verzameling Cospi in de catalogus van het Museo Cospiano (Bologna, 1677) en eveneens door Legati in de Inventario semplice di tutte le materie esattamente descritte che si trovano nel Museo Cospiano (Bologna, 1680) gepubliceerd. In de museumcatalogus van 1677 (p. 477) beschrijft hij de beide objecten als volgt: ...afbeeldingen... van hout met een zeer dunne laag die uit kleine, zeer gevarieerde en kleurige mozaïekdeeltjes bestaat. De uitvoering is weliswaar niet met de elegantie van een geschilderd miniatuurbeeld te vergelijken, toch toont zich een enorm lastig karwei in samenstelling en uitvoering van een zo zeldzaam stuk... Het heft is als knielende figuur, wier schitterende hoofdtooi met rood en wit inlegwerk is versierd, vorm gegeven. Te onderscheiden zijn oorsmuk, armbanden, sandalen en een schort tegen de bovendijbenen. Het gezicht is met rood en wit ingelegd waardoor mondpartij, wangen en ogen worden geaccentueerd. De armen vormen de zijkanten van het heft; de handen houden een oogvormig symbool vast. De rug vertoont een uit ronde plaatjes gevormd siermotief.

De iconografie spreekt duidelijk een identificatie als godheid tegen en doet eerder een vooraanstaande persoon van hoge rang, zoals een priester, vermoeden. (Azteken 334)

*****

top

Ga verder

hoofdindex