*****

ROMAKO

Anton

 

 

ROMAKO, Admiraal Tegetthoff tijdens de slag bij Lissa, 1875, olie op paneel, 120x82, Wenen, Österreichische Galerie des 19. Jahrhunderts

De ontroering van de schilder in het werk van Romako heeft de neiging van die tijd naar het anekdotische veranderd in een zin voor het psychologische; Novotny ziet er dan ook voorboden in van de vroege expressionistische werken van Kokoschka. In het werk rond Admiraal Tegetthoff tracht hij rechtstreeks een ogenblik van het hoogste gevaar weer te geven en wijst daarmee de uitbeelding van oorlogstaferelen nieuwe wegen. (KIB 19de 114)

*****

ROMANO

Giulio

eigenlijk: Giulio PIPPI, in Frankrijk Jules ROMAIN

Italiaans maniëristisch architect, decorateur, ontwerper van wandtapijten en schilder

1499 Rome – 01.11.1546 Mantua

Hij was leerling en later de favoriete medewerker van Rafaël. Na diens dood nam hij de leiding over van zijn atelier en werkte persoonlijk aan de fresco’s van de zaal van Constantijn in de Stanze Vaticane. Het is vaak moeilijk de grens te trekken tussen zíjn werk en dat van Rafaël, omdat hij herhaaldelijk de uitvoering van diens ideeën op zich nam. In Rome bouwde en decoreerde hij de Villa Madama.

Zijn roem heeft vooral te maken met zijn werk in Mantua, waar hij in 1524 door Frederik II Gonzaga naartoe werd geroepen en tot hoofdprefect van de fabrieken benoemd werd. Hij leverde er ontwerpen voor wandtapijten en zilverwerk, decors voor triomftochten, feesten en stedelijke en architectonische projecten. Hij werd geholpen door een groot atelier naar rafaëlitisch voorbeeld en hield zich bezig met stadsvernieuwing, met als hoogtepunt de bouw en de decoratie van het Palazzo del (1524-1535): hij ontwierp de architectuur ervan en decoreerde verschillende zalen met fresco's, o.a. een cyclus met de mythe van Cupido en Psyché en een fantastische, virtuoos geschilderde Ondergang der Titanen. De plattegrond laat een viervleugelaanleg zien, die ontleend lijkt aan de plattegrond van de ‘Casa Romana’ uit de Vitruviusuitgave van Fra Giocondo van 1511. Als bouwmeester ontwikkelde hij een maniëristische stijl, die in het Palazzo del , het Palazzo della Giustizia en zijn eigen huis te Mantua tot interessante resultaten leidde.. Daarna ontwierp hij kabinet van de Cesari, het Cortile della VCavallerizza en werkte hij aan de inrichting van nieuwe appartementen in het Palazzo Ducale. (Maniërisme 568)

Als ontwerper van wandtapijten had hij een voorliefde voor het uitbeelden van stoeten zegevierende of vluchtende helden uit de oudheid, o.m. de Scipio-serie, waarvan echter alleen nog replica's bestaan (o.a. in het Quirinaal te Rome).

 

 

ROMANO, De steniging van de heilige Stefanus, 1519-1521, olieverf op paneel, 403x288, Genua, Chiesa di Santo Stefano

De wrede en vervormde gezichten van de stenigers, in hun geestdrift bij het vermoorden van de heilige, vormen een contrast met de gelukzalige schoonheid van diens jonge gelaat dat door het goddelijke licht beschenen wordt. (Maniërisme 111)

 

 

ROMANO, Besnijdenis van Christus, ca. 1520, olieverf op doek, 115x122, Parijs, Louvre

Terwijl de stijl van Rafaël meer klassiek geïnspireerd is, neigt Romano zelfs in zijn vroege werken naar maniëristische overdrijving en monumentaliteit. Deze Besnijdenis markeert een fase van geleidelijke afstand van zijn bewonderde leermeester. De figuren met hun wapperende gewaden zijn nog door en door als Rafaël, maar de architectuur, met zijn grootse gedraaide zuilen, is een nieuwigheid van hemzelf. De pilaren vertonen gelijkenis met de Colonna Santa in de Sint-Pietersbasiliek, waarvan men denkt dat het ontwerp is geïnspireerd op de tempel van Salomo in Jeruzalem. Met zijn geschilderde reconstructie van de tempel van Salomo plaatst Giulio het Bijbelverhaal van de besnijdenis voor het eerst in zijn historische context. Deze ongewone versie van dit motief is wellicht geschilderd in opdracht van een lid van de familie Orsini uit Rome, aangezien hun wapenschild op de centrale timpaan te zien is; (Louvre alle 117)

 

 

ROMANO, Palazzo del , 1524-1535, Mantua

De beschilderingen dateren uit de periode 1526-28.

Zaal van Amor en Psychè,

·      Detail plafond

·      Detail banket

·      Detail wand en plafond

Zaal der giganten

·      Plafond

·      Detail 1

·      Detail 2

·      Detail 3

·      Detail 4

Het bad van Mars en Venus,

Polyphemus en Galatea,

Zeus verleidt Olympia,

Dionysos en Ariadne,

Camera dei venti,

De Zonnewagen en detail

 

 

ROMANO, Venus en Vulcanus, ca. 1530, olieverf op populierenhouten paneel, 109x88, Parijs, Louvre

 

 

ROMANO, De aanbidding door de herders met de heiligen Longinus en Johannes de Evangelist, ca. 1531, olieverf op populierenhouten paneel, 275x213, Parijs, Louvre

 

 

ROMANO, De triomftocht van Titus en Vaspasianus, ca. 1537, olieverf op populierenhouten paneel, 275x213, Parijs, Louvre

 

 

ROMANO, Fresco’s in het Palazzo Ducale de Mantua, 1539 e.v.,

Zaal van Troje,

·      Detail 1,

·      Detail 2,

 

*****

ROMANTIEK

Vertegenwoordigers:

Paul Abadie,

Charles Barry, Frédéric Auguste Bartholdi, Antoine-Louis Barye, Théodore Ballu, Hendrik Berlage, Karl Blechen, William Adolphe Bouguereau, W. Butterfield,

Alexandre Cabanel, Jean-Baptiste Carpeaux, Théodore Chassériau, John Constable, Petrus Josephus Hubertus Cuypers,

Johann Christian Claussen Dahl, Thomas Deane, Charles De Groux, Eugène Delacroix, Georg Dollmann, Gustave Doré, Jehan Duseigneur,

Eckersberg, Anselm Feuerbach, Emanuel Frémiet, Caspar David Friedrich, Johann Heinrich Füssli,

Charles Garnier, Théodore Géricault, Francisco José de Goya y Lucientes,

Friederich Georg Kersting, Max Klinger, Joseph Anton Koch,

Henri Labrouste, Jean-Baptiste Antoine Lassus, Jean-Paul Laurens, Lefuel, Jean Auguste Henry Leys,

G. Mengari, Charles Meryon, Andreas Meyer,

John Nash, Nazareners,

Ferdinand Olivier,

Joseph Paxton, Jozef Poelaert, Pomerantsjev, August Pugin,

Ilja Jefimovitsj Repin, Alfred Rethel, Ludwig Richter, Edouard Riedel, Ernst Rietschel, William Robinson, Anton Romako, Carl Rottmann, François Rude, Phillipp Otto Runge,

Eliel Gottlieb Saarinen, Giuseppe Sacconi, Karl Friedrich Schinkel, Karl Schuch, Gottfried Semper, Richard Norman Shaw, Peter Speth, Carl Spitzweg, Robert Stephenson,

Thomas Telford, Hans Thoma, Francis Thompson, William Turner,

Friedrich Von Amerling, Ernst Von Bandel, Von der Hude, Johann Georg Von Dillis, Heinrich Von Ferstel, Wilhelm Von Kobell, Hans Von Marées, Adolf Von Menzel, Moritz Von Schwind,

Ferdinand Waldmüller, Paul Wallot, Gustave Wappers,

 

Aanduiding van een cultuurbeweging die ontstond aan het eind van de 18de eeuw en een reactie was op de Verlichting en het rationalisme.

In de kunsten betekende deze omkering van waarden en accentueringen: anticlassicisme, verwerping van strikte regels, onderwerping van de vorm aan de fantasie, van het cerebrale aan de emotie: triomf van de individualiteit als spiegel van het goddelijke.

Een aantal van de boven aangegeven, als romantisch gekwalificeerde eigenaardigheden is al te vinden tijdens de Verlichting. Men is daarom ter aanduiding hiervan gaan spreken van de ‘voorlopers’ en van de preromantiek, die ca. 1770 begint.

De term romantiek hangt samen met de romances, balladen, avontuurlijke verhalen op rijm, die in Engeland al in de 17de eeuw ‘romantic’ werden genoemd. De cultus van het gevoel, de aversie van het cerebrale en van het mechanische wereldbeeld van de Verlichting brak al na het midden van de eeuw door. Het sentimentalisme, de geniecultus, de uitgesproken antiburgerlijke geest van de Sturm und Drang was één grote aanval op het rationalisme. De preromantiek, de Sturm und Drang waren artistieke en literaire bewegingen die gedragen werden door een jonge generatie, veelal van burgerlijke afkomst, die zich juist afzette tegen de burgerij, maar tevens, deels onbewust, tegen het verlicht-absolutistische bestel, dat een verdere ontplooiing van de burgerij blokkeerde en dat in hun ogen de belichaming was van verstard steriel rationalisme. Was het in Duitsland een culturele emancipatiebeweging die zich in eerste instantie richtte tegen de eigen, niet-geëmancipeerde en berustende sociale kaste, de burgerij, in Frankrijk (Rousseau) en in Engeland, waar de burgerij politiek al meer geëmancipeerd was, ging die beweging eerder samen met politieke hervormingsdrang; toch bleef ook hier het sentimentalisme, de eigenlijke preromantiek, bovenal een artistieke en literaire beweging, maar vooral een beweging nog binnen het oude stelsel van absolutisme en standenstaat.

Wat de generatie van ca. 1800 onderscheidt, is de nieuwe politieke en sociale achtergrond. De Franse Revolutie had de oude ordening doorbroken. De revolutionaire ideeën en het vooruitgangsoptimisme waren, mede als gevolg van de coalitieoorlogen, in diskrediet geraakt. Het antirationalisme en het sentimentalisme kregen een dimensie van werkelijkheids- en wereldvlucht, die aan de Sturm und Drang nog vreemd was geweest. Wil men een begin van die specifieke verbinding tussen antirationalisme en gevoelscultus aan de ene en heimwee naar het verleden, naar de geborgenheid, dus wereldvlucht, aan de andere kant, die zo karakteristiek is voor het typisch romantische, dan zou men dat bij de Duitse ‘romantische school’ in Jena ca. 1800 kunnen vinden, bij de gebroeders Schlegel, bij Tieck en Schelling en vooral bij Novalis. Het betrof hier echter een kleine, zij het spoedig invloedrijke kring van literatoren

De zuivere romantiek was maar een zeer beperkte stroming binnen een veel wijder geheel, dat tenslotte gemakshalve zo is genoemd. Want evenzeer als na 1770 al binnen de context van het verlichte absolutisme de tegenbeweging begon, bleven Verlichting en rationalisme na 1800 nog op vrijwel elk gebied doorwerken, zelfs bij figuren die men op goede gronden tevens exponent van de romantiek kan noemen: Hegel, Schopenhauer, Burke, Eugène Delacroix. Classicisme en romantiek bestonden niet alleen gelijktijdig, maar beïnvloedden elkaar regelrecht en na 1800 bleef ook bij uitgesproken romantici de klassieke oudheid een wezenlijk oriëntatiepunt.

Individualisme en pantheïsme, die binnen de gevestigde orde van vóór 1789 naar de toekomst hadden gewezen, moesten – nu die orde door de Franse revolutie was weggeslagen – een nieuw houvast zoeken; zo kwamen de romantici tot het nieuwe collectivisme, omvattende religie en volksgemeenschap. De hang naar geborgenheid kon zich in een retrospectieve, maar ook in een progressieve beweging uiten: óf het verleden óf de toekomst beloofde de bescherming die men in het heden vergeefs zocht. Naast het conservatisme, naast het réveil, vertoonden ook de progressieve stromingen – nationalisme, liberalisme – romantische trekken. In het progressieve kamp was het erfgoed van de Verlichting echter veel sterker aanwezig; vandaar dat het de politieke reactie was die zich het gemakkelijkst kon verbinden met het oude, ook al uit de Verlichting daterende antirationalisme en sentimentalisme. En omdat de politieke daadkracht en het zelfbewustzijn van de burgerij in de Duitse landen naar verhouding geringer waren dan in Frankrijk en Engeland, is in Duitsland sterker en zuiverder dan in het westen de verbinding te vinden van sentimentalisme en reactie, van wereldvlucht en kosmische gevoelsexpansie, die tot het ideaaltype van de romanticus behoort.

Omdat romantiek altijd een verbinding van een aantal elementen vereist, is het mogelijk ook in andere tijden romantiek en romantici te herkennen. Wereldvlucht, antirationalisme, verlangen naar geborgenheid, gevoelscultus, liefde voor het kleurrijke, voor het verleden, expansiedrang en als onvermijdelijke begeleiding de behoefte aan uitblussing van het ik – het zijn stuk voor stuk eigenaardigheden, houdingen en tendenties die latent in alle perioden aanwezig zijn en soms sterker, soms vager, manifest worden. Dat de neiging bestaat daarbij de term romantisch te gebruiken, terugdenkend aan die ene periode in de geschiedenis, komt omdat toen voor het eerst een unieke verbinding van al die elementen tot stand kwam, die op nagenoeg alle terreinen van de cultuur grote betekenis heeft gehad.

Al in de eerste decennia van de 18de eeuw deed het romantische element zijn intrede in de Engelse tuinkunst met de landschapstijl (zie tuinarchitectuur). De landschapstuin komt voort uit een mystieke natuurbeschouwing die sterk in tegenstelling staat tot het rationele natuurbegrip van de Verlichting. De landschapstijl verspreidde zich later in de 18de eeuw buiten Engeland, ook in Nederland.

De nieuwe natuurbeschouwing en het nieuwe historisch besef vormden de grondslag voor de romantische architectuur en beeldende kunst. Belangstelling voor de geschiedenis leidde in de architectuur tot herleving van oude bouwstijlen. In dit licht wordt het classicisme, de inspiratie door klassieke bouwwerken naar het voorbeeld van bouwmeesters uit de renaissance, beschouwd als deel van de romantiek (romantisch classicisme). Het classicisme manifesteerde zich het eerst (ca. 1720) in Engeland als Palladianisme. De klassieke bouwvorm werd, in tegenstelling tot de barokke, gewaardeerd vanwege de duidelijke functie van de bouwelementen. Functionalisme werd ervaren als natuurlijk, in overeenstemming met de natuur. Hierdoor kan tevens het samengaan van classicistische gebouwen en landschapstuinen in Engeland verklaard worden.

De classicistische bouwstijl verspreidde zich in Europa en de Verenigde Staten, evenals de neogotiek (zie neostijlen), die midden 18de eeuw, eveneens in Engeland, tot ontwikkeling kwam met als hoogtepunt de Houses of Parliament in Londen (begonnen 1836). De gotische bouwstijl brengt het pittoreske naar voren; constructie en functie gaan erachter schuil. Na 1800 kregen de Europese landen door het toegenomen nationalisme meer interesse voor de eigen architectuurgeschiedenis en werd de neogotische stijl vaker toegepast dan het classicisme.

Omstreeks het midden van de 19de eeuw volgde nog een herleving van de bouwstijlen uit de renaissance en de barok. In de late romantiek kwam de vermenging van die stijlen in gebruik, bijv. in de Opéra in Parijs (1861–1874) en de paleizen van koning Lodewijk II van Beieren, zoals bijv. Neuschwanstein.

Ook in de schilderkunst was er geen ‘romantische stijl’. De sinds de renaissance traditionele naturalistische weergave van de werkelijkheid bleef gehandhaafd. Wel was de techniek divers: van precies en gedetailleerd tot los en dynamisch. Compositie, kleurgebruik en modellering werden vrijer. Beeldend kunstenaars vonden nieuwe uitdrukkingswijzen voor de eigen emotie, fantasie en mystieke beleving, o.a. in het landschap. Het aquarelleren werd ontwikkeld tot een volwaardige tak van de schilderkunst. De romantische landschapschilder werd getroffen door de zuiverheid en de grootsheid van het landschap, woedende elementen, duisternis en het contrast van licht en donker. Scholen van romantische landschapschilders waren: in Frankrijk de School van Barbizon, in Nederland de Haagse School en in de Verenigde Staten de Hudson River School. In Groot-Brittannië worden Constable en Turner tot de landschapschilders van de romantiek gerekend, in Nederland Barend Cornelis Koekkoek en W.J.J. Nuyen en in Duitsland Caspar David Friedrich. De laatste schilderde het typisch romantische onderwerp van de ruïne in het landschap.

Het historiestuk bleef een belangrijk genre in de romantiek. In de tijd van de Franse Revolutie was de classicistische schilder Jacques-Louis David de meest vooraanstaande historieschilder. In de napoleontische tijd werd Davids academische stijl met de nadruk op de lijnvoering voortgezet door zijn leerling Ingres. Antoine-Jean Gros, Géricault en Delacroix ontwikkelden een meer barokke stijl en schilderden turbulente scènes met gebruikmaking van draaiingen van het lichaam en kleur- en lichteffecten. Zij beïnvloedden in Nederland Ary Scheffer.

Goya schilderde in Spanje actuele gebeurtenissen tijdens de bezetting door Napoleons troepen in een expressieve stijl. In Nederland was Jan Willem Pieneman de historieschilder van de napoleontische tijd. In Groot-Brittannië was Lawrence Alma Tadema de romantische historieschilder.

Door de individualisering van het werk van de kunstenaar kwamen romantische schilders tot de uitbeelding van een subjectieve droom- of fantasiewereld. Giovanni Battista Piranesi, F. de Goya, Johann Heinrich Füssli en William Blake zijn hiervan voorbeelden. In Oostenrijk begon een herleving van de middeleeuwse christelijke kunst in de schilderijen en de grafiek van een in 1809 opgerichte broederschap die bekend werd onder de bijnaam de Nazareners.

In de beeldhouwkunst werd de romantiek vooral vertegenwoordigd door Gottfried Schadow, Antonio Canova en Thorvaldsen. Zij werkten voornamelijk in een classicistische, lineaire stijl. Zoals in de schilderkunst werd dit classicisme losgemaakt van het klassieke onderwerp. Historische figuren en tijdgenoten werden in klassiek gewaad uitgebeeld. Een verfijnd naturalisme maakte opgang. In Frankrijk volgden de beeldhouwers Rude, P.-J. David d'Angers en Jean Baptiste Carpeaux de barokke stijl van de historieschilders en gaven hun beelden en reliëfs grotere complexiteit en dynamiek. De weergave van karakter en gemoedstoestanden, een typisch romantisch streven, werd ontwikkeld in de portretbeelden van F. Messerschmidt en de reliëfs van A. Préault en P.-J. David d'Angers en ook in de dierplastiek van A.-L. Barye. (Encarta 2001)

 

ECLECTICISME

(Eclectisme)

In de beeldende kunst en architectuur (van het Griekse eklegoo = uitlezen, kiezen) term gebruikt wanneer diverse stijlen en technieken uit vroeger tijden worden gecombineerd. Het woord is voor het eerst gebruikt door Johann Joachim Winckelmann, die in 1763 de gebroeders Carracci (overigens ten onrechte) van eclecticisme betichtte. In feite kwam het verschijnsel reeds voor bij de Grieken, die vooral tijdens het late hellenisme de neiging hadden kunstwerken van vroeger na te volgen en bij de vormgeving elementen kozen die ontleend waren aan zeer uiteenlopende perioden. In de architectuur kan men alle vormen van classicisme als eclectisch beschouwen, maar de term eclecticisme wordt met name gebruikt in verband met de neostijlen van de 19de eeuw. (Encarta 2007)

 

------------

 

NEOSTIJLEN

Vertegenwoordigers: Théodore Ballu, Charles Barry,

neostijlen, ook historiserende stijlen of historicisme; Een samenvattende benaming voor de op het verleden geïnspireerde stijlen in de architectuur, maar ook in de beeldende en overige kunsten.

In de architectuur zijn de neostijlen een typisch verschijnsel van de 19de eeuw, al dragen de diverse eerdere vormen van classicisme toch ook al allerlei elementen uit het verleden in zich. Na de Franse Revolutie kwam er een einde aan de barok die haar nabloei had beleefd in de Lodewijkstijlen, waarvan de laatste, het Louis-XVI, een sterk classicistische inslag had. Het Napoleontische keizerrijk ging in zijn officiële kunst willens en wetens teruggrijpen op antieke, speciaal Romeinse, maar ook Egyptische voorbeelden; het empire is al een neostijl. Ook de Restauratie toonde deze voorliefde. Kerken werden zo imitaties van Romeinse basilica's, voorzien van een klassiek tempelfront. Voorbeelden zijn de Notre-Dame-de-Lorette te Parijs (1823–1836), St-Vincent-de-Paul te Parijs (1824–1844), de Église de la Madeleine te Parijs (imitatie van een Korinthische tempel, tijdens de Restauratie voltooid) en de door Napoleon begonnen Arc de Triomphe werd voltooid in 1836). In Nederland was de in 1845 door Zocher gebouwde Beurs te Amsterdam een verlaat voorbeeld van een door het empire beïnvloed classicisme en hetzelfde valt te zeggen van het door Tieleman Franciscus Suys gebouwde tempelfront voor de Mozes-en-Aäronkerk aldaar (1837–1841). Een speciale vorm van neoclassicisme werd nog het néogrec, in Nederland o.a. toegepast door Zocher; een typisch voorbeeld biedt het als de fameuze ‘winkel van Sinkel’ in 1835 gebouwde huis Oudegracht 158 te Utrecht, met zijn gietijzeren kariatiden en in het interieur een zaal met classicistisch stucwerk. Het neoclassicisme werd in België toegepast door architecten als Pierre Bruno Bourla (voormalige schouwburg in Antwerpen) en Lodewijk Joseph Adriaan Roelandt (universiteitsgebouwen in Gent). Ook het industriedorp Le Grand Hornu is neoclassicistisch opgevat.

Voorts valt de neorenaissance te vermelden; een belangrijke meester van deze richting was de Italiaan Gaetano Koch, de schepper van o.a. de Piazza dell'Esedra te Rome. In Nederland bouwde Cornelis Outshoorn in deze stijl. Petrus Josephus Hubertus Cuypers was bij tijd en wijle aanhanger van deze richting, getuige zijn Centraal Station (1889) en het Rijksmuseum (1885), beide te Amsterdam. Zelfs presteerde hij het om in het Brabantse Oudenbosch de Romeinse St.-Pieter met koepel en al op verkleinde schaal na te bouwen (1865). Gewoonlijk echter ging de neo-renaissancistische richting in Nederland uit van de overdadig gedecoreerde stijl van de vroege 17de eeuw. De vele herenhuizen en villa's in deze stijl bepalen het beeld van een groot deel van de laat-19de- en vroeg-20ste-eeuwse straten en singels. Een beroemd voorbeeld van de neorenaissance in België is de St.-Hubertusgalerij te Brussel (door Jan Pieter Cluysenaar). In een Vlaamse variant van de neorenaissance ontwierp Hendrik Jozef Frans Beyaert o.a. de gebouwen van de Nationale Bank in Brussel en Antwerpen.

Een vorm van neobarok leefde zich in Nederland uit in de zgn. waterstaatskerken, maar vond zijn hoogtepunt in de St.-Nicolaaskerk te Amsterdam (1887, door A. Bleys).

Parallel aan het neoclassicisme ontwikkelde zich vanaf het midden van de 18de eeuw in Groot-Brittannië de neogotiek (Eng.: Gothic revival). Onder invloed van de vroege romantiek ontwierp men daar niet enkel kunstmatige ruïnes (Edgehill, 1746), maar ook complete gebouwen: Strawberry Hill (Sir Horace Walpole, 1753–1776), Fonthill Abbey (door William Beckford, 1796). Behalve door de romantiek werd de nieuwe voorliefde voor de gotische stijl ook bevorderd door het feit dat men na de Franse Revolutie en de Napoleontische oorlogen talrijke kerken die in dat tijdperk zwaar geleden hadden, te restaureren kreeg. Dit bracht de architecten in contact met de bouwprincipes en -methoden van hun middeleeuwse voorgangers. In Keulen werd begonnen met de voltooiing van de middeleeuwse dom. In Frankrijk waren vooral Chateaubriand en Victor Marie Hugo de voorvechters van het nieuwe ideaal; een van de eerste neogotische bouwwerken was de Ste-Clothilde te Parijs (begonnen 1846). De meest gezaghebbende figuur van de Franse neogotiek, tevens haar theoreticus, werd echter Viollet-le-Duc, een rol die in Groot-Brittannië werd vervuld door vader en zoon Pugin en later door Sir Gilbert Scott. Vanaf 1836 verrees te Londen het parlementsgebouw naar plannen van A. Pugin en Ch. Barry. In België was baron Jean de Béthune de promotor van de neogotische stijl, daarin door talrijke architecten gevolgd, o.a. Joseph Philippe Poelaert, Jozef Schadde, L. Cloquet en Joris Helleputte. In Nederland, waar al onder koning Willem II, onder Engelse invloed, enkele schuchtere pogingen waren gewaagd (Gotische Zaal en Willemskerk, Den Haag, 1840; Nederlands Hervormde kerk, Zeist, 1843; paleis, later raadhuis, Tilburg, 1847–1849), werd J.K. Alberdingk Thijm de inspirator van de Amsterdamse en mgr. G.W. van Heukelum van de Utrechtse School van de – katholiek georiënteerde – neogotiek. De voornaamste bouwmeester van de eerste werd Cuypers, met als ruggensteun de veelzijdige Victor de Stuers, van de tweede richting de architect Alfred Tepe en de beeldhouwer Friedrich Mengelberg. Cuypers en zijn richting lieten zich, op een vrije wijze, inspireren door de Franse gotiek, de Utrechtse richting volgde getrouwer vooral Duitse voorbeelden. Beide scholen trachtten de beeldende kunsten te integreren in het architectonische concept. Zowel de architectonische als de handwerkproducten van de neogotiek zijn lange tijd als artistiek onbelangrijk beschouwd. In de tweede helft van de 20ste eeuw kwam het besef dat zij wel degelijk esthetische waarde kunnen bezitten. Dit kwam o.m. tot uiting door het feit dat in 1974 een aantal neogotische kerken op de monumentenlijst werd geplaatst.

Vermeld zij tot slot de Neobyzantijnse architectuur, die weinig toepassing vond. Haar voornaamste product is de tussen 1895 en 1903 door J.F. Bentley gebouwde Westminster Cathedral te Londen. Ook Paul Abadie weze hier vermeld. (Encarta 2001)

 

 

Buckingham Palace, 1703 v., Londen

Buckingham Palace werd in 1703 als Buckingham House gebouwd; het werd in 1824–1830 door Nash verbouwd en in 1846 vergroot. De huidige 120 m lange classicistische gevel van portlandsteen werd in 1912 door Sir Aston Webb aangebracht.

 

 

Muurlamp met putto, kasteel Linderhof, Slaapkamer

Linderhof (1874-78) is gebouwd in opdracht van koning Ludwig II van Beieren. Een villa in Franse rococostijl die in vele opzichten aan het Petit Trianon in Versailles doet denken. (Encarta 2001)

 

 

ROBINSON, Strawberry Hill, 1750-70, Twickenham

Van Wil. Robinson. Landhuis dat uitgebreid werd en een gotische vorm kreeg: neogotiek, vooral door onregelmatig plan (laatbarok had nog altijd een geordend plan). (?)

 

 

Naaitafeltje in de vorm van een globe, ca. 1830?,

De biedermeierstijl is een burgerlijke stijl die een eigen, zelfstandig type meubel heeft voortgebracht. Aanvankelijk ontleende men de vorm aan het empire, maar men wendde zich (ca. 1800-1830) van deze richting af en ging meubels vervaardigen die geen aristocratische grootte bezaten, maar doelmatig aangepast waren aan kleinere woningen. Kubusvormen, segmenten en ovalen met hun verschillende varianten vormen een geheel dat, met de vriendelijke lichte oppervlakken van het hout, een sfeer van eenvoud schept. Het burgerlijke milieu drukt op alles zijn stempel. (KIB 19de 240)

 

 

Dulwich Gallery, 1811-14, Londen

Bakstenen gebouw. Alle insnijdingen in de muren zijn niet omkaderd. Decoratie: lineaire abstractie. (?)

 

 

Ovale damesschrijftafel, ca. 1830, Wenen, Österreiches Museum für angewandte Kunst

 

 

VISCONTI en LEFUEL, Louvre, Noord-Westvleugel (Rue Tivoli), 1852-57, Parijs

Van L.T.J. Visconti en H.M. Lefuel. Sommige elementen komen van het oude Louvre. Conglomeraat van renaissance, barok. De paviljoenen zijn opvallend versierd met sculpturen, zonder organische samenhang: cf. voluten boven dubbelzuilen op hoekpaviljoenen.

Sinds de schittering van het Tweede Keizerrijk tot bewondering strekte van de hele wereld, werd het nieuwe Louvre als model genomen voor vele gebouwen. Eclectisch.

 

 

BROADRICK, Grand hôtel, 1863-67, Scarborough

Van C. Broadrick. Eerste kasteel-hotel met zeer grote invloed. Een voorbeeld van hoe de prestigieuze imperiale kwaliteit van het historicisme op elk gebouw toepasbaar is. (?)

 

 

SCOTT, Kathedraal, 1874-79, Edinburgh

Van Gil. Scott, een van de meest bekende gotiek-specialisten van de 19de eeuw. Droog en strak. (?)

 

 

CUIJPERS, Rijksmuseum, 1877-85, Amsterdam

Door P.J.H. Cuypers. Laat-gotiek, Franse renaissance, 16de-eeuwse Hollandse stijl. Binnenin glas- en ijzerconstructies. Combinatie van bouwkunst en ingenieurskunst.

 

 

Kathedraal (Dom) van Keulen, voltooid 1880,

De bouw van de dom te Keulen, waarvoor in 1248 de eerste steen was gelegd, heeft vanaf 1560 stilgelegen. In 1814 drong Görres in de 'Rheinische Merkur' op de voltooiing aan, waarom reeds vanaf de 17de eeuw gevraagd was. Pas in de 19de eeuw kon een en ander verwerkelijkt worden en de voltooiing is een hoogtepunt geworden in deze zo sterk naar de middeleeuwen neigende periode. Het ging hierbij om een nationale Duitse en tevens een Europese zaak. In 1804 stelde keizerin Joséphine geld beschikbaar voor kleine herstellingen. In 1840 gaf Friedrich Wilhelm IV opdracht voor de verdere voltooiing. In 1808 begon Sulpiz Boisserée ontwerpen te tekenen. In 1814 en 1816 werden de oude plattegronden teruggevonden. Het onderzoek en het rapport van Schinkel waren van belang voor het werk, dat in 1833 met Zwirner als domarchitect begon. Hij werd in 1862 opgevolgd door Richard Voigtel. Het monumentale bouwwerk geeft blijk van het zelfbewustzijn dat deze tijd, ondanks twijfel en moeilijkheden, gekenmerkt heeft. Er wordt heden wel beweerd dat wij de capaciteiten om de geschiedenis, haar vernielingen en de belemmeringen te tarten, verloren hebben. De wederopbouw van de Europese steden na de Tweede Wereldoorlog heeft deze kwestie weer actueel gemaakt. (KIB 19de 230)

 

 

WALLOT, Reichstag, 1884-94, Berlijn

Van Paul Wallot. Bombastische neogotiek.

 

 

Reliance Building, Chicago

In 1890 vier verdiepingen. In 1894 uitgebreid tot 13. Staat op de grens van het historicisme en overstijgt het reeds. Horizontale banden verwijzen naar het verleden. Hier toch overbrugging van bouwkunst en ingenieursbouwkunst. (?)

 

 

BERLAGE, Stock Beurshalle, 1898-1903, Amsterdam

Overgang naar de 20ste-eeuwse bouwkunst. Door H.P. Berlage. Eerder combinatie dan synthese van architectuur en ingenieursbouwkunst (zoals St-Genevièvebibliotheek te Parijs). Toch al een grote vrijheid in de historische reminiscenties. Glas en ijzer zijn meer betrokken op de ruimte. (?)

*****

ROMBOUTS & DROSTE

Guy & Monika

Leuven 1949 (Guy Rombouts)

Warschau 04.05.1958 – Antwerpen 11.11.1998 (Monika)

Opgeleid als typograaf. Al sinds eind jaren ‘1970 blijkt in zijn werk de fascinatie voor letters. In 1983-1984 creëert hij een eigen alfabet, het Azart (= AZ-art maar ook het Franse woord hasard). Samen met zijn (overleden) echtgenote Monica Droste (1958-1998) ontplooit Rombouts aan de hand van tekeningen, sculpturen en installaties de 26 tekens van het alfabet in de meest verscheiden ruimtes in binnen- en buitenland. Hij voert er ook grote blijvende projecten mee uit zoals in het metrostation Tomberg in Brussel en op het Java-eiland in Amsterdam.

Als telg uit een drukkersfamilie en na zijn opleiding als typograaf gaat hij zich vragen stellen rond taal als communicatiemiddel en vooral over de relaties van het woord en de dingen waar het naar verwijst. Vooraleer een eigen alfabet te ontwerpen (“het Rombouts”), vervangt hij in 1979 de letters van het alfabet door gewone objecten waarvan de naam uit drie letters bestaat (een aal, een bol, een jas, een kam, enz…). Met zijn nieuwe lijnenalfabet, waarmee hij kleuren, geuren en geluiden associeert bespeelt hij alle zintuigen. Sindsdien vertaalt hij woorden en zinnen in lineaire en driedimensionale vormen en objecten. In 1987 zal hij samen met Monika Droste, die zelf met mathematische taalstructuren werkt, hun gezamenlijke oeuvre  verder uitbouwen onder nieuwe naam ‘Azart’. Het alfabet wordt uitgebreid tot de Franse, Duitse en Engelse taal.

Hun oeuvre, beladen met poëtische verwijzingen, nodigt uit tot een veelzijdige lectuur, die tegelijk plastisch en literair is. Steeds draait hun werk rond het schrift. Elke letter uit het Romeinse alfabet associëren zij met een nieuwe schriftuur en met een kleur, die steeds geïnspireerd is op een woord dat begint met de letter in kwestie. Het op die wijze veranderde alfabet nodigt uit tot alle mogelijke combinaties, in een spel van muzikale, literaire, historische, artistieke, filosofische en zelf esoterische referenties. Als zielsverwanten van Magritte of Broodthaers houden zij van rebussen, half verborgen tekens en labyrintische zinnen die via een heleboel materialen (tapijt, hout, steen, glas, neon, papier) vorm krijgen in grafische werken, voorwerpen of installaties. Men dwaalt er fysiek of mentaal in rond, aangezien de werken zich overal integreren: in de natuur, in de architectuur, het water en de stad. (na 1975 56; standaard kunstbib 2, 56)

 

 

ROMBOUTS & DROSTE, Gebeurtenissen die zich verharden tot het object waarop we zitten en abstracte zelfstandige naamwoorden die de stevigheid van een tafel verwerven, 1986, detail, MDF, metaal, hout, lak, 205x370, (20x)39x40x40, (18x)73x120x60, Antwerpen, MUHKA (Verzameling Vlaamse Gemeenschap)

 

 

ROMBOUTS & DROSTE, Alfabet, 1992, gelakt staal, installatie in de bibliotheek van de K.U. Leuven

 

 

ROMBOUTS & DROSTE, Rencontrer-ontmoeten, 1997, staal, Brussel, Graaf de Ferrarisgebouw (permanente installatie)

 

 

ROMBOUTS & DROSTE, Tao (detail), 1998, geglazuurde tegelwand, 900x1000, Brussel, Metrostation Tomberg

*****

Ga verder

top

hoofdindex