*****

ROME

Sint-Pietersbasiliek, Rome

DE OPRICHTING VAN DE OUDE SINT-PIETER

De basiliek werd oorspronkelijk gebouwd door keizer Constantijn, na zijn overwinning op Maxentius bij de Pons Milvius (312), ter ere van de heilige Petrus, met het uitgesproken doel daarin het schrijn op te stellen, dat de aandacht van de gelovigen op het graf van de apostel moest vestigen. De kerk behield haar oorspronkelijke architectonische vorm tot het begin van de 16de eeuw, toen het westelijke gedeelte werd gesloopt.

De priester Tiberio Alfarano, provenier van de Sint-Pieter, beschreef de kerk in De Basilicae Vaticanae antiquissima et nova structura tot in de kleinste details en tekende ook een grondplan. Nieuwere onderzoekingen en navorsingen hebben aangetoond dat dit werk een van de beste informatiebronnen over de oude Sint-Pieter is. De klokkentoren met de gouden aardbol en een bronzen weerhaan op de spits ontstonden pas in de 8ste eeuw (de tekening van Jacopo Grimaldi toont hem met de in de gotiek aangebrachte veranderingen); deze toren werd een voorbeeld voor vele andere klokkentorens.

Voor de basiliek lag een atrium (in het beroemde, aan Giotto toegeschreven mozaïek der Navicella) met een zuilenhal, met in het midden daarvan een bad waarin de gelovigen hun voeten konden wassen. Aan het eind van de 4de eeuw legde paus Damasus I een fontein aan waarin alle bronnen van de Vaticaanse heuvels samenstroomden, die door hun ongecontroleerde loop in de zuilenhal aan vele graven van pausen en beroemde personen ernstige schade hadden toegebracht. Het werk van deze paus werd in een door hemzelf ontworpen en in de grot aangebrachte inscriptie bewaard. De Damasusbronnen, waarboven een bronzen koepel op porfierzuilen rustte, werd aan het eind van de 5de en het begin van de 6de eeuw door paus Symmachus verfraaid. Hij liet de bronzen pijnappel (pigna) opstellen die zich thans in de Belvederehof bevindt, en versierde hem met dolfijnen en pauwen. Met het water uit de bronnen vulde paus Damasus ook het doopbekken van het Vaticaanse baptisterium, dat zich toen in het midden van het dwarsschip bevond en waar ook de stoel van Petrus moest staan.

De façade van de basiliek was met mozaïek ingelegd; een tweede, op last van Leo de Grote vervaardigd mozaïek werd onder Gregorius IX (1227-1241) gerestaureerd. Het stuk bestond uit twee delen met bovenaan de Verlosser met naast zich zijn apostelen, en beneden aan zijn voeten ter linkerzijde geknield Gregorius IX. In het gedeelte van de façade dat aan het atrium grensde, bevonden zich vijf portalen, waarvan het middelste het zilveren portaal werd genoemd, omdat het met bladzilver was versierd.

Binnen in de kerk verdeelden vier zuilenrijen de ruimte in vijf schepen. De dwarsbeuk reikte verder dan de muren van de lengtebeuk, waardoor het gebouw de vorm van een Latijns kruis kreeg. Voor de apsis bevond zich de schrijn boven het graf van Petrus. Aan de buitenkant was de schrijn voorzien van marmeren sierstukken, zodat hij terstond opgemerkt werd door iedereen die binnentrad. Een baldakijn, dat door vier spiraalvormige zuilen met kruisvormige wijnranken erop gedragen werd, overhuifde de plaats. Een hanglamp onder de baldakijn had de vorm van een kroon.

Gregorius de Grote (590-604) liet de vloer van de apsis verhogen en boven de schrijn een tafel opstellen, waaraan hij de mis celebreerde. Bovendien liet hij naast het altaar een door vier zilveren zuilen gedragen tabernakel oprichten.  Ook de gang, in de vorm van een halve cirkel langs de binnenzijde van de apsis aangelegd en met een rechte toegang tot het altaar, dateert uit die tijd.  Deze feiten dienen vermeld te worden daar het hier gaat om een eerste voorbeeld van een crypte in de vorm van een halve cirkel en vrijwel zeker om een eerste voorbeeld van een verhoogd priesterkoor. Het mozaïek van de apsis schijnt een feestelijke afkondiging van de wet te hebben voorgesteld. Onder Innocentius III (1198-1216) werd het volkomen vernieuwd. Op Grimaldi's tekening, die ontstond toen de basiliek werd afgebroken en op de schilderingen in de grotten, is te zien dat het bovenste gedeelte van het mozaïek een tussen Petrus en paus tronende Christus voorstelde en het onderste deel de troon met het kruis, en het mystieke lam, met aan weerszijden Innocentius III en een vrouwenfiguur die de ecclesia romana moest verbeelden. De beide steden Bethlehem en Jeruzalem, die het mystieke lam hadden voortgebracht, benevens enkele bomen en twee palmen met een feniks tussen de twijgen completeerden het beeld.

Het middenschip was versierd met een serie fresco's, waarop taferelen uit het Oude en Nieuwe Testament voorkwamen en die in vele andere plaatsen in Midden-Italië werden nagevolgd. Aanvankelijk aan paus Formosus toegeschreven, maar in werkelijkheid vier eeuwen eerder onder Leo de Grote (440-461) vervaardigd, was de reeks fresco's waarop Adrianus I een brief aan Karel de Grote bevestigt. Tussen de vensters bevonden zich de afbeeldingen van profeten met daaronder in twee gedeelten aan de linkerkant episodes uit het Nieuwe en aan de rechterkant uit het Oude Testament. Vervolgens kwam een deel met medaillons van pausen, en in de narthex het portaal tussen het atrium en de kerkingang, waren twaalf taferelen uit het leven van de heilige Petrus aangebracht.

Op Grimaldi's tekening van het toegangsportaal zijn duidelijk enkele bijzondere monumenten van de vereerde heilige plaatsen te onderscheiden, evenals het Oratorium dat in 705 onder Johannes VII werd gebouwd ter ere van de Moeder Gods. Dat is op te maken uit de inscriptie op de achterzijde onder aan de uitbeelding van de maagdelijke koningin. Naast en boven de Mariafiguur waren taferelen uit het leven van Jezus aangebracht, aan de muren zag men Petrus bij het prediken in Antiochië, Jeruzalem en Rome. De mozaïekresten in de kerk Santa Maria in Cosmedin (het misschien mooiste en zeker niet het minst gerestaureerde fragment), in Orte en in de Vaticaanse grotten geven een idee van de decoratie van het Oratorium, waar het altaar met de Zweetdoek van Veronica voor stond en dat in de Middeleeuwen een zeer vereerde relikwie was. Achter het Ravegnanaportaal lag de in een punt uitlopende 'kapel' van Bonifatius VIII (1295-1303) met zijn grafmonument. Een beeld van deze paus, door Arnolfo di Cambio vervaardigd, bevindt zich nu in de grot. Hoewel het zeer bekende bronzen beeld van de heilige Petrus aan de meest uiteenlopende kunstenaars werd toegeschreven, zoals bijvoorbeeld aan Arnolfo di Cambio of aan zijn leerlingen, hellen de wetenschapslui op grond van kenmerken in de uitvoering nu over naar de mening dat het in de latere Middeleeuwen is ontstaan.

Martinus V (1417-1431), altijd bereid aan de verfraaiing van Rome bij te dragen, restaureerde de zuilenhal van de basiliek, die tot die tijd in een zeer slechte toestand verkeerde. Eugenius IV (1431-1447) waren cultuur en de humanistische kunsten, ondanks de gebeurtenissen in zijn stormachtige pontificaat en ondanks zijn strenge kloosterlijke opvattingen, verre van onverschillig. Hij restaureerde niet alleen de oude Sint-Pieter, maar gaf Antonio Averlino, Filarete genoemd, opdracht de bronzen deuren te maken, die in de plaats van het oude zilveren portaal moesten komen. Daaraan heeft de kunstenaar uit Firenze van 1433 tot 1445 gewerkt, juist in de voor de paus zo bittere jaren, toen hij gedwongen werd Rome te verlaten. De deuren zijn in drieën verdeeld: de twee bovendelen zijn rechthoekig, het onderste deel vierkant. In volgorde van boven naar onderen stellen ze voor: Christus ten troon, de Maagd ten troon, Paulus en Petrus met Eugenius IV aan hun voeten geknield, daaronder de marteldood van dezelfde apostelen. De afscheidingen liggen gevat in vele krullerige slierten, die dieren, taferelen uit de mythologie en de Romeinse geschiedenis en medaillons van keizers en andere belangrijke persoonlijkheden bevatten. Zij werden door vier andere beeldstroken onderverdeeld, die gebeurtenissen uit het pontificaat van Eugenius IV weergaven: het vertrek van Johannes Palaiologos naar Italië en zijn ontvangst door de paus, het concilie van Firenze en de aftocht der Grieken uit Venetië, de kroning van keizer Sigismund en zijn rit met de paus, abt Andreas van de broederschap van Sint-Antonius in Egypte bij de ontvangst van de oorkonde aangaande de eenwording der beide kerken en de aankomst van de abt in Rome, waar hij de graven der apostelen wilde bezoeken. Aan de binnenkant portretteerde Filarete zichzelf en zijn helpers met hun namen aan de onderzijde van de rechterdeur, twee andere zelfportretten en een ondertekening bevinden zich aan de voorzijde. Dit werk dat door Vasari werd bekritiseerd, wekt in het bijzonder in de kleine reliëfs en in de versieringen toch een zekere kunstzinnige rechtvaardiging. Het verguldsel en de emailleringen, waarvan nog resten bewaard zijn gebleven, hebben stellig bijgedragen tot de uitdrukkingskracht.

Ten aanzien van het interieur van de basiliek ten tijde van Eugenius IV is in de miniaturen van een exemplaar van de Grandes Chroniques de France (Parijs, Bibliothèque Nationale) door Jean Fouquet (de kroningsscènes van Karel de Grote) een historisch document van bijzondere betekenis bewaard gebleven. Fouquet, van wie wordt aangenomen dat hij samen met Filarete aan de bronzen deuren van de Sint-Pieter heeft gewerkt, verbleef tijdens de ambtsperiode van Eugenius IV in Rome en stond onder invloed van Fra Angelico.

Nicolaas V (1447-1455) opperde als eerste het plan - dat echter niet tot uitvoering kwam - de oude basiliek te vervangen. Op grond van de beschrijvingen en onderzoeking van Leone Battista Alberti vertrouwde hij in 1452 Bernardo Rossellino het project toe. Rossellino ontwierp een godshuis waarin de toen nog gebruikte gotische elementen harmonisch in de klassieke stijl werden verwerkt. De plattegrond bestond uit een Latijns kruis met boven het kruispunt van het dwarsschip een ongelukkig geplaatste koepel en twee zijtorens.

Pius II (1458-1464) verlegde de grafmonumenten uit het hoofdschip naar de zijbeuken, gaf opdracht tot restauratie van de trappen in het atrium en begon met de bouw van de Benedictio loggia, die door zijn opvolgers werd voortgezet en onder Alexander VI (1492-1503) gereedkwam. Deze loggia, die met het pauselijk paleis was verbonden en uit drie rijen met telkens vier bogen bestond, is op een tekening van Martin van Heemskerck (ca. 1533) te zien en daarop is ook de voorhof met het aanzienlijke hoogteverschil goed waar te nemen. Rechts staat de door Innocentius VII gebouwde fontein, die later door Paulus V werd vernietigd.

Van de beeldhouwwerken die in de 5de eeuw de basiliek verfraaiden, dienen wegens hun kunstzinnige betekenis de grafmonumenten van Sixtus IV en Innocentius VIII genoemd te worden, door Antonio del Pollaiuolo ontworpen. Het eerste, door de kunstenaar gesigneerd en gedateerd op 1493; draagt op het deksel de liggende pausfiguur in bas-reliëf. Het is omgeven door de symbolen der theologische en kardinale deugden en diverse figuren op sokkel die de schone kunsten voorstellen. Het stond aanvankelijk in de koorkapel van de oude basiliek, werd daarna in de aangrenzende Rotonda Santa Andrea en tenslotte, na verdere omzwervingen, in de grotten geplaatst. Het graf van Innocentius VIII is het enige monument dat van de oude basiliek naar de nieuwe is verplaatst en het eerste dat een ten troon gezeten paus toont. Aan weerszijden staan in nissen de zogenaamde vier kardinale en daarboven de theologisch deugden uitgebeeld. De wonderbaarlijk goed geslaagde en elegante vrouwengestalten demonstreren Pollaiuolo's ongewoon groot talent voor modellering en dramatische uitdrukking.

In 1499 was Michelangelo gereed met de marmeren piëta; de opdracht daartoe ontving hij dankzij Jacopo Galli van kardinaal Jean de Villiers de la Grollaye, nadat Galli de verzekering had gegeven dat het het mooiste werk van heel Rome zou worden. Dit beeldhouwwerk van de jonge Michelangelo Buonarotti is vol krachtige, dramatische gevoelens en verraadt zowel tendensen uit de Florentijnse traditie uit de 15de eeuw als verwantschap met de school van Ferrara en met Leonardo. De piëta werd aan de zuidkant van de oude basiliek geplaatst in de kapel van de heilige Petronilla, de kapel der Franse koningen. Na verscheidene andere standplaatsen kreeg ze in 1749 haar definitieve plaats in de eerste kapel aan de rechterzijde.

 

 

DE BOUW VAN DE NIEUWE BASILIEK

[1][2] – [3][4][5] – [6] – [7] – [8] – [9] – [10] – [11] – [12] – [13]

[14] – [15] – [16] – [17] - [18] – [19] – [20] – [21] – [22] – [23] – [24] – [25] – [26]

 [27] – [28] – [29][30] – [31] – [32] – [33] – [34][35] – [36] – [37] – [38] – [39]

Julius II (1503-1513) besloot over te gaan tot de uitvoering van de plannen die onder Nicolaas V waren geopperd en droeg Bramante op, wiens ontwerp was uitverkoren, met de bouw van de nieuwe basiliek te beginnen. Bramante ontwierp een bouwwerk in de vorm van een Grieks kruis met een door zware pijlers gesteunde koepel, vier galerijen en vier klokkentorens. Julius II, die de gedachte koesterde zijn grafmonument (waarvoor Michelangelo reeds de opdracht had gekregen) onder de koepel van Bramantes basiliek te doen plaatsen, legde op 18 april 1506 de eerste steen voor een van de vier pijlers. De architect had zoveel haast met zijn werk dat hij het westelijke deel van de basiliek, zonder ontzag voor de mozaïeken, grafmonumenten, beelden en andere kunstwerken, met de grond gelijk maakte, en wegens deze haast de meester der ruïnen (il maestro ruinante) werd genoemd. Toch gelastte Julius II hem, ter bescherming van het graf van Petrus, een provisorisch stenen gebouw op te richten, het Heilig Huis genoemd, dat tot 1592 bleef staan. Het werk vorderde snel; Bramante ontwierp intussen (met de hulp van Peruzzi) verder plannen, waarbij de door brede koortransen verbonden armen van het kruis een bijna vierkante vorm kregen. Pijlers, zuilen, nissen, gewelven en koepel boden, samen optrekkende, een aanblik vol weidse ruimte en schilderachtige levendigheid. In een belangrijke schetstekening maakte hij bovendien zijn ideeën aanschouwelijk voor een plein rondom de basiliek. Zijn aangeboren hang naar grootsheid kwam daarin tot uitdrukking: vierkant, evenals de kerk bestaand uit een harmonische ordening van architectonische vormen. De werkzaamheden werden tot Bramantes dood in 1514 voortgezet, en allen die zijn arbeid verder volbrachten eerbiedigden zijn conceptie.

In augustus 1514 namen Fra Giocondo, Giuliano da Sangallo (zijn medewerkers) en Rafaël de leiding van Bramante over. Toen Fra Giocondo stierf en Giuliano da Sangallo naar Firenze terugreisde, kreeg Rafaël als medewerker Rafaello Antonio da Sangallo de Jongere, die daarna, samen met Baldassare Peruzzi de leiding zou overnemen. Zoals uit zijn schetsen blijkt, ontwierp Sangallo meer plannen, waarvan het laatste in feite teruggreep op de conceptie van Bramante, echter vergroot door de toevoeging van een lange 'voorkerk', die door een brede façade met aan weerszijden twee klokkentorens zou worden afgesloten. In het Vaticaans Museum staat het houten model, waardoor men een goede voorstelling krijgt omtrent de ideeën van de kunstenaar. Maar Michelangelo leverde er felle kritiek op.

Na de dood van Sangallo in 1546 voegde Michelangelo zich naar de wil van Paulus III (1534-1549), die inhield dat hij de leiding van de bouw van de Sint-Pieter op zich zou nemen. Zonder zich om liturgische voorschriften te bekommeren, waarvan de ideeën van zijn voorganger vervuld waren geweest, keerde hij terug tot het ontwerp van Bramante. Dat beschreef hij als 'helder, eenvoudig en stralend', waarbij hij eraan toevoegde dat 'wie zich van Bramante verwijdert, zich van de waarheid verwijdert'. Inderdaad nam hij de vorm van het Grieks kruis over, maar zonder de toevoegingen van Sangallo, die om het grondplan een vierkant wilde maken, waaruit de galerijen naar voren zouden steken. Van 1547 tot 1548 hield hij persoonlijk toezicht op het herstel van het koepelmodel. En van 1558 tot 1561 werkte hij aan een ander, groter model. De maquette in het Vaticaans Museum toont duidelijk zijn geweldige conceptie van een bolronde dubbele koepel, maar ook zijn de veranderingen te zien van Giacomo della Porta en Domenico Fontana, die de welving van de koepel verhoogden. Michelangelo en Bramante hadden een voorstelling in hun hoofd van een allesomvattende wijde ruimte die de basiliek bijna zonder iets anders tot haar recht wilde laten komen. Een fresco in de Vaticaanse bibliotheek, met daarop een façade, voorruimte en de omringende, door zuilen gescheiden delen, geeft een goed beeld van Michelangelo's totale conceptie, waarin het door koepels beheerste architectonische complex er slechts fraaier op werd.

Sixtus V (1585-1590) had wellicht een voorgevoel van de korte duur van zijn pontificaat, want zolang hij nog in de situatie verkeerde de stad een conceptie te kunnen geven die vandaag nog bepalend is, stond hij erop Michelangelo's ontwerp zo snel mogelijk uit te voeren. Op 1 november 1589, toen de paus verkondigde dat hij hoopte spoedig zijn eerste mis onder de koepel van de nieuwe Sint-Pieter te kunnen opdragen, werd er nog met een 'ongelooflijke zorgvuldigheid' gewerkt. En op 12 mei 1590 verscheen een triomfantelijke aankondiging: 'Sixtus V heeft tot zijn blijvende roem en tot beschaming van zijn voorgangers het enorme bouwwerk, de koepel van de Sint-Pieter, afgebouwd.' Precies een week later werd er een feestelijke mis gelezen en de laatste steen aan de koepel toegevoegd. Op 9 augustus van het zelfde jaar kreeg de lantaarn op de koepel zijn plaats, 'met 36 zuilen, waaraan nog wordt gewerkt, aan de binnenkant wordt ze met mozaïek belegd en aan de buitenkant met lood en op de ribben met verguld bladmetaal'. Aldus was het geweldige werk van de grote paus op een gelukkige wijze volbracht; hij stierf op de 27ste van dezelfde maand. Della Porta verdient waardering voor de uitvoering van Michelangelo's plan en voor de bekwame oplossing van de statische en structurele problemen van Bramantes geniale ontwerp, maar dat geldt evenzeer voor Fontana, die het werk heeft afgemaakt.

In november 1593, onder Clemens VIII, werden de bol en het kruis voor de spits op de koepel gegoten. Onder Sixtus V had men het reusachtige voornemen uitgevoerd om de obelisk van zijn plaats, waar zich nu de sacristie bevindt, naar het plein te transporteren (deze gedachte had Nicolaas V en Paulus III al beziggehouden). Voor Domenico Fontana werd het een triomfantelijke onderneming. Hij schrijft er ook zelf over in zijn bekende boek Della Trasportazione dell'Obelisco Vaticano, dat voorzien is van gravures van Giovanni Guerra.

Na het kolossale karwei van de koepelbouw werd de voltooiing van Michelangelo's kerk in de loop der jaren steeds dringender, want de overgebleven delen van de oude basiliek verkeerden in een stadium van volledig verval. Clemens VIII (1593-1605), onder wiens heerschappij werd begonnen met de mozaïekpatronen in de koepel, liet de Confessio van Maderno renoveren en de Clementinokapel rijkelijk decoreren. In 1603 benoemde hij Carlo Maderno en Giovanni Fontana als architecten van de Sint-Pieter. Zijn opvolger, Paulus V (1605-1621), wenste deze moeilijke opgave voor zijn rekening te nemen en schreef in 1607 een prijsvraag uit, waaraan behalve Maderno en Fontana de bekendste architecten van die tijd deelnamen. Maderno won de prijsvraag. In overeenstemming met het besluit van het college van kardinalen om de cultische vereisten de hoogste prioriteit te geven, en ondanks de pogingen om ingrijpende wijzigingen in het grondpatroon van het Grieks kruis te vermijden, besloot hij uiteindelijk over te gaan op de vorm van het Latijnse kruis, zowel vanwege zijn symbolische betekenis alsook om de aanpassing aan de veranderde opvattingen van zijn tijd. Zo werd het harmonische renaissanceontwerp voor een kerk met het altaar in het midden, dat de bedoeling was geweest van zowel Bramante als Michelangelo, verworpen.

Maderno, die in opdrachten zoals de façade van de Santa Susanna gelegenheid had gekregen zijn architectonische begaafdheid onbeperkt uit te leven en daarin een onbegrensde originaliteit aan de dag had gelegd, was nu afhankelijk van Michelangelo's schepping. En hoewel hij probeerde deze conceptie recht te doen wedervaren, gaf hij er toch een volledig andere interpretatie aan. Eerst liet hij een voorgevel zonder klokkentoren oprichten, maar op wens van de paus bedacht hij er toch een met twee torens, waardoor er zonder twijfel een minder ruimtelijke en lichtere indruk zou van uitgaan. Dit idee werd echter alsnog verworpen, omdat de fundamenten niet geschikt waren voor het gewicht. Later nam Bernini moedig deze opgave op zich, maar ook hij moest het na vele pogingen opgeven. Maderno's façade van travertijn is, mede door haar reusachtige afmetingen, van een nuchtere voornaamheid. Zijn verlenging van de basiliek kreeg, vooral wat het interieur betreft, een positieve invloed op de ontwikkeling van de kerkarchitectuur uit het baroktijdperk. In 1614 waren deze werkzaamheden voltooid.

Waar Michelangelo een zuilengang had voorzien, ontstond een groot atrium, waarvan de wanden door pijlers en Ionische zuilen zijn onderverdeeld. Hiermee toonde Maderno duidelijk zijn bekwaamheid. Ook ontwierp hij en hield hij toezicht op de mooie stucwerken. Op het plafond van het gewelf zijn taferelen uit de Handelingen der Apostelen aangebracht. Bij het hoofdportaal had men te maken met de deur van Filarete, die vanwege de plaatsing aan de nieuwe ingang van de basiliek werd gerestaureerd en door toevoegingen van beeldstroken boven en beneden werd vergroot.

Weliswaar is het interieur in contrast met Michelangelo's constructie en Maderno's herschepping zichtbaar - en wellicht al te vaak bekritiseerd - maar ook is de ernstige poging te herkennen deze tegenstelling door de architectonische samenhang van gewelf en kapellen te verzachten. Bovendien ontstaat er een indruk van eenheid, tevens door de wijde openingshoek van de koepel en door Bernini's baldakijn, dat door zijn grootte een harmonisch verbindingselement tussen de beide kerkgedeelten wordt. Bernini schiep geen traditioneel tabernakel, maar een gigantisch toverstuk bij wijze van blijvende bekroning van het graf van de heilige Petrus. Aan de vorm van dit monument en de verhoudingen tot zijn omgeving werd lang gewerkt, zoals veel tekeningen bewijzen. De kunstenaar had voor zichzelf vastgesteld, dat hier een architectuur noodzakelijk was die elementen van de schilderkunst, dus van beweging, bevatte. Op vier grote, gedraaide zuilen (die herinneren aan de zuilen van de Confessio in de oude basiliek van Constantijn) rust een versierd baldakijn, waaraan stoffen franjes hangen. Bernini begon in 1624 met het werk, dat slechts langzaam vorderde en pas in 1633 klaar was. Veel beeldhouwers assisteerden hem, die hij (zoals ook later) sterk beïnvloedde en op die manier onder zijn leiding tot voortreffelijke kunstenaars opleidde.

In overeenstemming met het baldakijn en zijn versiering deelde hij opnieuw de plaatsen in van de koepelpijlers waartussen hij nissen en loges aanlegde. Dit lokte heftige kritiek uit toen in de koepel van Michelangelo een scheur zichtbaar werd, die uit de aanmerkelijk verminderde stabiliteit van de nissen zou zijn ontstaan. Urbanus VIII wilde beelden in deze nissen zien. Bernini ontwierp de figuur van de heilige Longinus, typerend voor zijn nogal theatrale kunst, maar met zo'n evenwichtige houding en zulk een verfrissende uitwerking dat het effect uiterst harmonieus is. Andrea Bolgi maakte het beeld van de heilige Helena met een edel gelaat maar met een plompe drapering, die niet zozeer de figuur omgeeft maar van het beeld af hangt. De heilige Veronica is een opmerkelijk en oorspronkelijk werk van Francesco Mochi (hoewel door Bernini en andere tijdgenoten bekritiseerd), waaruit de smaak van de barok tevoorschijn komt voor de diagonale houding en de beweeglijke plooienval. De heilige Andreas van Francesco Duquesnoy toont een absoluut vergeestelijkte gelaatsuitdrukking en is, met inbegrip van de drapering en ondanks de vrij conventionele houding, zeer mooi uitgevoerd. Boven de beelden ontwierp Bernini de vier relikwieëngalerijen, namelijk die van de heilige lans, de splinters van het kruis, de zweetdoek van Veronica en het hoofd van de heilige Andreas. Hiervoor maakte hij gebruik van de spiraalvormige zuilen van het oude baldakijn.

Maderno had door de bekleding met kostbare marmeren uitbeeldingen al een aanvang gemaakt met de herschepping van het kerkinterieur en Bernini ging ermee door, waarbij hij zijn uitgesproken schilderkunstige neiging grootscheeps tot uitdrukking bracht. Zo werden de pijlers versierd met beeltenissen van pausen in marmeren medaillons, die weer werden opgehouden door putti, met palmtakken, lelies en andere symbolen. Naar ontwerp van Bernini voerden Andrea Bolgi, Niccoló Sale, Niccoló Menghini en Ercole Antonio Raggi de decoraties uit.

In augustus 1656 werd de eerste steen gelegd voor de colonnade van de Sint-Pieter. Bernini ontwierp een zuilenhal die alle volkeren, dus niet alleen de christenen, zou moeten omvatten. Dit valt althans op te maken uit een aan hem toegeschreven tekening waarop een figuur de armen uitstrekt en wel precies in de vorm die hij aan zijn colonnade gaf. Dit geweldige plan voorzag eerst in een extra arm in de richting van het Piazza Rusticucci, maar later besloot de kunstenaar over te gaan op een overzichtelijker grondvorm, teneinde een onbelemmerd zicht op de kerk mogelijk te maken.

Terwijl hij bezig was aan dit gigantische project, schiep hij ook de beroemde Cathedra Petri, de bisschopsstoel van de apostel, waar hij meer dan tien jaar aan werkte. Voor het kerkinterieur was dit de logische afsluiting van zijn decoratieve, plastische en schilderkunstige uitbeeldingen, een heldere en planmatige synthese van alle imposante effecten. Hij vervaardigde voor de cathedra vele schetsen en ontwerpen, en bouwde er de oude stoel van ivoor in, met de houtsplinters die van Petrus' troon afkomstig zouden zijn. Bij de uitvoering hielpen kunstenaars als Raggi, Ferrata, Morelli en de Duitser Johann Paul Schor.

Uit Bernini's nadagen stamt het grafmonument van Alexander VII, waartoe deze paus hem opdracht had gegeven. Bernini werkte eraan van 1672 tot 1678. Ook hierbij had hij verschillende medewerkers, onder wie Giuseppe Mazzuoli, die de figuur van de naastenliefde schiep, Lazzaro Morelli, Giulio Cartari, Michele Maglia, Giuseppe Baratta en de bronsgieter Girolamo Lucenti. Het grote aantal hulpkrachten was nodig omdat de kunstenaar oud was geworden en zich voornamelijk beperkte tot leidinggeven. Ook andere, later werken van Bernini ontstonden op deze manier, zoals het altaar in de Sacramentskapel, waarvoor hij specialisten als Girolamo Lucenti, Carlo Mattei en andere als medewerkers had. De kleine, koepelvormige kapel, die door twee biddende engelen wordt geflankeerd, is door de beeldhouwwerken in brons, lapis lazuli en marmer bijzonder mooi.

In de 17de eeuw werd de basiliek voorzien van nog meer opvallende beelden en schilderwerken. Alessandro Algardi bouwde het grafmonument van Leo XI, waarvan hij het voorname en heldere pausbeeld zelf schiep, terwijl hij de uitvoering van figuren als Waardigheid en Vrijgevigheid overliet aan Ercole Ferrate en Giuseppe Peroni. In 1650 vervaardigde hij een groot altaarbeeld in marmer, dat De ontmoeting van Atilla en Leo de Grote voorstelt. Bij het door Mattia de Rossi ontworpen grafmonument van Clemens X is het pausbeeld van Ferrata, terwijl de nevenfiguren, die Vergeving en Zachtheid voorstellen door respectievelijk Giuseppe Mazzuolo en Lazzaro Morelli zijn vervaardigd. Andrea Sacchi schilderde voor de Clementinakapel Het wonder van Gregorius de Grote. Kardinaal Francesco Barberini schonk de basiliek het grote schilderstuk Martyrium van de heilige Erasmus van Nicolas Poussin. Valentin de Boulogne schilderde de heilige Processus en Martinian, Guericino De begrafenis en verheerlijking van de heilige Petronilla (een meesterwerk uit zijn vroege periode) en Lanfranco Overwinning des kruises in de toen zogeheten Crucifixkapel. Aan het eind van de 17de eeuw begon men met de werkzaamheden voor de voltooiing van de doopvontkapel, die plaatsvonden onder Carlo Fontana, die hier zijn uitnemend talent als decorateur demonstreerde. Voor de doopvont gebruikte hij het porfieren deksel van het grafmonument van Otto II uit de basiliek van Constantijn, waarop hij rijkelijk versierde bevestigingen van goudbrons aanbracht. Het deksel draagt twee putti, die een bas-reliëf van de Drie-eenheid omhoog houden, en het sluit af met het Lam Gods. De wanden met het wapen van Innocentius XII zijn bekleed met porfierbladen, die met prachtige bronsornamenten zijn bekleed.

In het begin van de 18de eeuw kwamen de grafmonumenten van Christina van Zweden en Innocentius IX tot stand. Maratta was de ontwerper, en hun elegantie en verfijning van stijl danken zij aan Pietro Stefano Monnot. In deze eeuw ontstonden ook de grafmonumenten voor Alexander VIII, met een bronzen beeld van Angelo de Rossi, dat van Gregorius vervaardigd door Camillo Rusconi, van Innocentius XIII, naar een ontwerp van Ferdinando Fuga uitgevoerd door Filippo della Valle en tenslotte dat van Benedictus XIV, een opvallend werk van Pietro Bracci in samenwerking met Gaspare Sibilla.

Eveneens in de 18de eeuw ontstonden de standbeelden van de ordestichters, die geplaatst werden in de nissen van het hoofdschip, van het dwarsschip en de galerijen. De meeste waren van vooraanstaande kunstenaars.

Onder Alexander VII (1655-1667) en later onder Innocentius XII (1691-1700) ontstonden de plannen voor de bouw van een sacristie. In 1775 werd daarvoor een prijsvraag uitgeschreven, waaraan Filippo Juvarra, Niccoló Michetti, Domenico Paradisi, Antonio Canevari en Antonio Valeri meedongen. Weliswaar won Filippo Juvarra, maar na veel bestuderen koos Pius VI (1775-1799) in april 1776 het ontwerp van Carlo Marchionni, waarvoor hij op 22 september van hetzelfde jaar de eerste steen legde. Voor het nieuwe bouwwerk (dat in 1784 klaarkwam) moesten de oude sacristie, de Porta Fabbrica en de kerk van Santo Stefano Degli Ungari afgebroken worden. Marchionni schiep een machtig, rijk gedecoreerd, maar ook doelmatig gebouw. Het omvatte de oude sacristie der wetsgeleerden en huisbewaarders, de kapittelzaal, ruimten voor de schatkamer, het archief en de residentie van de wetsgeleerden.

Aan het einde van de 18de eeuw richtte Antonio Canova, in opdracht van de neven van Clemens XIII, een grafmonument op voor deze paus. Deze indrukwekkende gelijkenis met zijn voorganger en de weergave van diens geconcentreerde gelaatsuitdrukking wekten de levendige bewondering van Pius VI. Vijfentwintig jaar later schiep Canova het gedenkteken van de laatste Stuart, troonpretendent van Engeland, dat koning George IV royaal op eigen kosten liet oprichten ter nagedachtenis aan zijn rivaal. Het laatste werkstuk van de grote beeldhouwer uit Passagno werd het beeld van Pius VI in de Confessio van de basiliek. Hij beeldde de paus, knielend en in gebed verzonken uit. Het leek op dat van Clemens XIII, maar hier maakte Canova zelf slechts de expressieve kop en handen en liet hij de rest aan Adamo Tadolini over. In latere tijden tot op heden hebben andere gedenktekens van pausen en beelden van heiligen in de kerk een plaats gekregen, voornamelijk in het hoofdschip, in het dwarsschip en in de galerijen. (Cecilia PERICOLI, in Kunstschatten van Rome, 10-17)

*****

Ga verder

top

hoofdindex