Historische Grammatica : Teksten

1. Fibula Praenestina

2. Duenosvaasjes

3. Lapis Satricanus

4. Inscriptio Fori Romani

5. Carmen Fratrum Arvalium

6. Elogia Scipionum

7. Dedicatio Falisca

8. Senatusconsultum de Bacchanalibus

9.Vertuleiorum Dedicatio

10. Elogium Claudiae

12. Cato: de agri cultura (ingescand)

13. Varro: Rerum rusticarum liber primus (ingescand)

14. Columella: rei rusticae liber 1 (ingescand)

 

1. Fibula Praenestina (CIL 3)

Het was lang het voorwerp met de oudste letters, die een verwantschap vertonen met de Griekse letters, waaronder ook de digamma en de Etruskische labio-dentale fricatief. Deze zijn van rechts naar links ingegraveerd. Over het correcte gebruik van de digamma bestaat nog twijfel.

Het is pas in 1887 bekend gemaakt door de Duitse vorser W. Helbig (1939-1905), die ze aan een vriend toonde. Door de late bekendmaking ontstond het vermoeden dat het speldje een vervalsing is. De onderzoekers zijn verdeeld over de authenticiteit van het speldje.

Professor G. Pinza (Rome) beweert in zijn colleges dat zijn collega Augusto Castellani de naam van de goudsmid kent die het vervaardigd heeft.

Ook Margherita Guarducci vecht de echtheid aan in 1980. In 1984 publiceert ze een artikel waarin ze nieuwe elementen verwerkt, gevonden in archiefstukken uit de nalatenschap van Helbig, waaronder de rekening van een goudsmid voor een speld.

Er is tegenkanting van D. Silvestri die zegt dat door een radiologisch onderzoek de echtheid bewezen kan worden. Dit is uitgevoerd door de metaalexpert E. Formigli en hij beweert dat de inscriptie en de de speld uit de 7/6de eeuw stammen. R.Wachter zegt dat het uitgesloten is dat iemand het letterteken digamma correct kon gebruiken, omdat pas op basis van de fibula de klankwaarde ervan wordt erkend (nl. pas ca. 1888).

 

MANIOS = Manius; de -os uitgang is bewaard tot in de tijd van Cicero; (cf. p20/27, 5a) (hangt van cursus af)

MED = me; acc. die men bij inscripties aantreft tot in de 2de eeuw

FHE FHAKED = fecit; een perf. met reduplicatie; analoge vormen, o.m. in Oskische dialecten (fefacid, fefacust)

NUMASIOI = Numerio; een dat. op -oi, er is nog geen rotacisme (pas 4de eeuw v.C.), cf CIL I▓ 60 "Numerio", nog geen apofonie (cf. p26, 4b); het betreft hier een zeldzame naam, wat onwaarschijnlijk is voor een vervalsing

= MANIUS ME FECIT NUMERIO

"Manius heeft me gemaakt voor Numerius"

***literatuur:

[Weer naar boven]

2. Duenosvaasjes (CIL 4)

Het gaat hier om een vaasje uit aardewerk met 3 buiken. Het is gevonden in Rome in 1880 tussen de Quirinaal en de Viminaal. Het kan mogelijk zalf, parfum, cosmetica of iets dergelijks hebben bevat, maar men weet het niet zeker. De tekst werd ingegrift voor de leem werd gebakken en is van rechts naar links geschreven. De tekst bestaat uit drie delen (verzen?), maar is in scriptura continua (zonder enige woordsplitsing), wat eeuwenlang een gebruik bleef in handschriften. Dit levert veel problemen voor de interpretatie.

Volgens Pisani stamt het uit de eerste helft van de 6de eeuw v.C. (ca. 575-550 v.C.) terwijl Ernout de 4de eeuw voorstelt. De datering is erg moeilijk, want er zijn slechts twee termini ante quem :

IOVESAT = iurat (?) dus voor het rotacisme (4de eeuw), cf. Inscriptio Fori Romani.

DUENOS = bonus; dit voltrokken in de 3de eeuw, enkele schrijvers vermelden dit, o.a. Cicero, evenals S. Pompeius Festus (2de eeuw n.C.),

Tot 1927 waren er al 37 verschillende interpretaties, tot 1960 52 en nu zelfs een 60-tal verschillende.

A. Degrassi : Inscriptiones Latinae Liberae Rei Publicae (ILLRP)

IOVESAT DEIVOS QVOI MED MITAT NEI TED ENDO COSMIS VIRCO SIED

ASTED NOISI OPE TOITESIAI PACARI VOIS

DUENOS MED FECED EN MANOM EINOM DV(/Z)ENOINE MED MALO STATOD

de C wordt stemhebbend en stemloos gebruikt; de Z wijst erop dat de tekst van voor de 4de eeuw stamt, want deze is afgeschaft door Appius Claudius Caecus (Censor in 312 v.C.); anderen zeggen een speciale vorm van de V.

r1 IOVESAT = iurat; nog geen rotacisme, v = u; ou = u; e valt weg (apofonie)/ DEIVOS = divos; acc meerv. (cf p29, c2) / QOI = quoi = qui (cf p30) / MED = me / MITAT = ind pr, geen conj, want dan zou er mitad staan; ‹mitare, kopen, cf permitat, kopen in een oude inscriptie uit Tivoli / TED = te / ENDO = in+ acc, postpositie van het voorzetsel / VIRCO = virgo , G in 3de E v.C./ SIED = sit; oude optatief (cf p92, B1a) / NEI = ni / COSMIS = comis : s = z = - voor stemh. mkl.

r2 AS =ad / TED = te / NOISI = nisi / TOITESIAI = ? / PACARI = verwant met pax, gunstig stemmen / VOIS = vis

r3 DUENOS = bonus, eigennaam?;= goed man = vakman = expert? du=b p. 32/ MED = me / FECED = fecit / EN = in; cf en en het Oscisch-Umbrische en / MANOM = bonom = bonumVarro; en Macrobius, getuigen dat dit een oud equivalent is van bonus, cf Manes, de goede geesten / EINOM = ? / DZENOINE = ? / MED = me / MALO = malum; de m is verdwenen voor de s / STATOD = ?

 

IURAT DIVOS QUI ME MITAT NI TE IN COMIS VIRGO SIT

AD TE NISI OPE..................................PACARI VIS

BONUS ME FECIT IN BONUM................................ME....MALUM......

Pisani interpreteert :

IURAT DEOS QUI ME VENDIT NISI IN TE COMIS VIRGO SIT

AST CIBIS FUTUITIONE EI PACARI VIS

BONUS ME FECIT IN FELICEM EXITUM BONUM NE E ME MALO STATO

Dit is een mogelijke interpretatie, want de 2de regel en het laatste deel van de 3de zijn erg onduidelijk.

Recente interpretaties :

Radke (G.), Archaisches Latein. Historisches und sprachgeschichtliches Untersuche, Darmstadt, 1981, p79-83. : Het gaat om een cultusvoorwerp, dat slechts bij bepaald rituelen gebruikt mag worden (cf ampullen)

Eichner : het is een iambisch gedicht; een reclameboodschap met parodiŰrend karakter (recentste interpretatie, 1988-89)

Isebaert : het gaat hier om reclame voor parfum: "Bij de goden zweert die mij aanbiedt: als het meisje u niet toelacht/ u niet in de armen valt, verzoen haar [hart] met [geurige] luchtstromen!/ Een "goede" heeft mij gevuld voor een "goede" van onberispelijk gedrag, dat geen "boze" mij stele!"

[Weer naar boven]

3. Lapis Satricanus

Deze steen werd in 1977 gevonden door Nederlandse archeologen o.l.v. dr. C.M. Stibbe bij de opgraving van de fundamenten van de Mater Matuta (godin van morgenschemering) tempel nabij Antium (Satricum, ten Z van Rome, was een belangrijk centrum in 7de E). Deze tempel dateert van ca. 490 v.C. (terminus ante quem). Hij is opgebouwd uit de brokstukken van een oudere Marstempel, waarvan de lapis waarschijnlijk ook afkomstig was.

Het is een plat stuk turfsteen van 16 cm breed en 86 cm lang. Er staan 2 regels tekst op in kapitaalschrift. Deze zijn reeds geschreven van links naar rechts, maar nog in scriptura continua. De interpretatie van de eerste 11 letters is erg onzeker, maar de algemene interpretatie is die van een dedicatie aan Mars door P.Valerius en gezellen. Dit is vermoedelijk P. Valerius Poplicola († 503 v.C.), deze speelde een belangrijke rol in de stichting van de Romeinse Republiek (cf Livius, Ab Urbe Condita, I, 58-II, 16)

 

EISTETERAI : * ei + steterai; woordeinde + vorm van sistere, maar uitgang -erai is unieke vorm van het perf., ook de betekenis 'toewijden aan' is niet de normale : te vergezocht om theorie te bewijzen. * eiste + terai; cf. Varro, vlgs. Pisani ontbreekt er 1 letter : ieiste, wat het dan de gen. maakt van is met het encliticon -te. Dit is ook te zien bij verwante Oscische dialecten, nl. de gen op -eis voor de i-stam, cf Varro / POPLIOSIO VALESIOSIO = Publii Valerii; er is ons geen gen uitgang op –osio van de 2de verbuiging overgeleverd, maar dit is niet onmogelijk, cf de archa´sche Griekse uitgang qeoi'o (< qeovsio) en in het Faliscisch: "Eko Kaisiosio" Het is dan een syncope van poplicus =publicus / SUODALES = sodales; lid van een genootschap, priestercollege / MAMARTEI = mamarti, dat enk. van mamars (= mamers) =Italische vorm van Mars/Mavors, in het Etruskisch Mamerke = Faliskische Mamercus; cf. Paulus Diaconus

resultaat:

STETERUNT PUBLII VALERII SODALES......MAMARTI (MARTI)

"De gezellen van Pulius Valerius hebben ... opgericht voor Mars"

Versnel (H.J.), Satricum Publius Valerius, Hermeneus, (52) 1980, p. 223-232.

Pisani, l'iscrizione paleolatina di Satricum, Glotta, (50) 1981, p. 136-140.

Bloch, A propos…, Latomus, (42) 1983, p. 362-371.

Lop (S.), Archaeological epigraphical linguistic and historic aspects of the new inscription from Satricum, S’Gravenhage, 1980.

[Weer naar boven]

4. Inscriptio Fori Romani (CIL 1)

De stenen zijn gevonden onder de Lapis Niger (= basaltstenen, donker daarom zo genoemd) in 1899 op het Forum Romanum, in een bocht van de Via Sacra. Het is een stuk van een "cippus", met vrij korzelige steen uit de buurt van Tivoli (zgn. lapis Tiburtinis) Deze zuil met grondvlak van ▒50 op 50cm, die smaller wordt naar boven toe, is maximum 61 cm breed en enkel de basis is overgebleven. Volgens een schatting, naargelang de hoogte (ca. 1, 70m ?), is er ongeveer 1/3 bewaard. De tekst moest lang de 4 zijden doorlopen, maar de steenkapper begon met grote letters en eindigde met steeds kleinere : op het eerste vlak staan 3 regels, op het tweede 4, op het derde en het vierde ook 4 maar met gedrongen letters zodat er een kleine richel werd bijgevoegd met de 16de regel. Het is boustrofedisch (boustrofhdovn, zoals men ploegt) geschreven. Zo zijn 9 lijnen van links naar rechts geschreven en 7 van rechts naar links, en er zijn 3 lijnen ondersteboven geschreven.

De betekenis is een groot probleem omdat we maar een klein stukje van het opschrift bezitten. R.E.A.Palmer beweert dat het zou gaan over voorschriften over een heilige plek (lucum), waarbij aan de koning (rex sacrorum), die over een heraut beschikt (calator) het recht toekomt zoenoffers te mogen brengen en boetedoeningen op te leggen. DumÚzil brengt deze inscriptie in verband met een passage uit Cicero: het gaat om een speciaal voorschrift voor de ars auguralis: de auguren werden voorafgegaan door herauten die elk tweespan dat ze tegenkwamen, bevalen uit te spannen, wegens een slecht omen. Objectief gezien bevat de steen te weinig aanknopingspunten om er een tekst uit op te maken.

Voor de datering steunen we vooral op het volgende.

*De k wordt gebruikt om de stemloze velaar te noteren (sakros, kalatorem), later zal de k zich enkel kunnen handhaven voor een a (Kalendae, Kaeso). In de late keizertijd verovert de k terug een positie in inscripties (CIL 42, 112; 13, 1661). Onder invloed van de Christelijke liturgie wordt Kyrie Eleison geschreven, terwijl er eveneens Cyrene en Cyrillus wordt geschreven.

*De C dient hier nog voor stemhebbende velaar. Hierdoor hebben we een terminus ante quem : Plutarchus, : de g werd ingevoerd door Spurius Carvillius, een vrijgelatene van Spurius Carvillius Ruga (consul in 234 en 228), dus tussen ca. 240-230 v.C. Spurius Carvillius moet een reeds bestaand gebruik officieel gemaakt hebben. Op een grafschrift van Scipio Barbatus (ca. 280 v.C.) wordt reeds een g gebruikt, maar dit kan achteraf herkapt zijn.

*De lange u [oe] wordt nog weergegeven door ou, wat ook nog later wordt aangetroffen. De eind d staat hier nog, die normaal uitvalt na een lange klinker

1 HON(CE) = hun(ce) / 2.SAKROS = sacer (sakros<sakrs<saker) / ESED = erit (esed<ered<erid<erit) / 5.REGEI = regi / 6.PREVAM = privam; apofonie van een lange klinker, wat vrij ongewoon is (cf subtilis en tela) / 10.IOXMENTA = iumenta<ioug-s-menta, met zeldzame verbindings-s / 11.KAPIA = capita; waarbij cape een nevenvorm is van caput (Palmer) / 12.AM = circum; archa´sch voorzetsel (cf amplecti) / 14.HAVELOD = avillo; de h zou verkeerd geplaatst zijn / 15.IOVESTOD = iusto / 16.LOUQUIOD = lucus; foute notatie, we verwachten lukod

1.QUI HUN[C LUCUM VIOLAVIT...

2. ...]SACER ERIT

3.SORD[ES NE QUIS FUNDAT...

4. ...]A.AS

5.REGI IU[S ERIT PIACULUM FACERE...

6. ...MULTATE MULTAM PR]IVAM

7.QUOS RE[X MULTARIT BOVES DANTO...

8. ...REX...]CALATOREM

9.HAB[ETO...

10. ...IUNGEN]TO IUMENTA

11. CAPITA DUO TAU[R(UM)...

12.CIRCUM ITER PE[R...

13. ...EU]M QUI AVILLO

14. NEQU[E....FACIAT...

15. ...]IUS IUSTO

16.LUCO[...

"Wie deze plek schendt........zal vervloekt zijn...Men storte geen vuilnis........De koning zal het recht toekomen een zoenoffer te brengen......hij beboete met een afzonderlijke boete. Wie door de koning beboet wordt, moet een rund leveren. De koning beschikke over een heraut........ hij spanne jukdieren in, 2 stuks, stier........rond de weg door....hem die geen pasgeboren lam of .....offert (?).... op de rechtmatige plek....."

[Weer naar boven]

5. Carmen Fratrum Arvalium (ILLRP 4)

Het betreft hier een fragment op steen, dat aan twee kanten gebeiteld is. De steen is gevonden in 1778 en rust nu in het Vaticaans Museum. De tekst is een fragment van een verslag over de ceremonies (op 29 mei 218 n.C.) van de Fratres Arvalium (Tabula actorum colegii fratrum Arvalium). Het is een uniek document omdat het een oeroud gebed in Saturnische verzen bevat. Het gebed is gekapt in scriptura continua, wat weer problemen geeft bij de woord- scheiding en de interpretatie. Pasquali dateert het rond 500 v.C., terwijl anderen nog ouder (ca 550/570 v.C.) of jonger (450v.C.) beweren. Het archa´sch Latijn bevat contaminaties van recenter Latijn. Arvales zou komen van arvalis, bewerkt/gecultiveerd land. De Fratres Arvalium zijn een college met 12 priesters, die elk jaar in mei offerden aan de Lares van de velden voor de bevordering van de groei van de veldvruchten. Het was een oeroud ritueel met dans (tripudium) en met een carmen dat lang bleef doorleven. We weten wat de Fratres Arvales zijn dankzij Varro. Het is een ritueel dat door de Katholieke Kerk is overgenomen met een processie langs de velden op de kruisdagen. Het Carmen is een bezwerend gezang met telkens een herhaling van drie verzen.

1. E = partikel, cf Ecastor en Edepol, versterkend (deiktisch) / LASES = Lares; nog geen rotacisme, wat wel voorkomt in pleores / 4.RUE = ruinam; acc afhankelijk van sins / LUE = luem; lett. roest op graan, pestilentie; de m is uitgestoten omdat ze niet werd uitgesproken / SINS = siveris/sivas; <sivere, toelaten, ne + conj : verbod / MARMA(R) = Mars;sers is een fout; dit is verwant met een litanie a fulgera libera nos Domine.. / PLEORES =plures; <pleioses <pleiores <pleores<plures / 7.FU = esto; futu, fututo o.m. in Tabulae iguvinae (bronzen tafelen van Gubio) / FERE = ferus; Wees voldaan wrede Mars [met het aanrichten van onheil]? / Pisani : SATUR FUFERE = satis fuerunt (ond: lue, rue);<fuere = fuerunt / LIMEN : grens van de Ager Romanus of de dorpel van de tempel / SALI = <salire, springen / BERBER = illico/istic; ber- is een reduplicatie met een onduidelijke betekenis / 10. SEMUNIS = (Arvales) Semones, een mannelijke en een vrouwelijke godheid, verwant met semen, die waken over de oogst / ADVOCAPIT = *advocabit (3 keer p i.p.v. b?); ond.: cunctos?, college; vwp.: semones *apocope : advocapite = advocabitis, vwp. ook Semunes cunctos *Pisani : ad vo capite; tmesis: vo adcapite (=accipite), vo is de dualis van vos (cf. ambo, duo): accipite vos cunctos / CONCTOS = cunctos / ALTERNEI = vicissim/invicim; locatief enk. als bijwoord / 15.IUVATO = imp fut.2E / 16. TRIUMPE = verwant aan trivamboV (via het Etruskisch gekomen); kreet, uitroep.

 

E NOS LARES IUVATE

[E] NOS LARES IUVATE

E NOS LARES IUVATE

NEVE LU[EM] RUEM MARS SINERIS INCURRERE IN PLURES

NEVE LUEM RUEM MARS [SI]NERIS INCURRERE IN PLURES

NEVE LUEM RUEM MARS SINERIS INCURRERE IN PLURES

SATUR ESTO [F]ERE MARS LIMEN [SAL]I STA ILLICO

SATUR ESTO FERE MARS LIMEN SALI STA ILLICO

SATUR ESTO FERE MARS LIMEN SA[L]I S[T]A ILLICO

(SATIS FUERUNT MARS LIMEN SALI STA ILLICO)

[SEM]UNIS ALTERNI VOS ACCIPITE CUNCTOS

SEMUNIS ALTERNI VOS ACCIPITE CUNCTOS

SEMUNIS ALTERN[I] VOS ACCIPITE [CUNCT]OS

ET NOS MARS IUVATO

ET NOS MARS IUVATO

ET NOS MARS IUVATO

TRIUMPE TRIUMPE TRIUMPE TRIUM[PE TR]IUMPE

"Lares doe ons een plezier/ Mars, laat niet toe dat rampen en verwoestingen meerderen treffen/ wees verzadigd, wrede Mars (ze waren verzadigd, Mars), spring op de drempel, sta op staande voet/ Semones, ontvang jullie beiden in afwisseling/ en gij zult ons helpen, Mars./ Triomf! Triomf! Triomf!"

Edward Norden Lund 1939, "Aus altr÷mischen PriesterbŘchern", p. 169-285

[Weer naar boven]

6. Elogia Scipionum

A ILLRP 309

Dit is het grafschrift van Lucius Cornelius Scipio Barbatus, consul in 298 v.C. Het is het grafschrift van de oudste Scipio en is teruggevonden op de begraafplaats aan het begin van de Via Appia nabij de Porta Capena, die werd opgegraven tussen 1780-1783. Het grafschrift rust nu in het Vaticaans Museum. De tekst zelf is zeker niet uit de tijd van de overledene, het is zelfs van recentere datum dan dat van zijn zoon. Op de sarcofaag zijn sporen van herkapping, dit is duidelijk te zien aan enkele gemoderniseerde vormen; daarnaast zijn er nog een deel archa´sche vormen bewaard. Het grafschrift is in 2 delen : een titulus in rode verf op de rand van het deksel en een Carmen in Saturnische verzen op de zijkant van de sarcofaag. Het lijkt in 2 delen opgebouwd volgens een metrum dat niet zeker gekend is: in de eerste vershelft lijken er steeds 3 heffingen voor te komen en in de tweede 2 of 3. Over de plaats van de heffingen is ook onenigheid; het schijnt kwantiteit en woordaccent te combineren

 

Titulus CORNELIO = Cornelius; de eind-s valt snel weg, de o in een gesloten lettergreep wordt u; dit staat in tegenstelling met Lucius Cornelius in r.1 van het Carmen, dat van recentere datum is

Carmen 3.GNAIVOD = Gnaeo; v [u] tussen 2 klinkers valt weg evenals de d / 4.QUOIUS = cuius / VIRTUTEI = virtuti / PARISUMA = parissima; superlatief van par / 5.CONSOL = consul / QUEI = qui; quoi<quei<qui; dit is nog betuigd in inscripties uit de 2de eeuw / 6.TAURASIA, CISAUNIA = Taurasiam, Cisauniam; acc enk., de eind-m werd niet geschreven / SAMNIO = *Samnium; oude acc, *(in) Samnio; plaatsbepaling zonder voorzetsel; normaal oude abl uitgang op -d / 7.SUBIGIT = historisch praesens / OMNE = omnem / LOUCANAM = Lucanam / OPSIDESQUE = obsidesque; naar de uitspraak geschreven, niet naar de etymologie / ABDOUCIT = abducit; de ou komt niet voor in Lucius Cornelius (r.1), het eerste deel is waarschijnlijk aangepast

 

[LUCIUS CORNELI]US GNAEI FILIUS SCIPIO.............

........CORNELIUS LUCIUS SCIPIO BARBATUS

GNAEO PATRE PROGNATUS FORTIS VIR SAPIENSQUE

CUIUS FORMA VIRTUTI PARISSIMA FUIT

CONSUL CENSOR AEDILIS QUI FUIT APUD VOS

TAURASIAM CISAUNAM SAMNIUM CEPIT

(TAURASIAM CISAUNAM IN SAMNIO CEPIT)

SUBIGIT OMNEM LUCANAM OBSIDESQUE ABDUCIT

 

"Lucius Cornelius Scipio, zoon van Gnaius...../......Lucius Cornelius Scipio Barbatus/ zoon van vader Gnaeus, een dapper en wijs man/ wiens schoonheid zeer gelijk was aan zijn deugd/ die consul, censor, aedilis was bij jullie/ hij veroverde Taurasia, Cisauna, Samnium/ onderwierp geheel Lucana en voerde gijzelaars daarvandaan."

 

[Weer naar boven]

B. ILLRP 310

Dat grafschrift is ouder dan het vorige, maar het gaat hier over de zoon van Lucius Scipio Barbatus met de zelfde naam. De zoon is grootvader van Scipio Africanus Maior (die was consul in 205 v.C.). Hij was consul in 259 v.C. en veroverde in het zelfde jaar als vlootvoogd de Corsicaanse havenstad Aleria op de Carthagers. Hij is ons ook bekend vanwege de Templum Tempestatum (voor de weegoden) die hij oprichtte, uit dank voor het sparen van zijn vloot, bij de Porta Capena. Hij was ook censor in 258 v.C. , wanneer hij overleed is niet bekend. De grafsteen is vermoedelijk uit het midden van de 3de eeuw. Het elogium bestaat uit een Titulus in rode verf uit ca 250 v.C. (40 op 168 cm) en een Carmen van een paar decennia jonger (62 op 128 cm) in Saturnische verzen. De onderste steen is teruggevonden aan de voorzijde van de sarcofaag in 1614, de bovenste in 1781.

Titulus CORNELIO = Cornelius / COSOL, CESOR = consul, censor; de n werd nauwelijks of zelfs niet uitgesproken, ook wisselde schrijfwijze van een aantal woorden in het Latijn / AIDILES = aedilis

Carmen 1.HONC = hunc; <hom-ce / OINO = unum; de eind-m valt vaak uit / PLOIRUME = plurimi; oi>oe>u / CONSENTIONT = consentiunt / ROMANE = Romani; de korte e is nog niet veranderd in i / 2.DUONORO = bonorum / OPTUMO = optimum / FUISE = fuisse / VIRO = virum; oude gen meerv?; acc enk? / 3.SCIPIONE = Scipionem / FILIOS = filius; moeilijk te verklaren in de context: kapfout (filio[m]) en dan als bijstelling bij Scipio Barbati; anders onderwerp van fuit, dat op de volgende regel staat, wat niet erg logisch is / 4.CONSOL = consul; de n is hier wel aanwezig, wat er op wijst dat het Carmen van jongere datum is; de ongewone volgorde van de ambten is hier misschien metri causa / 5.HEC = hic; kunstmatig onderscheid tussen het bijw. (hic) en het vnw (hec) / FUET = fuit / CORSICA ALERIAQUE URBE = Corscicam, Aleriamque urbem / 6.DEDET = dedit / TEMPESTATEBUS = Tempestatibus; de weergoden; e>i in een gesloten lettergreep / AIDE = aedem / MERETOD = merito; de eind-d valt uit na een lange klinker

 

LUCIUS CORNELIUS LUCI FILIUS SCIPIO AEDILIS CONSUL CENSOR

HUNC UNUM PLURIMI CONSENTIUNT R[OMANI]

BONORUM OPTIMUM FUISSE VIRUM

LUCIUM SCIPIONEM FILIUS BARBATI

CONSUL CENSOR AEDILIS HIC FUIT A[PUD VOS]

HIC CEPIT CORSICAM ALARIAMQUE URBEM

DEDIT TEMPESTATIBUS AEDEM MERIT[O]

 

"Cornelius Scipio zoon van Lucius, aedilils, consul, censor/ Zeer vele Romeinen beamen dat deze ene/als enige beste onder de goede mannen is geweest,/ Lucius Scipio zoon van Barbatus/ Deze was hier bij jullie consul, censor, aedilis/ Hij heeft Corsica en de stad Aleria veroverd/ hij heeft voor de Weergoden terecht een tempel gebouwd."

 

C ILLRP 311

Het epitaphium van de zoon van Scipio Africanus Maior, op zijn beurt de adoptiefvader van Scipio Aemilianus. Het stamt uit de eerste helft van de 2de eeuw v.C. Het is uit literair standpunt misschien wel ÚÚn van de meest geslaagde.

 

1.QUEI = qui / APICE = apicem; <apex, het uiteinde, top van, hier de priestermuts (met volle draad omwonden) pars pro toto / INSIGNE = insignem (lett. door een teken onderscheidend) / DIALIS <diespiter; priester van Iuppiter / GESISTEI = gessisti; geen verdubbeling van d medeklinker, terwijl wel in essent, het is dus uit de overgangsperiode / 3.HONOS = honor / 4.SEI = si / LICUISET = licuisset / TIBE = tibi; <te-bhei<te-be<tibi / UTIER = uti; oude uitgang van de P inf praes / 5.FACTEIS = factis; abl meerv / SUPERASES = superasses = superavisses / 6.GREMIU = gremium

 

QUI APICEM INSIGNEM DIAL[IS F]LAMINIS GESSISTI

MORS PERFEC[IT] TUA UT ESSENT OMNIA BREVIA

HONOR FAMA VIRTUSQUE GLORIA ATQUE INGENIUM

QUIBUS SI IN LONGA LICUISSET TIBI UTI VITA

FACILE FACTIS SUPERAVISSES GLORIAM MAIORUM

QUA RE LUBENS TE IN GREMIUM SCIPIO RECIP[I]T

TERRA PUBLI PROGNATUM PUBLIO CORNELI

 

"De dood van u, die de uitzonderlijke priestermuts van de Flamen Dialis heeft gedragen,/ heeft ervoor gezorgd dat al het uwe kort was:/ je eer, je goede naam, je deugd, je roem, je talent/ Als je in een lang leven deze gaven had mogen gebruiken/ had je gemakkelijk door daden de roem van de voorouders overtroffen/ Daarom ontvangt de aarde jou graag in haar schoot/ Publius Cornelius Scipio, zoon van Publius."

[Weer naar boven]

ILLRP 312

Het grafschrift van Lucius Cornelius Scipio, broer van Scipio Hispanus, overleden ca.154 v.C. Zijn vader Gnaeus Cornelius Scipio was consul in 176 v.C. die stierf tijdens zijn consulaat. Dit elogium heeft literaire kwaliteiten: alliteraties en tegenstellingen (magnam…parva)

 

Titulus CN F CN N = Gnaei filius Gnaei nepos

Carmen 1.MAGNA SAPIENTIA = magnam sapientiam; dit leiden we af doordat het op dezelfde hoogte wordt geplaats als multasque / 2.QUOM = cum, voorz., de normale vorm hiervan is com; het voegwoord wordt wel zo geschreven (quom<quim<cum) / POSIDET = possidet / SAXSUM = saxum / 3.QUOIEI = cui;quoi-iei<quoiei<cui / HONOS = honor; op dezelfde hoogte als vita / HONORE = honorem, waarschijnlijk dat op gelijke hoogte als cui, maar defecit is weggelaten / 4.QUEI = qui / VIRTUTEI = virtuti; dat/loc om de beperking aan teduiden / 5.IS = *is op r4, moet het ond. Herhaald worden?; *dat/abl meerv = iis/eis bij locis, dit zou dan wel de eerste tekstgetuige ervan zijn / L[OC]EIS = locis; toevoeging van Mommsen, / 7.QUAIRATIS = quaeratis / QUEI = qui; oude abl met dezelfde waarde als bijv naamw qui / MANDATUS : kan als donare geconstrueerd worden: mandare aliquem aliqua re of aliquis mandatur aliqua re / MINUS = zwakkere ontkenning dan non

 

LUCIUS CORNELIUS GNAEI FILIUS GNAEI NEPOS SCIPIO

MAGNAM SAPIENTIAM MULTASQUE VIRTUTES

AETATE CUM PARVA POSSIDET HOC SAXUM

CUI VITA DEFECIT NON HONOR HONORE

IS HIC SITUS QUI NUMQUAM VICTUS EST VIRTUTI

ANNOS NATUS XX IIS L[OC]IS MANDATUS

NE QUAERATIS HONOREM QUi MINUS SIT MANDATUS

 

"Lucius Cornelius Scipio, zoon van Gnaeus, kleinzoon van Gnaeus/ Deze steen bezit grote wijsheid met korte levensduur./ Wiens levensadem ontbrak, geen eer ontbrak aan eer/ hij ligt hier begraven die nooit overwonnen is in deugd/ 20 jaar was hij wanneer hij naar deze plaatsen werd gezonden./ Vraag niet naar de erepost die hem niet werd toevertrouwd."

[Weer naar boven]

E ILLRP 316

Dit is het grafschrift van Gnaeus Cornelius Scipio Hispanus, kleinzoon van Gnaeus Scipio Calvus. Hij was in 139 v.C. praetor peregrinus, decemvir voor 150, aedilis ca. 141, quaestor ca 150, tribunus militum voor 150/149 v.C. Het grafschrift stamt uit het einde van de 2de eeuw v.C. Het wordt bewaard in het Vaticaans Museum. Het is geschreven in elegische disticha, met meer literaire kwaliteiten: alliteraties, ook de eind-s en -m is telkens geschreven. Dit zijn allen evoluties uit de 2de eeuw v.C. Het geeft ook een beeld van de evoluties in 20 Ó 30 jaar tijd in vergelijking met dat van zijn broer.

 

Titulus AID. = aedilis; tegenover laetentur (r.4) / SL. IUDIK. = slitibus iudikandis = litibus iudicandi : in civiele processen / SACR. FAC. = sacris faciundis = sacris faciendis

Carmen 1.MIEIS = meis; 1 lange klank in de scansie (o.m. Varro wees hier al op) / 2.PETIEI = petii <petere / 3.OPTENUI = obtinui; de schrijfwijze van het verbum simplex wordt behouden / SIBEI = sibi, heel eigen scansie omdat de schrijfwijze uitnodigt tot lange eindklinker (correptio iambica) / 4.HONOR = rotacisme reeds in de nom.

 

GNAEUS CORNELIUS GNAEI FILIUS SCIPIO HISPANUS PRAETOR AEDILIS CURULIS QUAESTOR TRIBUNUS MILITUM BIS DECEMVIR SLITIBUS IUDICANDIS DECEMVIR SACRIS FACIENDIS

VIRTUTIS GENERIS MEIS MORIBUS ACCUMULAVI

PROGENIEM GENUI FACTA PATRIS PETII

MAIORUM OBTENUI LAUDEM UT SIBI ME ESSE CREATUM

LAETENTUR STIRPEM NOBILITAVIT HONOR

 

"Gnaius Cornelius Scipio Hispanus, zoon van Gnaius, praetor, aedilis curulis, quaestor, twee maal krijgstribuun, decemvir voor civiele processen, decemvir van de erediensten/ Ik heb de deugden van het geslacht vermeerderd met mijn zeden/ ik heb nageslacht voortgebracht, ik heb de daden van mijn vader als voorbeeld genomen/ ik heb de lof van de voorvaderen gehandhaafd zodat ze zich over mij kunnen verheugen/ dat ik geboren ben, mijn roem maakte hun geslacht beroemd."

 

[Weer naar boven]

7. Dedicatio Falisca (ILLRP 192)

Dit is een bronzen plaatje gevonden in Falerii (het huidige CivitÓ Castellana). Het wordt nu bewaard in het Convento di San Lodovico te Napels. Het heeft op beide zijden een inscriptie. Voor de datering zijn er termini post quem: in 241 v.C. werd Falerii ingenomen door de Romeinen en verwoest. Onder de Romeinse heerschappij werd een nieuwe stad gebouwd, waar een deel van de bevolking terug ging wonen, een ander deel van de bevolking is naar SardiniŰ gevlucht. De datum kan zelfs opgeschoven worden naar 238 v.C toen de Romeinen SardiniŰ innamen. Vanuit SardiniŰ is dit plaatje naar Falerii gezonden samen met een gift. Ook een paleografische eigenaardigheid draagt bij tot de datering: de G wordt gebruikt voor de stemhebbende als de stemloze velaar (‘g - k’), wat erop wijst dat het geschreven is ten laatste rond 230/210 v.C. Het gaat hier over een collegium van Faliscische koks die na de verwoesting van Falerii naar SardiniŰ zijn geŰmigreerd. De inscriptie werd vergezeld van een wij-offer aan Iuppiter, Iuno en Minerva. Het eerste deel is proza, het tweede deel is in Saturnische verzen. Het stamt uit de periode voor de invoering van de hexameter in het Latijn.

Ttulus IOVEI, IUNONEI MINERVAI = Iovi, Iunoni, Minervae; dat met oude uitgang / FALESCE = Falisci; Falescoi<Falescei<Falesce<Falesci<Falisci; de e is oorspronkelijk themavocaal van de stam Fales / QUEI = qui / MAGISTREIS = *dat/abl meerv; *nom meerv, door contaminatie van magistrei en -es; in het Oskisch komt de uitgang van nom. m. mv.op –eis voor en in andere opschriften (cf nr 9: eis, leibreis) / COIRAVERONT = curaverunt; oi>oe>o>u; let op het verschil met dederunt, de spelling wordt nog niet systematisch toegepast / SALVENA = naam van Etruskische oorsprong, (cf. Porsenna, Caecina), evenals de andere namen.

Carmen 1.GONLEGIUM = collegium; meer G voor de stemloze velaar dan C, waarschijnlijk was de wisselende uitspraak die de auteur deed twijfelen / ACIPTUM = acceptum; invloed van de praes. vorm van accipio; sluiting van de E voor een groep medeklinkers (Etruskische invloed volgens Ernout) / AETATEI = aetati; dat. Van doel bij acceptum / AGE<N>D[AI] = agendae; de <N> is weggevallen voor de occlusief, wat minder courant is dan voor een geaspireerde / 2.OPIPARUM = <opiparus, uitbundig, heerlijk, prachtig; cf ops-parere, rijkelijk voorzien / VEITAM = vitam / QUOLUNDAM = colendam; <quolundam <colundam <colendam / 3. QUEI = qui; *antecedent is collegium (ad sensum); *verwijst naar quoquei, dat wel enkele regels verder staat / SOVEIS = suis; soveis<soueis<suis / AASTUTIEIS = astutiis; <astutia, schranderheid, handigheid, expertise; de a# wordt nog dubbel geschreven / OPIDQUE = ope-que; -id is abl uitgang; invloed van de i-stammen / VOLGANI = Vulcani; god van het vuur, ook verbonden met de kookkunst bij Plautus / 4.GONDECORANT = condecorat / SAIPISUME = saepissime / COMVIVIA = convivia / LOIDOSQUE = ludosque / 5.QUQUEI = quoquei;schrijffout van de auteur; = coqui = coci / HUC = *hoc (acc onz enk); *Ernout meent dat hier Etruskische invloed is; *Pisani analogie met hunc / SUMMEIS = summis / 6.UTEI = uti / SESED = sese / LUBENTES = libentes; nom meerv = de goden / IOVENT = iuvent / OPTANTIS = optantes; staat bij sese opmerkingen De spelling doet archa´sch aan, maar is niet consistent (gebruik van C en G dooreen, evenals AI en AE). Reeds U in plaats van O gebruikt. Magister is hier in de betekenis van voorzitter, voorganger, leider gebruikt.

 

IOVI IUNONI MINERVAE FALISCI QUI IN SARDINIA SUNT DONUM DEDERUNT

MAGISTRI(S) LUCIUS LATRIUS KAESONIS FILIUS GAIUS SALV[E]NA VOLTAE FILIUS CURAVERUNT

COLLEGIUM QUOD EST ACCEPTUM AETATI AGE<N>D[AE]

OPIPARUM A[D] VITAM COLENDAM FESTOSQUE DIES

QUI SUIS ASTUTIIS OPEQUE VOLCANI

CONDECORANT SAE[PI]SSIME CONVIVIA LUDOSQUE

COQUI HOC DEDERU[NT I]MPERATORIBUS SUMMIS

UTI SESE LIBENT[ES BE]NE IUVENT OPTANTES

 

"Aan Iuppiter, Iuno en Minerva hebben de Falisci die in SardiniŰ zijn een wijgeschenk aangeboden./ De voorgangers Lucius Latrius, zoon van Kaeso, en Gaius Salvena, zoon van Volta, hebben er voor gezorgd/ Het heerlijk college dat is opgericht om de tijd te verdrijven/ en om het leven tijdens de feestdagen te verzorgen/ De koks die door hun handigheid en met de hulp van Vulcanus/ zeer dikwijls banketten en spelen opluisteren/ hebben dit gebracht aan de hoogste heersers/ opdat die graag en goed hen helpen bij wat ze wensen."

 

[Weer naar boven]

8. Senatusconsultum de Bacchanalibus (CIL 581)

Dit werd uitgevaardigd door de Romeinse Senaat in 186 v.C. om de Bacchusvieringen officieel te verbieden. De reden hiervoor was, dat er tijdens de Bacchanalen allerlei uitspattingen waren en misdaden, vooral in Zuid-ItaliŰ, maar ook te Rome. Dit decreet wordt ook vermeld door Livius. Wat we hier hebben is een officieel afschrift dat in opdracht van de senaat en de 2 consuls naar alle locale magistraten werd gestuurd in Zuid-ItaliŰ. Dit afschrift is van Ager Teuranus, het huidige Tiriolo in Calabria (niet ver van Brundisium). Het is gegrift in een bronzen plaatje van 27 op 28 cm. Het decreet werd op een wastafeltje geschreven en zo naar de verschillende magistraten gestuurd, die dan een kopie lieten maken om zichtbaar voor iedereen op te hangen. Duidelijk zijn de gaten van de klinknagels nog te zien (afb. X). Het plaatje is bijna geheel intact tot ons gekomen.

Het werd gevonden in 1648 en wordt nu bewaard in Wenen in het Kunsthistorisch Museum en behoorde tot de keizerlijke collectie van de Habsburgers. Het zijn 30 regels in kapitaalschrift met een duidelijke woordsplitsing (punten tusen de woorden). Er staan enkele fouten in de transcriptie, maar de graveur heeft zich angstvallig aan het origineel gehouden.

Het is een belangrijk document

 

1.Q. MARCIUS… = Quintus Marcius Philippus en Spurius Postumius Albinus; de consuls van 186 v.C., dit weten we uit de overgeleverde consullijsten / CONSOLUERUNT = consuluerunt / NONIS OCTOBRIBUS = 7 oktober; typisch voor een officieel document is de nauwkeurige aanduiding van tijd, plaats en de personen

2. DUELONAI = Bellonae; oud Romeinse oorlogsgodin, die een tempel had op het Campus Martius (extra Pomerium); oud Italische godinnen hebben een uitgang op -ona, vb. Pomona, Annona, annona; let ook op het gebruik van de enkele medeklinker en oude gen uitgang -ai / SC ARF = scribendo arfuerunt = scribendo adfuerunt; oude vorm, betuigt door Priscianus / CLAUDI, VALERI, MINUCI = Claudius, Valerius, Minucius; normaal wordt -us afgekort door ; slordigheid van de graveur; volkse spelling naar de uitspraak; dit staat tegenover de Postumius en Marcius van r.1; dit zijn de leden van de 'senaatscomisie' die aanwezig waren bij het optekenen van de tekst, waren het senators of klerken? / BACANALIBUS = Bacchanalibus / QUEI = qui; relativum, waarvan het antecedent eis niet is uitgedrukt / FOIDERATEI = foederati

3.ESENT = essent; in heel het consltum staan enkele medeklinkers / EXDEICENDUM = exdicendum [esse]; <exdicere, een expliciete vorm voor edicere; we verwachten exdeicundum, we hebben hier te doen met een progressieve spelling / CENSUERE = censuerunt; woord bij uitstek om beslissingen van de senaat aan te duiden / NEIQUIS = nequis; emfathische vorm met een deiktische infix i, enkel gebruikt aan het begin van een zin (t.o. nequis r.10); verbod + inf perf, dit is typisch juridische manier van denken: iemand kan pas gestraft worden nadat hij de misdaad gepleegd heeft / VELET = vellet; oorspronkelijk veled; er zijn 2 uitgangen voor de 3 p. E: *primaire tijden -ti>-t (cf. ejsti) *secundaire tijden: -t>-d (vb. sied, fecid)>-t (door assimilatie met de primaire tijden, cf. Oskische ‘fusid’ = ‘foret’) (verdwijnt later in de Romaanse talen, vb. ama) / SEI = si / QUES = quis; oude meerv vorm op –s (qui r.4)

4. QUEI = qui; relativum / SIBEI = sibi / DEICERENT = dicerent / NECESUS = neccesus, in het KL necesse; oorspronkelijke vorm van het subs <ne+cessus (er is geen ontkomen aan, dus : noodzakelijk); van diens adj. Necessis werd enkeld het onz. E ‘necesse meer gebruikt; / EEIS = ii/ei; oude sigmatische nom meerv, ond. van venirent (cf derde verbuiging op -e( s) cf. suis r.3 / UTEI = ut; utei<uti<ut; afhankelijk van exdicendum (wil van de senaat) / PR URBANUM = praetorem urbanum; cf. de buitenburgemeesters in de 15de – 16de eeuw

5.EEIS = eis/iis; abl meerv; / UBEI = ubi

6.C = centum; het quotum nodig om een geldig besluit te kunnen stemmen in de senaat / QUOM = cum / SENATORIBUS = abl. Van het 2de lid vande verglijking na plus / COSOLERETUR = consuleretur; zonder n, terwijl in regel 1 de n er wel staat in het zelfde woord

7.BACAS = bacchas; de bacchanten / ADIESE = adiisse / CEIVIS = civis / NOMINUS LATINI = nominis Latini; graveerfoutje of een dialectische gen. uitgang, onder invloed van het Grieks -o V ; mensen die onder het Latijnse recht vielen / SOCIUM = sociorum; archaische gen meerv

8.NISEI = nisi / ISQUE = verwijst naar de praetor urbanus / SENATUOS = senatus; gen op -os in de 4de verbuiging is enkel hier betuigd, het is geen graveerfout want op r21 staat hetzelfde; misschien een dialectische uitgang, onder invloed van het Oskisch of het Faliskisch ("zenatuo"), misschien invloed van het Grieks (-o V ) / SENTENTIAD = sententia; abl; het proces is reeds voltooid in het begin 2de eeuw v.C., bij Plautus vinden we enkel nog "med" en "ted", terwijl bij Terentius deze vormen niet meer voorkomt; hier hebben we te maken met een archa´serende tendens, want de eindformule die op r30 is toegevoegd door de plaatselijke magistraten heeft deze uitgang niet / DE = uitgaande van, op grond van

9.QUOM = cum / IOUSISENT = iussissent; voordien was "is" (de praetor urbanus) het ond, nu schakelt hij plots over naar meerv, misschien uit verwarring door het spreken over de senaat in het voorgaande deel, ook omdat de praetor urbanus steeds de senaat raadpleegt

10.MAGISTER = voorganger, leider van een religieus genootschap / QUISQUAM = mannelijke vorm, staat hier bij mulier; oorspronkelijk was deze vorm zowel mannelijk als vrouwelijk, quaequam is later gevormd

11.COMOINEM = communem; normmaal veranderde rond 200 v.C. de oi naar u

12.PRO MAGISTRATUD = pro magistratu, plaatsvervangend magistraat, bestuurder

13.CONIURASE = coniurasse; nu volgen 4 werkw met ongeveer dezelfde betekenis : coniurasse, comvovisse, conspondisse, compromisisse / SED = se

14.COMPROMEISISE = compromisisse / VELET = vellet

15.OQUOLTOD = occulto; <ob-culere (cf. celare, clam) verkeerdelijk ingevoerde archa´serende spelling (qu kh) / POPLICOD = publico

16.PREIVATOD = privato / EXSTRAD = extra / NISEI = nisi; beperkende voorwaarde

17.SENTENTIAD = sententia

18.QUOM = cum / IOUSISENT = iussissent; dezelfde fout als in r9

19.PLOUS = plus / OINVORSEI = universi; merkw. dat de i is uitgevallen / VIREI = viri

20.anakolout de zin begon in het meerv (homines) en na quisquam gaat het verder in het enk / IBEI = ibi; inter ibi is een versterkt ibi, ondertussen / MULIERIBUS = zou nom moeten zijn, onder invloed van de voorgaande woorden; eigenaardig hier, want het door breekt de symmetrie van de zin / PLOUS = plus; verkeerde archa´serende spelling <plo-ios<plo-is <ploes <plus

21.NISEI = nisi / SENATUOS = senatus; gen; de senaat komt steeds terug op het bacchanaal 'onder toezicht' uit angst om een goddelijke wet te overtreden / SUPRAD = supra

22.HAICE = haec; acc onz meerv (LV); <ha-i-ce, meerv van het demonstrativum met versterkende partikel en deiktische infix; -ce oorspronkelijk bij alle vormen van het demonstrativum (cf hod-ce <hodc<hocc<hoc), door apocope is enkel de -c overgebleven; bij dichter komen nog sporen voor van een dubbele c, wat van belang is voor de scansie / COVENTIONID = conventione, dit woord bestaat niet in KL, wel contione; -id ongewone uitgang, onder invloed van de i-stammen / EXDEICATIS = edicatis; 2 pers. M, want alle bestuurders van steden en municipia worden aangesproken

23.NONDINUM = nundinum; acc van duur; periode van 8 dagen tussen de marktdagen (=nundinae); binnen de 3 marktdagen; blijkbaar gingen de Romeinse boeren om de 8 dagen hun producten verkopen op de markt / SCIENTES ESETIS = scietis; sterker vorm en meer plechtiger dan het verbum simplex

24.SEI = si / QUES = quis; nom meerv / ARVORSUM = adversum / EAD = ea; oude abl enk (komt nog voor in praeterea); ea, nl sententia

25.EEIS = eis; dat van nadeel / CAPUTALEM = capitalem / UTEI = uti

26.HOCE = hocce = hoc / TABOLAM = tabulam / INCEIDERETIS = incideretis;<in-caedere, in-graveren / AIQUOM = aequum

27.UTEIQUE = utique / FIGIER = figi; P inf Praes, men kan de oorsprong van de -er uitgang niet verklaren / UBEI = ubi / FACILUMED = facillime; bijw op -e wordt -ed geschreven

(analogie met certod, meritod) / GNOSCIER = nosci / POTISIT = possit, <pote-sit<potisit <potsit<possit

28.UTEI = ut / SEI = si / QUA = cultusplaatsen eerder dan de feesten zelf / EXSTRAD = extra / IBEI = ibi

29.SUPRAD = supra / VOBEIS = vobis / TABELAI = tabellae; houten wastafeltje waarop de originele tekst geschreven was; meestal gebruikt voor korte boodschappen (anders diptycha, triptycha,…) / DATAI = datae

30.UTEI = uti / DISMOTA = dimota; de SM combinatie is de etymologische spelling / SIENT = sint; <oude opt op -ie (enk) en -i# (meerv), waarna onderlinge be´nvloeding / IN AGRO TEURANO = deze formulering is niet in de senaat geschreven, maar is zelf toegevoegd, zonder archa´serende spelling.

 

Synthese :

1. Fonetiek

A. Klinkers

O > E tussen v en r in een gesloten middenlettergreep (arvorsum, oinvorsei)

O > U in andere posities (quom, consoleretur, tabola, oquoltod, consoluere), maar niet

  • consequent volgehouden (Marcius, Postumius)
  • E > I in gesloten middenlettergreep (adiesent)

    U > I in open middenlettergreep (caputalem, facilumed)

    -CE de E valt uit door apocope (haice, hoce)

    B. Tweeklanken

    AI > AE (duelonai, haice), maar niet systematisch (r1 aedem)

    EI > I (quei, foederatei, exdeicendum)

    OU > U (iousisent, plous)

    C. Medeklinkers

    QU > CC (oquoltod)

    N na een klinker en voor de s valt hij uit (r1 cosoluerunt), echter niet

  • systematisch (r6 consoleretur)
  • D valt weg na een lange klinker (sententiad, magistratud), wel in tegenspraak met de slotformule

    C > CCH de ch heeft geen aspiratie (Bacanas, Bacanal)

    2. Spelling

    systematische ontdubbeling van dubbele medeklinkers (eset, velet, habuise)

    oude spelling XS (deze blijft bestaan tot in de tijd van Augustus) (exstrad)

    aarzeling tussen prefix con- en com- (comvovise, conspondise)

    etymologische spelling met het prefix ex- (exdeicendum)

    dialectische spelling ar- in plaats van ad- (arfuise, arvorsum)

    3.morfologie

    uitgang bij namen op -us soms weggelaten; (slordigheid? volkse spelling?)

    genitief in de 4de verbuiging (senatuos) (dialectisch?)

    bijwoord op -ad (exstrad, suprad)

    archa´sche nom meerv van quis (ques)

    3de pers meerv op -ere naast -erunt

    P inf praes op -ier (figier, gnoscier)

    4.Syntaxis

    gebodsformule : velet/velent + inf perf (typisch voor de rechtstaal: men kan pas straffen als

    de daad voltrokken is

    enkel esse wordt niet omschreven gebruikt (steeds eset) [dus niet: "ne fuise velet"]

    1. [QUINTUS] MARCIUS LUCI FILIUS SPURIUS POSTUMIUS LUCI FILIUS CONSULES SENATUM CONSULUERUNT NONIS OCTOBRIBUS APUD AEDEM 2. BELLONAE SCRIBENDO ADFUERUNT MARCUS CLAUDIUS MARCI FILIUS LUCIUS VALERIUS PUBLI FILIUS QUINTUS MINUCIUS GAII FILIUS DE BACCHANALIBUS QUI FOEDERATI 3. ESSENT ITA EDICENDUM CENSUERUNT NEQUIS EORUM BACCHANAL HABUISSE VELLET SI QUIS 4. ESSENT QUI SIBI DICERENT NECESSUS ESSE BACCHANAL HABERE II (EI) UTI AD PRAETOREM URBANUM 5. ROMAM VENIRENT DEQUE EIS REBUS UBI EORUM VERBA AUDITA ESSENT UTI SENATUS 6. NOSTER DECERNERET DUM NE MINUS SENATORIBUS CENTUM ADESSENT [CUM E]A RES CONSULERETUR 7. BACCHAS VIR NEQUIS ADIISSE VELLET CIVIS ROMANUS NEVE NOMINIS LATINI NEVE SOCIUM 8. QUISQUAM NISI PRAETOR URBANUM ADIISSENT ISQUE DE SENATUS SENTENTIA DUM NE 9. MINUS SENATORIBUS CENTUM ADESSENT CUM EA RES CONSULERETUR IUSSISSENT CENSUERUNT 10. SACERDOS NEQUIS VIR ESSET MAGISTER NEQUE VIR NEQUE MULIER QUISQUAM ESSET 11. NEVE PECUNIAM QUISQUAM EORUM COMMUNE[M H]ABUISSE VELLET NEVE MAGISTRATUM 12. NEVE PRO MAGISTRATU NEQUE VIRUM [NEQUE MU]LIEREM QUISQUAM FECISSE VELLET 13. NEVE POST HAC INTER SE CONIURA[SSE NE]VE COMVOVISSE NEVE CONSPONDISSE 14. NEVE CONPROMISISSE VELLET NEVE QUISQUAM FIDEM INTER SE DEDISSE VELLET 15. SACRA IN OCCULTO NE QUISQUAM FECISSE VELLET NEVE IN PUBLICO NEVE IN 16. PRIVATO NEVE EXTRA URBEM SACRA QUISQUAM FECISSE VELLET NISI 17. PRAETOR URBANUM ADIISSET ISQUE DE SENATUS SENTENTIA DUM NE MINUS 18. SENATORIBUS CENTUM ADESSENT CUM EA RES CONSULERETUR IUSSISSENT CENSUERUNT 19. HOMINES PLUS QUINQUE UNIVERSI VIRI ATQUE MULIERES SACRA NE QUISQUAM 20. FECISSE VELLET NEVE INTER IBI VIRI PLUS DUOBUS MULIERIBUS PLUS TRIBUS 21. ADFUISSENT VELLENT NISI DE PRAETORE URBANI SENATUSQUE SENTENTIA UTI SUPRA 22. SCRIPTA EST HAEC UTI IN CONTIONE EDICATIS NE MINUS TRINUM 23. NUNDINUM SENATUSQUE SENTENTIAM UTI SCIENTES ESSETIS EORUM 24. SENTENTIA ITA FUIT SI QUIS ESSENT QUI ADVERSUM EA FECISSENT QUAM SUPRA 25. SCRIPTUM EST EIS REM CAPITALEM FACIENDAM CENSUERUNT ATQUE UTI 26. HOC IN TABULAM AHENAM INCIDERETIS ITA SENATUS AEQUUM CENSUIT 27. UTIQUE EAM FIGI IUBEATIS UBI FACILLIME NOSCI POSSIT ATQUE 28. UTI EA BACCHANALIA SI QUA SUNT EXTRA QUAM SI QUID IBI SACRI EST 29. ITA UTI SUPRA SCRIPTUM EST IN DIEBUS DECEM QUIBUS VOBIS TABELLAE DATAE 30. ERUNT FACIATIS UTI DIMOTA SINT IN AGRO TEURANO

     

    "1. Quintus Marcius zoon van Lucius en Spurius Postumius zoon van Lucius, consuls, hebben de senaat geraadpleegd op 7 oktober bij de tempel 2. van Bellona. Bij het uitschrijven waren Marcus Claudius zoon van Marcus, Lucius Valerius zoon van Publius en Quintus Minucius de zoon van Gaius aanwezig. Over de bacchanalen, voor alle verbondenen, 3. oordeelden zij dat aldus uitgevaardigd moest worden. Niemand van hen mag een bacchanaal houden. Als er 4. zijn die zeggen dat het voor hen nodig is een bacchanaal te houden, dat ze naar de praetor urbanus, 5. naar Rome moeten komen. Wanneer hun woorden gehoord zijn zal over deze zaken onze 6. senaat beslissen, op voorwaarde dat er niet minder dan 100 senatoren aanwezig zijn wanneer die zaak besproken wordt. 7. Geen enkele man mag zich onder de bacchanten mengen, noch een Romeins burger, noch een man van Latijns Recht, noch een bondgenoot, 8. tenzij ze naar de praetor urbanus gegaan zijn en deze op grond van de uitspraak van de senaat beslist heeft, op voorwaarde dat er niet 9. minder dan 100 senatoren aanwezig waren toen deze zaak werd behandeld, en bevolen hebben en geoordeeld hebben. 10. Niemand mag priester zijn, niemand mag voorganger zijn, noch een man, noch een vouw 11. niemand mag hun geld in gemeenschap gehad hebben, niemand mag een magistraat, 12. en ook geen plaatsvervangend magistraat, noch een man noch een vrouw, aanstellen. 13. Hierna mogen geen eden onder elkaar gezworen worden, noch geloftes gedaan worden, noch beloften gedaan worden 14. noch een verbintenis aangegaan worden, noch onderlinge akkoorden gesloten worden. 15. In het geheim mag niet geofferd worden, noch mag publiekelijk of 16. privaat of buiten de stad geofferd worden, tenzij hij naar de 17. praetor urbanus gegaan is en deze over de uitspraak van de senaat beslist heeft, op voorwaarde dat er niet minder dan 18. 100 senatoren aanwezig waren, toen die zaak voorgelegd werd, en bevolen hebben en geoordeeld hebben. 19. Met meer dan 5 mensen, mannen en vrouwen tezamen, mogen geen vieringen 20. houden, en onder hen mogen niet meer dan 2 mannen en niet meer dan 3 vrouwen 21. aanwezig zijn, tenzij door de uitspraak van de praetor urbanus en de senaat, zoals hoger 22. geschreven is. Dit zullen jullie in een vergadering bekendmaken, binnen minstens 3 23. Marktdagen, opdat jullie goed zouden weten wat het besluit van de senaat is. Hun 24. uitspraak was zo, indien er zijn die tegen dit handelen, wat hierboven 25. geschreven is, dan is geoordeeld dat tegen dezen vervolging met ddoordstraf zal worden ingesteld. En graveer 26. dit in een koperen plaat, dat besliste de senaat gelijkelijk, 27. en dat jullie beslissen waar het opgehangen wordt, waar er het gemakkelijkste kennis van genomen kan worden. En 28. de cultusplaatsen, als er zijn, tenzij er iets heiligs is, 29 binnen 10 dagen, nadat deze brief is afgegeven zoals hierboven beschreven is 30. moeten jullie ervoor zorgen dat ze verdwijnen uit Ager Teuranus."

    [Weer naar boven]

    9. Vertuleiorum Dedicatio (ILLRP 136)

    Een inscriptie op steen gevonden in Sora in Zuid-Latium (ongeveer 100 km ten zuiden van Rome), meer bepaald in de tuin van de Santa Restituta-kerk. Het dateert uit 150 v.C. of kort nadien. Het is nog geschreven in Saturnische verzen, terwijl de hexameter reeds doorgebroken is in ItaliŰ. Inhoud: de gebroeders Vertuleii offeren van hun goederen aan Hercules ter inlossing van een belofte van hun vader.

    Titulus VERTULEIEIS = Vertuleii; nom meerv

    Carmen 1.DIFEIDENS = diffidens (+abl); let op de enkele medeklinker / ASPER = *nom, staat dan bij het ond parens, maar daar staat reeds difeidens en timens bij; *= aspere; Mommsen denkt dat de eind e is weggevallen door apocope en zo dus een bijwoord bij afleicta / AFLEICTA = afflicta; hoort bij re sua / 2.HEIC = hic; bijwoord / 3.DECUMA = decima / POLOUCTA = pollucta; offer of offermaal, hier als subs. Bijstelling bij donum; <pollucere, polluxi, polluctum, als offer voorzetten, offeren (alg. als maaltijd voorzetten) / LEIBEREIS = liberi; oude nom meerv (cf Vertuleieis en magistreis [Dedicatio Falisca]) / LUBE<N>TES = lubentes; *de n voor de s in lubens is zwak, daarom uitgevallen en moet niet bijgechreven worden (volgens Ernout); *kapfout / 4.DONU(M) = donum; de m moet toegevoegd worden, deze viel vaak weg / DANUNT = dant; oude vorm / HERCOLEI = Herculi; zeer oude vorm / MAXSUME = maxime / MERETO = merito / 5.SEMOL = simul; onz acc als bijw gebruikt simoli<simol<simul; <semelis (adj)<similis<similis de i komt door analogie / VOTI = gen van de gerechtelijke handeling / CONDEMNES = conj na orare zonder voegwoord (in KL + ut) komt ook voor bij Plautus, Ovidius en Vergilius.

     

    MARCUS ET PUBLIUS VERTULEII GAEI FILII

    QUOD RE SUA DI[FF]IDENS ASPERE AFFLICTA

    PARENS TIMENS HIC VOVIT VOTO HOC SOLUT[O]

    [DE]CIMA FACTA POLLUCTA LIBERI LUBE<N>TES

    DONU(M) DANT HERCULI MAXIME MERITO

    SIMUL TE ORANT SE VOTI CREBRO CONDEMNES

    "Marcus en Publius Vertuleius, zonen van Gaius

    Wat de vader vol wanhoop over zijn ellendige situatie/ en bevreesd, hier beloofde, nadat deze belofte is ingelost,/ geven de kinderen bereidwillig een offermaaltijd, het tiende deel van de opbrengst,/ als geschenk aan Hercules voor zijn grootste verdienste./Tegelijkertijd bidden zij u dat gij hen vaak zult veroordelen tot het nakomen van een belofte."

    [Weer naar boven]

    1O. Claudiae Elogium (ILLRP 973)

    a) situering:

    Ě inscriptie op steen

    Ě gevonden in Rome, langs Tiber, bij begin van brug San Bartolomeo

    Ě iambische senaren = 6-voetig vers

    Ě 16e eeuw: ondergedoken en herbruikt, onbekend sindsdien

    Ě tijd van de Gracchen: + 133-122 v.C.

    Ě grafschrift over Claudia, auteur onbekend

    b) bespreking

    1) DEICO= dico

    PAULLUM =paulum arch. schrijfwijze

    PELLEGE =perlege, grafie volgens uitspraak: doorgedreven assimilatie // Lucilius en Cicero brief aan Atticus, 13, 44 r.2

    2) HEIC= hic

    SEPULCRUM-PULCRUM-PULCRAI : geen aspiratie, pas laat doorgevoerd (+/- Cicero's tijd), Catullus: meer en meer

    PULCRAI maar wel feminae

    HAU= haud

    4) SUOM = suum ! souo ~ corde

    MAREITUM = maritum

    DEILEXIT= dilexit

    5) HORUNC =horum, tussenstadium horumce-horum: apocope van de e en assimilatie

    ALTERUM … ALIUM: normaal: alterum…. alterum > metri causa

    6) LOCAT: historisch praesens

    8) ABEI = abi

    c) resultaat:

    Hospes quod dico paulum est, asta ac perlege.

    Hic est sepulchrum haud pulchrum pulchrae feminae.

    Nomen parentes nominarunt Claudiam.

    Suum maritum corde dilexit suo.

    5 Gnatos duos creavit; horum alterum

    in terra linquit, alium sub terra locat.

    Sermone lepido, tum autem incessu commodo.

    Domum servavit, lanam fecit. Dixi. Abi

    d) vertaling:

    Vreemdeling, wat ik zeg is klein, blijf staan en lees verder.

    Hier is het helemaal niet mooie graf van een mooie vrouw.

    Haar ouders noemden haar Claudia.

    Ze hield met haar hart van haar echtgenoot.

    Ze zette 2 zonen op de wereld: daarvan liet ze

    de ene op aarde achter en de ander begroef ze.

    Ze had een geestige manier van spreken, een elegante manier van lopen.

    Ze diende thuis, ze maakte/spon wol. Ik heb gesproken. Ga nu voort.

    [Weer naar boven]