1 logo.jpg (9611 bytes)  Kunstkring "De Schuine Boom" Zoersel België

Techniek van het olieverfschilderen                           terug naar index

De primitieve schilders spraken met evenveel liefde over hun vak als de alchemisten van toen  over de 'werking' van de schepping.Hoever zijn wij thans niet verwijderd van de schilders als Van Eyck, Breughel of Dürer... Hoe armoedig lijkt onze manier van schilderen niet, hoezeer verstoken van iedere levenskracht, vergeleken bij hun traditionele, ik zou zeggen rituele, techniek. De ontwikkeling van de olieverftechnieken vanaf haar uitvinding tot op heden, kan als volgt worden samengevat:

Eerste Vlaamse Manier, Van Eyck (15'eeuw)

Volgend op een overgangstechniek (glacis met olieverf op ondergrond van eitempera), die al bekend was sinds de 11de eeuw, maar die nauwelijks vaardig toegepast werd voor de 14 de eeuw, kenmerkt deze eerste Vlaamse manier, volledig in olieverf a la Van Eyck, zich door het gebruik van de volgende elementen: Lichte grondlagen, van lijm en gips. Lichte onderschildering, met eitempera (soms met waterverf) of met vernis, licht getint en in camayeu. Voltooiing middels achtereenvolgende transparante lagen, die de tekening van de eerste onderschildering respecteert. Verfmassa die zeer veel harde- en zachte hars bevatte; de verf is direct met een gekookte harsolie gewreven (die copal, amber of balsem van Venitiaanse terpentijn bevat.) die het oppervlak de glans en hardheid van e-mail gaf. Verdunningsmiddel dat ook rijk is aan hars, waarschijnlijk een verdunningsmiddel op basis van terpentijnessence of spijkolie, waaraan Venitiaanse terpentijn aan is toegevoegd    en is dik gemaakt met behulp van olie, die op haar beurt weer een flinke hoeveelheid harde hars, solaas amber of copal.

Tweede Vlaamse manier, Rubens (17'eeuw)

Uiterlijk dat wordt gekenmerkt door het gebruik van wit in de lichte partijen en door verdunning van de verflaag in de donkere tonen.   Grondlaag, verfmassa en verdunningmiddel nog zeer traditioneel. Eerste Italiaans manier, Leonardo Da Vinci (15de eeuw) Vermindering van de hars: gladde en dek- kende verfmassa.

Tweede Italiaanse manier, Titiaan (16' eeuw)

Bijna volledige afstand doen van hars, behalve voor het glacis. Donkere grondlagen, dikke verfmassa en overmatig gebruik van pentimenti.

Voortvarende manier Watteau (18' eeuw)

Vanaf de 18 de eeuw (en zelfs in de 17de eeuw), misbruik van siccatieven; meer en meer voortvarende manier op zeer gladde grondlagen van olieverf. Verdonkering, te wijten aan het ranzig worden van de verfmassa

De grote breuk van de 19' eeuw

Een scherpe breuk vanaf David. De meer en meer oliehoudende verf wordt nog donkerder. Misbruik van retoucheervernis, gebruik van nutteloze of ronduit schadelijke verf, waaronder bitumen.

De impressionistische revolutie (19' eeuw)

Terugkeer naar absorberende grondlagen. Vaak verdunningmiddel op basis van terpentine. Magere verfmassa, maar veelvuldig opgezet in buitensporig dikke lagen. Gebrekkige techniek, gebaseerd op de korte schets en uitgevoerd middels onophoudelijk overschilderen.

De tegenwoordige tijd

Dragers van middelmatige kwaliteit, soms niet geprepareerd: vb karton. Gebruik van verf die met te magere olie is gewreven. (ruwe papaverolie) Onderschildering in de volle verfmassa (te wijten aan de slechte invloed van de snelle schets). Het weer opnemen van de onderschildering voordat deze goed droog is. Omwerking in de half natte verfmassa. Het gebruik van schadelijk kleurende materialen of mengsels, zonder enig onderscheid. Misbruik van retoucheervernis en het voortijdig vernissen, wanneer er naar een blijvend glanzend resultaat wordt gestreefd. Zonder nog maar te spreken van het streven naar een voorkomen, dat niet te rijmen valt met de aard van olieverf.

Inleiding:

Algemeen:

Dragers, grondlagen, lijmlagen en prepareringslagen spelen een zeer belangrijke rol in de uitvoering van de onderschildering, ze zijn zeer bepalend voor alle verflagen die er overheen worden geschilderd. De kwaliteit van de verfmassa, de soort verdunningsmiddelen waarmee deze aangelengd kan worden en de vernissen, die haar glans geven en beschermen, bepalen niet minder de uiteindelijke indruk van het schilderij. Wel je werkelijk duurzaam schilderen, dan moet je dezelfde grondige voorbereidingen treffen  als de oude meesters, die een doek nooit meer aanraken, zonder het eerst wekenlang te hebben laten rusten - of je moet in één enkele zetting trefzeker te werk gaan zoals  de schilders in de open lucht. Zomaar in het wilde weg een doek schilderen is één ding; ervoor zorgen dat het doek onder zulke condities geschilderd wordt dat haar conservering is verzekerd, is een andere zaak. Het is aan te raden een stijve of half stijve drager te gebruiken dan een overdreven soepele drager.

Saus:

Dit is het verdunningsmiddel dat zeer weinig kleur bevat en waarmee men de onderlagen mee schilder. het verdunningsmiddel moet zeer mager zijn, dat dik wordt gemaakt met hars en olie, naarmate het werk vordert. Vergeet in ieder geval niet, wanneer je de eerste onderschildering met een vrij magere saus opzet, om dit soort verdunningsmiddel voor de onderlagen te bewaren in navolging van de volgende wet: VET over MAGER.

Halve verfmassa:

De halve verfmassa vormt de algemene aankleding van het schilderij, zij is van middelmatige dikte waar de glacerende lagen en het impasto overheen worden gestreken.

Impasto:

Het impasto of verhogen van de verfdikte geeft de toeschouwer de meest frappante eigenschap van de olieverftechniek. Het maakt het zo makkelijk om bedoelingen te onderstrepen en persoonlijk karakter in het werk te accentueren.  Toch leidt overmatig gebruik van impasto tot ernstiger risico's wat betreft de toekomstige conservering van het schilderij. Wanneer je impasto toepast, neem dan de voorzorg het eerder met een té harshoudende verfmassa uit te voeren, dan met een te magere of te oliehoudende verfmassa. Zelfs als men met het paletmes schildert, moet je aan de verf uit de tube een harshoudend verdunningsmiddel toe voegen, zonder dit, die de verf letterlijk aan de onderlaag vastbindt, is deze niet werkelijk duurzaam.

Glacis:

Een transparante verflaag op een dekkende verflaag, met de hulp van een harshoudend verdunningsmiddel. Meestal is het glacis donkerder dan de toon die het moet veranderen, maar toch kan een lichte glacis op een donkere onderlaag aangebracht worden, zo kan men een opaalachtige effecten verkregen worden. Het glaceren met een gegeven kleur (vb.Pruisisch blauw) op een dekkende onderlaag van een andere toon (vb.citroengeel), zal een derde toon geven, die in zuiverheid en kracht mooier is dan de directe menging van deze twee kleuren op het palet. (Groen). Dit is de meest gangbare toepassing van glacis. Het verven van Vermiljoen met behulp van een lichte glacislaag van krablak. Het veranderd niet alleen de schittering en de diepte van Vermiljoen maar ook haar toonwaarde. Croomoyidegroen, dat geglaceerd wordt door een tweede verflaag is rijker aan hars maar dezelfde kleur. Het groen dat resulteert is oneindig veel schitterender, glanzerder, dieper, in één woord mysterieuzer, dan in één laag opgestreken. Wanneer heldere stralen een transparant lichaam ontmoeten, zetten ze hun tocht voort, totdat ze op een dekkende laag stuiten.Het verschil van de schittering van een dekkende laag dat gewoonweg het licht weerkaatst en de schittering van dezelfde kleur, nadat er een half transparante scherm overheen gestreken wordt, dat het licht een langere weg laat afleggen. Meest belangrijke eigenschap van glacis is het verdiepen van, de kwaliteit van de kleurtoon.

Aanbrengen van een glacis:

Glacis kan op een reeds doorgedroogde verflaag worden aangebracht of in de half natte verfmassa. In de half natte verfmassa moet het verdunningsmiddel altijd wat harsachtiger zijn dat wat er bij de onderlagen gebruikt wordt. (vet over mager) Er zijn zeer zachte penselen nodig, om te vermijden dat het glacis de dekkende verflaag die nog vers of bijna vers is, niet verknoeit. Op een doorgedroogde laag, heeft geen speciale uitleg nodig. Deze werkwijze vraagt meer overdenken dan gevoel en is niet van onze tijd, maar het effect, dat er technisch mee bereikt kan worden, is er daarom niet minder interessant om.

Droogtijden tussen twee schildersessies:

Olieverf vereist een lange droogtijd tussen de verschillende verflagen. gemiddeld twee weken rust (liever meer) is een goede rustpauze tussen twee werksessies. We worden hier geconfronteerd met een noodzaak, die onafhankelijk met olieverftechniek verbonden is. Craquelures en verandering van alle mogelijke aard (zwart worden, bladderen van verflagen, enz.) zijn de straf voor iedere voortijdige overschildering.

Misbruik van siccatieven:

Overmatig gebruik van siccatieven zij te veroordelen. Men moet ze voorzichtig gebruiken. Trouwens alleen de minst drogende pigmenten mogen een aanvulling krijgen (vooral de zwarten en lakken). De dosis siccatief van 3 tot 4% van het gewicht aan olie mag nooit overschreven worden.(vb.3 a 4 druppels olie in een notendop.)

Dof worden of inschieten:

Het droogproces begint op natuurlijke wijze aan de oppervlakte, waar de olie in direct contact met de zuurstof uit de lucht komt, er worden gassen gevormd, die een uitweg zoeken naar de oppervlakte, zij graven poriën. Zij begunstigen de doorgang van de zuurstof en bevorderen het drogen. De gassen maken de laag geoxideerde lijnolie poreus en de poriën worden groter en talrijker naarmate zich meer gas ontwikkelt. Wanneer men op een olielaag, die nog niet hard is, een nieuwe dosis strijkt, dan zwelt de eerste laag als een spons op, omdat het de verse olie absorbeert. dat verklaart de vorming van doffe plekken, het inschieten. Is op te lossen met een retouchvernis te gebruiken, maar niet noodzakelijk.

Craquelures:

Zo is ook de snelle barsten van bepaalde verflagen, die over andere zijn gestreken zonder een retoucheervernis ertussen, aan dezelfde oorzaak te wijten. Papaverolie zuigt meer op aan de laag die erover gestreken wordt, dus zij is minder goed. Het gevaar wordt groter wanneer er minder olie aan de bovenlaag is toegevoegd en de onderlager meer olie bevatten (mager naar vet) Door het onregelmatig drogen ontstaan er spanningen op de verflaag en vormt craquelures. Als men alvorens een volgende laag te schilderen de onderste laag goed laat drogen zijn craquelures onmogelijk. Ook wanneer de drager meer oneffen is dan glad zullen de barsten minder diep en lang zijn indien zij toch ontstaan.

Opdrogen van het schilderij:

Het is beslist noodzakelijk dat het schilderij volstrekt droog is voor men een slotvernis gebruikt.

Voorafgaande droogtijd:

Op zijn minst één jaar laten drogen vooraleer men met een slotvernis begint. Er worden altijd twee lagen vernis gebruikt. De eerste laag moet 3 maanden drogen, voordat men overgaat tot de tweede laag.

Concentratie van de vernis:

Zo dun mogelijk opeenvolgende lagen, stelt je in staat een minder geconcentreerd vernis te gebruiken, dat meer verdunt is dan de vernissen uit de winkel.

Temperatuur van de omgeving:

Bij droog weer vernissen. Opwarmen van het doek en de vernis is aan te raden omdat dan de drager en de vernis dezelfde temperatuur hebben (in de zon leggen), het vocht verdwijnt en lauw vernis is beter te verwerken. Na het vernissen is het in de zomer wanneer er geen wind is (stof is het grootste gevaar) aan te raden ze in de zon te laten drogen. Alleen in matige uren van de dag. Een van de meest voorkomende veranderingen van zachte vernis is het blauw worden. wanneer je aan de voorschriften houdt, blijven je doeken voor deze treurige verandering gespaard.

Bescherming van de achterzijde:

Wanneer het doek of het paneel met de grootste zorg aan de voorzijde gevernist is, moet de achterzijde nog beschermd worden. Panelen beschilderen met één of twee lagen olieverf is voldoende. Doeken op een spieraam (die alleen aan de voorzijde gelijmd zijn) mogen geen oliehoudende laag aan de achterzijde krijgen. Een doek dat niet geprepareerd is mag niet met olie bestreken worden omdat dat het doek aantast. Een laag retoucheervernis dat met evenveel essence is aangelengd is de eerste bescherming, daarna een zeer lichte olieverflaag strijken.

 Tenslotte nog enkele raadgevingen voor het behoud van de olieverfschilderingen. Duisternis is schadelijk, wanneer na een tijd, enige weken vergelen omdat ze toch in de duisternis waren gezet, zet ze enige maanden in het daglicht en het vergelen verdwijnt.(tenminste wanneer het vergelen is ontstaan door het vergelen van de olie.) 

Dragers:

Het is eerder aan te raden een stijve drager boven een soepele. De drager stelt het geraamte van het schilderij voor, zoals de verf en de slotvernis, het vlees en de huid representeren. De souplesse van dit vlees en deze huid is trouwens nogal betrekkelijk: zij verdwijnt na enige jaren. Een te soepele drager (te dun en te fijn doek, of papier dat niet beplakt is) is verwerpelijk. De wonderbaarlijke conservering van de middeleeuwse werken, die op paneel zijn geschilderd, is al voldoende om ons te overtuigen van de superioriteit van stijve dragers.

Harde drager: Hout voor panelen: populier,linde,wilg,ceder,den,eik en noten. Triplex, spaanplaat en multiplex en MDF zijn uitstekende dragers. Harsachtige houtsoorten zijn uitgesloten. Bescherming achterzijde en zijkanten; zij moeten beschermd worden tegen wormen en vocht, door een goede caseïnepleisterlaag, die door twee lagen olieverf bedekt wordt.

Half harde dragers: Doek dat met papier gedoubleerd was behoorde nog tot de halfharde dragers van Rubens, zij vertonen een karakteristiek glad aanzien en leken op marmers. Het nadeel van dit soort dragers is, dat het tamelijk gauw breekt. Doek dat gedoubleerd wordt met fijn doek is ongetwijfeld het ideale compromis.

Soepele dragers: Doek op een spieraam. Wanneer er gekozen wordt voor een niet gedoubleerd doek, moet er op zijn minst een heel mooi doek worden gebruikt, van linnen of hennep, jute is alleen aanvaardbaar als drager van een fijner doek. Men herinnert zich dat de kwaliteit van het doek altijd het eindresultaat van de schildering beïnvloed. Katoen moet gereserveerd worden als laatste doek bij het doubleren. Doek van fijne katoen kan zonder problemen dienen ter doubleren van een sterker doek van hennep, linnen of jute of beter nog van een paneel.Een sterk doek is per definitie al stijver dan een dun doek, dus schilderingen uitgevoerd op sterk doek zullen beter aan de achterkant beschermd zijn en 'werken' minder.

Verschillende dragers:

Karton:  Persoonlijk heb ik geen enkel vertrouwen in karton, dat maar al te vaak gefabriceerd is uit een houtbrij van inferieure kwaliteit.

Hardboard: Het bevat meer hout en geniet dus de voorkeur. Het  halfharde hardboard (4 a 6mm). Achterkant moet men een aantal preparatielagen bestreken worden. Zachte hardboard (20mm) moet alleen gebruikt worden voor te doubleren. Alleen met een prepareringslaag is het niet sterk genoeg.

Spaanplaat:   Als drager, behalve wanneer het gaat om watervaste, van het type 'copopan' of 'isopan', ongetwijfeld een grote uitvinding.

MDF:  Een mooi alternatief, maar is niet watervast, en kan dus opzwellen als het in kontact komt met vocht.               

Multiplex:   De beste drager die voor handen is.

Spannen van het doek:

Gereedschap:

Spangtang:de bek moet een maximale breedte hebben van 8 tot 12 cm.

Hamer:liever licht dan zwaar.

Nijptang:

Schroevendraaier:met een kort handvat, om een slecht geplaatste spijker of niet uit te trekken

Kopspijkers (nietjes):bij voorkeur koper

Men moet het doek op maat snijden met een marge van 6 a 7 cm om het hele spieraam. Het doek op de voorzijde van het spieraam leggen, dat een beetje is afgeschuind. Om het doek te spannen: zet het met 1' kopspijkertje vast bij de hoek, vb de rechter stijl, span dan met een 2' spijker bij de linker hoek (door stevig te trekken met de andere hand.) en zet dan het doek op deze stijl om de 5 cm vast, beginnend in het midden. Zet dan de tegenovergestelde zijde op dezelfde manier vast. Maak dan de 2 zijstijlen af door steeds bij de hoeken te beginnen, om in het midden van de stijlen te eindigen.
Om een geprepareerde doek op te spannen. Men begint in het midden van de stijlen en eindigen bij de hoeken. Doek dat van tevoren geprepareerd (of beschilderd) is, 'geeft minder mee' dan onbewerkt doek. In alle gevallen wordt het spannen van het doek afgemaakt,door het vast te zetten met kopspijkersop de vier hoeken. Alvorens deze eindspijkers erin te slaan, moet het doek dat nog vrijhangt op de vier hoeken van het spieraam, tussen de vingers worden geklemd en zodanig opgevouwen, fat het teveel aan stof regelmatig naar binnen gevouwen wordt.

Doubleren of Marouflage

Doubleren of Marouflage (onder de naam van een oude, grove lijmsoort, 'maroufle' genaamd) is de term voor een handelswijze die bestaat uit het vastplakken van een drager (vaak dun en soepel) op een andere drager (over het algemeen stijf). Voor Marouflage wordt bijna altijd een waterhoudende lijm (op basis van gelatine of caseïne) gebruikt. Ook oliehoudende lijm (loodwit in vaste vorm) speciaal als het gaat om op een muur een van tevoren beschilderd doek te plakken.

Doubleren met lijm op een stijf paneel: Elke stijve drager moet aan twee kanten gedoubleerd worden (of stevig geparketteerd worden).

Doubleren met gelatine op houten paneel: Lijmen op hout: het paneel  moet eerst met een laag gelatinelijm bestreken worden.( 10gr houtlijm met 100gr water) Wanneer deze laag droog is, kan men met het doubleren worden begonnen. Strijk over het paneel een tweede laag van dezelfde lijm, maar goed warm. Doordrenk het doek dat gedoubleerd moet worden met lijm van dezelfde samenstelling, warm. Het Doek licht laten drogen, leg het op het hout en met de palm van de hand of afwasborstel aandrukken en de luchtbellen verwijderen. Snij het doek dat uitsteekt, zonder te wachten op het drogen van de lijm, gelijk met de rand af.

Papier op hout: Te slappe en te dikke papiersoorten zijn niet te gebruiken. En het papier moet enige mm kleiner zijn dan de drager. Bestrijk een vel papier met een goed warme lijmlaag (10gr huidlijm met 100gr water), laat het dan rusten. Strijk nu zonder te wachten dezelfde lijm over het paneel. Leg het vel papier voorzichtig op het paneel, lijm op lijm. Veeg de luchtbellen weg. Bedek tenslotte de bovenzijde van het papier met een dunne prepareringslaag. Fijn doek op stevig doek - papier op doek. Ga op dezelfde manier te werk als van doek of papier op paneel, met dien verstande dat het doek van tevoren gelijmd en geprepareerd moet zijn met een prepareringslaag, die bedoeld is om er voldoende stevigheid aan te geven.

Doubleren met caseinelijm: Caseinelijm is gemakkelijker dan gelatinelijm. Voor de rest is de wijze van doubleren hetzelfde. (10gr caseine, 100gr water en 2gr ammoniak (vluchtige alkali). Er kan zonder problemen een prepareringslaag van gelatine over een lijmlaag van caseïne gestreken worden. Voor tekeningen en schilderingen die al zijn uitgevoerd is men het beste met caseïne, omdat zij koud kan gebruikt worden. laat het papier minder 'werken'. Het risico is dus kleiner voor het oplossen van de verf (bij aquarel en gouache) en het loslaten van de verfmassa (bij olieverf). Voor iemand die zich meer met tekeningen bezig houd, is het vermeldingwaardig, dat papier, gedoubleerd met behulp van caseïnelijm, niet meer kleeft en de caseïne (die na verloop van tijd bijna onoplosbaar wordt) heel afdoende de achterzijde tegen vochtigheid beschermt.

Doubleren met loodwit: Het hout of de muur (bedekt met een gipslaag) krijgt een eerste laag olieverf, bestaande uit loodwit, waar 20% terpentijnessence in gewicht aan toegevoegd wordt. Als het om gips gaat, wat een absorberende ondergrond is, kan deze eerste verflaag voorafgegaan worden door een impregneringslaag van alleen olie zonder essence; pure, goed drogende lijnolie.

Recepten voor lijmen

Parkamentlijm om panelen te pleisteren: Er bestaat een lijm die gemaakt wordt uit perkamentsnippers. (Gelatine) Men moet de perkamentsnippers een heel week laten werken alvorens ze te koken tot er nog maar 1/3 deel van de oorspronkelijke hoeveelheid over blijft.

Lijm van kaasstof: Er bestaat een lijm die gebruikt wordt door de meestertimmerlieden. De lijm wordt gemaakt van kaas. Deze caseïnelijm met kalk wordt door het ouder worden zo hard als steen, zodat ze in de praktijk ongevoelig is voor vocht en uitstekend bescherming biedt tegen wormen. Ze biedt bepaald veel meer weerstand tegen vocht dan gelatinelijm, maar in de meeste gevallen is gelatinelijm toch voldoende duurzaam gebleken.

Gelatine lijm: Gelatine is in de winkel in twee vormen te verkrijgen, in poeder of in plaatjes. Er bestaan verschillende soorten gelatine: beenderlijm, huidlijm, vislijm en perkamentlijm. Zet 10gr gelatine (huidlijm) in 100gr koud water voor 1 nacht in de week. Alles dan au bain-marie op het vuur zetten, tot dat het oplost. (het water moet koken) De lijm mag nooit op het vuur gezet worden, noch zelf aan de kook raken: dan wordt het onbruikbaar. Deze lijm moet zo warm mogelijk gebruikt worden. Het stolt bij het afkoelen. Voor het elastischer te maken kan men er 1/10 deel soepele vislijm aan toevoegen. Onthoud wel dat gelatinelijm beter bewaard blijft (in gebruiksklare toestand) dan caseïnelijm. De gevoeligheid voor vocht en het feit dat ze zo vlug stolt wanneer ze begint af te koelen, zijn de twee nadelen van dit product.

Caseinelijm: Caseïne is te verkrijgen in de vorm van een korrelig poeder zoals griesmeel, hetzij als meel. Caseïne kan in lijm worden omgezet: met behulp van een geconsenteerd zuur (zuiver azijn vb.) of met  met behulp van een base. Dit laatste procédé is het enige dat voor lijmlagen in de schilderkunst gebruikt wordt. Ammoniak (vluchtige alkali), borax, bijtend kaliloog en kalk zijn de meest voorkomende oplosmiddelen voor caseïne. Zet 10gr poedercaseïne een uur in de week in 35gr water. Los bovendien 2 gr ammoniak in 20gr water op. Giet langzaam, druppelend ( om klonteren te voorkomen) de ammoniak - water oplossing over de in de week staande caseïne - watermassa en roer flink tot een dikke witachtige brei is ontstaan.

Caseinelijm met ammoniak: Voeg al roerend nog eens 15 gr water toe en laat alles 30min rusten. Nogmaals 30 gr water toevoegen en alles goed doorroeren. De lijm moet de kleur van heldere honing zonder enige klont krijgen. lijmen van caseïne en ammoniak hebben een goed hechtvermogen, en zijn gemakkelijk te vervaardigen.

Belangrijke opmerking:Caseïne in poeder-, meel- of  zelf  klaargemaakte vorm   mag nooit met ijzer in aanraking komen. De kom moet in glas of aardewerk zijn en de roerspaan in hout of haren.

Caseinelijm met borax: Zet 10gr caseïnepoeder voor een uur in de week in 25gr water, los bovendien 2gr borax op in 50gr water, laat het mengsel lauw worden. Giet zachtjes, druppelend, het lauwwarme water-borax oplossing op het in de week staand caseïne-watermassa onder stevig roeren. laat het geheel een 30 min rusten. Giet er geleidelijk 25gr water bij onder voortdurend roeren. Laat het voor het gebruik nog even een 30 min rusten. Caseïne met borax geeft een bevredigend resultaat. Er moet één voorbehoud gemaakt worden: borax heeft de neiging na het opdrogen van de lijm te gaan kristalliseren, terwijl de ammoniak spoorloos verdwijnt.

Kaaslijm of caseine volgens de oude meesters: Het is steeds moeilijk een identiek product te krijgen als er uitgegaan wordt van melk en kalk. Maar de lijmen die zo verkregen worden hebben een betere hechtvermogen. Maak de kaaslijm op de volgende manier. laat de melk stollen met stremsel. Voer er, eenmaal gestremd, gebluste kalk aan toe; het teveel slaat neer en je hebt caseïne. Langzaam afgieten om het enige dagen te bewaren. Wil je krachtige lijm maken, laat dan de gestremde melk eerst uitlekken alvorens er kalk aan toe te voegen.

Caseïnelijm met kalk: Zet 10gr caseïnepoeder voor 1 uur in de week in 25gr water.Los bovendien 5 gr chemische zuivere gebluste kalk op (gebluste kalk voor laboratorium gebruik uit de handel) in 20gr water. Giet deze kalkmelk langzaam, druppelend, op het te week staande caseïne- watermassa onder flink roeren, totdat een dikke, witachtige brei, zonder klonten is verkregen. Laat het dan een 30min rusten. Voeg er nog geleidelijk onder voortdurend roeren, 45gr water bij. laat het nog minstens een uur rusten, voor gebruik.

Dekvermogen van caseïnelijmen: Bijna hetzelfde als de gelatinelijmen al naar gelang, de drager, bedekt 1 kg caseïnelijm ongeveer 1 1/2 tot 2 m2 op zijn hoogst voor de eerste laag, en voor de tweede laag 3 tot 4 m2.

Prepareringslagen:

Algemeen:
Het verschil tussen een lijmlaag en een prepareringslaag is het feit dat een lijmlaag alleen lijm bevat en dat een prepareringslaag bovendien nog een hoeveelheid wit heeft, die de lijm min of meer dekkend maakt.

Olie

Dierlijke oliën: Alleen eierolie (dat zeer kostbaar is) kan gebruikt worden in de schilderkunst.

Plantaardige oliën: Alle plantaardige oliën die koud gewonnen worden, door ze eenvoudig te persen uit oliehoudende planten. Drogende, niet vluchtige oliën: lijnolie, papaverolie, saffloerolie en notenolie. Halfdrogende, halfslachtige oliën: copaivaolie en kruidnagelolie. Halfdrogende, niet vluchtige oliën: olijfolie, aardnotenolie, koolzaadolie en sojaolie. Niet drogende, niet vluchtige oliën: ricinusolie. Alleen lijnolie, papaverolie, saffloerolie, notenolie en copaivaolie zijn interessant.

Lijnolie: Afkomstig uit Azië of de Kaukasus. Het vlas die hier gekweekt wordt heeft langere vezels (goed om te weven) maar heeft zaad dat minder rijk is aan olie en vooral minder drogend. De exotische lijnoliën zijn dus te prefereren boven onze eigen soort. La plata lijnolie en Bombay lijnolie. Dichtheid: 0.935./ Vriespunt; -29° /Kookpunt: 387°. De belangrijkste eigenschappen zijn: het gehalte aan vetzuur, de kleur, goed drogend vermogen. Lijn olie van goede kwaliteit moet amber van kleur zijn. Om aan droogkracht en zuiverheid te winnen, is het altijd beter om, de schildersoliën voor een bepaalde tijd aan licht bloot te stellen, te laten bezinken en af te gieten. Hetzelfde resultaat kan verkregen worden, maar sneller en beter, door de olie langer te laten koken en bovendien langer bloot te stellen aan de zon. Tegenwoordig gebruiken de fabrikanten voor het malen van kunstenaarsverf uitsluitend ruwe olie. Dan is de verf veel minder drogend en men is bijna verplicht er een bepaalde hoeveelheid vloeibare siccatief aan toe te voegen. (op basis van lood- of mangaanoxide) Met lijn olie wordt soms geknoeid door er visolie aan toe te voegen. Deze vervalste oliën zijn roodachtig van kleur en onwelriekend. Met een lakmoespapiertje kan men ze testen: zoals gekend kleurt het rood in een zuur klimaat.

Papaverolie: De zwarte papaver geeft papaverolie, dor persing van het kiemwit. Ze is witter dan lijnolie, minder drogend. daarom is ze beter voor het wrijven van de lichte kleuren. Dichtheid: 0.927 /vriespunt: -18° /kookpunt 385°.

Notenolie Saffloerolie: Het winnen  van notenolie gebeurt in het begin van de winter. De kern wordt te drogen gelegd en geperst. de eerste persing geeft ruwe olie. daarna met kokend water gemengd en terug geperst. Dichtheid: 0.927 /vriespunt:-27° /kookpunt 386°. Ze is matig ransig, een gemiddelde droogkracht (tussen lijnolie en papaverolie in)

Eierolie: De enige dierlijke olie. Twee opmerkelijke eigenschappen: ze bederft niet en lost harsen koud op. Men onttrekt de olie van het eigeel, dat in kokend water verhard is. Zeer kostbaar.

Sicatieven:

Gekookte olie die drogende is gemaakt door middel van metaalzouten, noemt men 'vette olie'.
Men kan de verf drogende maken door het toevoegen van lood-, zink-, of mangaanzouten. Lood in de vorm van loodglit, zink als zinksulfaat en mangaan als mangaanoxiden. Van Eyck gebruikte geen lood- of mangaan-siccatieven maar wel zinksulfaat. Siccatieven zijn af te raden.

Essences:

Het gebruik van essences gaat terug tot Van Eyck. De plantaardige essences, bruikbaar in de schilderkunst, worden hetzij door directe distillatie van verschillende planten verkregen, hetzij door distillatie van hars. Alleen minerale essences op basis van petroleum worden in de praktijk in de schilderkunst toegepast.

Terpentijnessance: Het meest geschikte verdunningsmiddel. Bordeau terpentijn, Vogezen terpentijn, Engelse - en Duitse terpentijn, Venitïaanse terpentijn, Zwitserse terpentijn. De Franse is de meest gewaardeerde en de Engelse moet niet onderdoen. Alleen de Russische terpentijn ruikt onaangenaam. Alle Terpentijnessance hebben een gemeenschappelijk nadeel, ze worden vet. Ze wordt vet genoemd, wanneer ze verdampen door lucht en oxideert. Het verdampen van enkele druppels wordt niet vet, maar essence in een pot opengesteld aan de lucht wordt op enkele dagen vet. Gebruik alleen zuivere terpentijnessence. Laat de essence nooit in een grote reeds aangestoken fles staan. Maar doe haar over in verschillende kleine flesjes die tot de rand gevuld zijn en goed afgesloten. Gebruik nooit essence die een tijdje open heeft gestaan, al is het maar één nacht.

Lavendelessence: Zij wordt gewonnen uit de bloemtoppen van lavendel. Zij beschikt over dezelfde eigenschappen.

Gommen:

Algemeen De woorden gommen en harsen leiden tot verwarring. Tegenwoordig wordt het woord gom meestal gebruikt om harsachtige substanties aan te duiden die in vernissen voortkomen. Er is op gewezen dat, namen die in oude manuscripten een bepaald soort gom of hars aanduiden, niet meer overeenkomen met de producten die we tegenwoordig ook zo noemen. Zo staat het woord Arabische gom, dat vroeger alle harssoorten van exotische herkomst en oplosbaar in essence aanduidde, nu alleen op één type gom dat oplosbaar is in water en helemaal niet uit Arabië komt.

Harde harsen

AMBER:

Of barnsteen is een zeer harde fossiele hars, die afkomstig schijnt te zijn van een prehistorische boom, die duizenden jaren   geleden op aarde voorkwam.

COPAL uit ZANZIBAR:             

Afrikaanse copal met een kleurverloop van heldergeel naar min of meer donkerrood. Het is de meest gewaardeerde van alle copalsoorten.

COPAL uit MADAGASCAR:

Uitstekende kwaliteit, de oppervlakte is altijd glad, zij is minder hard dan Zanzibar copal en over het algemeen kleuriger.

COPAL uit DEMERARA:

Amerikaanse copal, van zeer mooie kwaliteit, maar wordt weinig gebruikt. De kleur verloopt van bleekgeel naar roodachtig  geel.

Half harde harsen

COPAL uit ANGOLA:                 

Oostguinée levert een uitstekende halfharde rode en witte copal.

COPAL uit BENGUELA:           

Ze is vuil maar kan gemakkelijk worden schoongemaakt en geeft dan een goede halfharde hars.

COPAL uit ZAIRE:                       

Zaire levert de hardste soorten. Kongo Brazzaville geeft wittere, maar minder harde soorten.

COPAL uit SIERRA LEONE:   

Dit is geen fossiele hars. Het wordt van een Afrikaanse boom gewonnen. Een mooie hars, in heldere stukken die goede bleke  en soepele vernis geeft. Het wordt weinig gebruikt, omdat het zo zeldzaam is.

Zachte Harsen

Mastiek:

Mastiekgom wordt verzameld van de altijd groene struik, MASTIX genaamd, die voorkomt in Syrië en Afrika. Deze is bleek van kleur en doorzichtig. Hij wordt ook mastiek van Chios genoemd.

Damar:
Dammar is een product uit verschillende bomen van de familie der dipterocarpatiën, vooral de hopea- en shoreasoorten. Goede dammarkorrels zijn doorzichtig, iets geel of kleurloos en aan de oppervlakte iets melig bestoven in onregelmatige stukken ter grootte van een hazelnoot. Gruis is minderwaardig. De beste kwaliteit komt voor in "tranen". Dammar is tamelijk bros en wordt kleverig in de hand en is bij 100ºC dik vloeibaar en bij 150ºC dun vloeibaar. De breuk is glasachtig en schelpvormig. Laag zuurgehalte. Er zijn 2 soorten, n.l. de getapte dammar en de op natuurlijke wijze uit de boom gevloeide. De eerst genoemde zijn de beste. Dammar lost goed op in drogende oliën, chloroform en zwavelkoolstof, gedeeltijk in alkohol, tolueen, aceton en ether. In petroleum distillaten, zoals terpentine, lost het niet op. Het ideale oplosmiddel is franse terpentijnolie. Het is bruikbaar in alle schildertechnieken. Het wordt toegepast in de fabricage van vernissen en lakken, bij het samenstellen van emulsies voor temperaverven, als tussenvernis en in schildermedium, in slotvernis en waszalf vernissen. Op vochtige plaatsen kan het verblauwen.

Met deze naam wordt een aanzienlijk aantal varianten van een zachte hars aangeduid, die van dennenbomen uit Mamara komt . Het is een zeer interessante soort, omdat ze het mogelijk maakt bijna kleurloze vernissen te bereiden. Damargom uit Jakarta, (is de mooiste, ze geeft een witte kleur of licht amberkleurig) Damar Borneo, Damar Singapore.

Sandarak:

Deze hars wordt voornamelijk uit Marokko en Algerije gewonnen, uit de schors van bepaalde bomen. Hij is bruin van kleur. Zij levert zeer doorzichtige vernissen, maar ze worden als inferieur beschouwd bij de vernissen die met mastiek of damar zijn bereid.

Canadese terpentijn:

Canadabalsem is absoluut kleurloos. Zoals alle zachte harsen zijn de Venitïaanse en Canadese terpentijnbalsems zeer oplosbaar in alle gebruikelijke oplosmiddelen.

Schellak:

Hij is een zeer bijzondere hars, die was en kleurstof bevat. Deze lak wordt geproduceerd door insecten, gebruikt. het mag nooit gebruikt worden om vernissen te bereiden die bedoeld zijn voor olieverf, maar ze mag wel gebruikt worden bij de fabricage van fixatieven voor bv. houtskool Men moet onthouden dat schellak bijna helemaal onoplosbaar is in de verdunningsmiddelen van de olieverf, wat het dus onbruikbaar maakt in deze techniek. Wel oplosbaar in alcohol, die geen invloed heeft op de verse olie.

Kunstmatige:

De kunstmatige harsen verdringen stilaan de natuurlijke harsen, Fenol en Formaline, maar in de schilderswereld zijn zij nog niet doorgedrongen.

Vernissen:

Men neemt algemeen aan dat, vette vernissen (op oliebasis) bereid zijn met behulp van harde harsen, en dat magere vernissen (op essencebasis) bereid zijn met zachte harsen. De duurzaamheid hebben de oude meesters genoeg bewezen met de vette vernissen, maar men moet wel toegeven dat de zachte vernissen veel gemakkelijker met penseel zijn te gebruiken, veel drogender en vooral veel verleidelijker uitzien.

Retoucheervernis: Retoucheervernis is maar een lapmiddel. Zij moet altijd in een verdunde vorm aangebracht worden en is in sommige gevallen noodzakelijk. Zij kan als tijdelijke vernis dienst doen. Zij  bedoeld om het 'inschieten' tegen te gaan en het overschilderen te vergemakkelijken. De retoucheervernissen uit de winkel hebben een hoog hars gehalte. Men gebruikt hen nooit puur, maar verdunt men het met 5 of 6 maal zoveel essence in volumedelen. Met Venetïaanse balsem is een zeer goede retoucheervernis te maken. (10gr of 5gr Venetïaanse terpentijn 100gr gewone Terpentijnessance) Zolang een doek niet helemaal droog is, mag er nooit slotvernis overheen gestreken worden, dat wil zeggen een vernis, die te dik is door te veel harsen, wat vaker gebeurt, olie bevat. Wanneer ze op een onvoldoende door gedroogd doek wordt gestreken, verdraagt een vernis van dit type niet alleen het drogen van de verfmassa, maar zelfs blijft ze eindeloos kleven.

Tijdelijke vernis: (100gr terpentijn 10gr Haarlemssiccatief of Venetïaanse terpentijn 1gr bijenwas) Men moet de was warm bij de terpentijn voegen. nadat de was gesmolten wordt de lauwe essence ( au bain-marie), zeer geleidelijk onder goed roeren, aan toegevoegd.

Slotvernis: Vroeger gebruikte men een harde vernis (hars gekookt in een drogende olie), die de palm van de hand over het gehele oppervlak van het schilderij dun werd uitgestreken. Tegenwoordig gebruikt men zachte vernissen, om de kleur niet te veranderen. Zij vergelen minder en zijn gemakkelijker te verwijderen. daarentegen hebben ze veel minder weerstand tegen vocht.

Bescherming met was na slotvernis: Om de zachte vernislaag van vocht te beschermen is het raadzaam het met een dunne laag was te bedekken. Canauba was is beter dan bijenwas) als de slotvernis goed droog is.

Penselen

Algemeen:

Het soort materiaal van de penselen (marterhaar of varkenshaar) en hun vorm (rond of plat, kort of lang) hangt af van de persoonlijke smaak van ieder schilder. Het fabricage van de penselen is na de Vlaamse primitieven nauwelijks gewijzigd

Schoonmaken van penselen:

Aan het einde   van iedere werkdag, spoel je de penselen eerst met essence af of nog beter, met terpentine. Droogt ze kort af alvorens ze in te zepen. (wanneer je ze niet inzeept zullen ze hard worden.) Men zeept ze in met warm water waarbij ze goed gekneed worden, opdat het schuim goed tot de huls doordringt. Herhaal dit 2 keer, spoel ze dan heel goed uit en droog ze vervolgens.

Onderhoud marterharen penselen:

De penselen van marterhaar worden apart gedaan, omdat ze veel delicater zijn. Ze zijn gemakkelijker schoon te maken vanwege de fijne kwaliteit van hun haren. Verzorgt men zijn penselen zorgvuldig dan zullen ze in de loop van de tijd aan souplesse winnen. Men kan ook in sommige gevallen een afbijtmiddel nodig hebben. Trichloorethyleen (gebruik het op een geventileerde plaats) is uitstekend geschikt voor dit doel. daarna met niet minder zorg inzepen en met helder water naspoelen. Marterharen penselen altijd na het schoonmaken invetten. vet of beter vaseline, omdat deze gemakkelijker te verwijderen is met petroleum of essence, beschermen de penselen, ze behouden hun souplesse en hun haren raken niet verward.

De verf:

Assortimenten:

De meeste grote fabrikanten van kunstschildersmaterialen brengen twee of drie soorten olieverf van verschillende kwaliteit op de markt. (Blockx (Belgisch de beste) - Winsor & Newton (Engels) - Talens (Nederlands))  De bedoeling hiervan is, dat voor iedere wijze van schilderen en ieder budget een pasklare soort verkrijgbaar is. Zeer algemeen gesteld; worden de verschillen in kwaliteit bepaald door het soort pigment, de concentratie ervan en de fijnheid van de yen. De topkwaliteit bevat daarenboven meestal echte pigmenten en een aantal zeer typische en kostbare kleuren, die in de andere soorten niet of in een mindere mate voorkomen (vb echte cadmium of kobaltverven)

Prijsgroepen:

De prijs van kunstschilderverf wordt bepaald door een aantal factoren, zoals:

1-De prijs van het pigment. Er zijn dure en kwalitatief zeer goede pigmenten, (zoals oa. de echte cadmiums en kobalten), en er bestaan goedkopere, (bv de aardekleuren (okers, ombers, sienna's)) met eveneens goede eigenschappen.

2-De pigmentconcentratie die, van soort tot soort en van kleur tot kleur, kan variëren van 30% pigment en 70% bindmiddel tot 80% pigment en 20% bindmiddel.

3-De Bewerkelijkheid gedurende het productieproces.

Zo ontstaan er aanzienlijke prijsverschillen tussen gelijksoortige kleuren in verschillende assortimenten en tussen verschillende kleuren in één assortiment. De keuze welke kleur van welke kwaliteit zal worden bepaald door de gekozen techniek  en de verworven vaardigheid.

Lichtechtheid:

Met deze term doelt men, eenvoudig samengevat, op de mate waarin een verf of kleur bestand is tegen de inwerking van het licht, wat afhankelijk is van uiteenlopende factoren. Een goede lichtechtheid van kunstschilderverven is natuurlijk van groot belang. Het is immers wel de bedoeling dat uw schilderij gezien wordt.

Voor de onderste lagen houdt men zich best aan de goed drogende basiskleuren

Kleuren:

Het is wenselijk het palet niet te overladen met nutteloze fantasiekleuren (vb vleesoker, bladgroen en dergelijke overbodige verfsoorten). Meestal is een palet samengesteld uit gezonde basiskleuren, waarbij men later, bij uitbreiding, enkele andere goede kleuren aan toevoegt. Vooral voorkomen van schadelijke of niet lichtechte pigmenten in te schakelen, hetgeen enkel een goedkoloriet zou schaden. (Dit zijn Veronese groen, Pruisisch blauw, VanDyck bruin of ombers.) Deze laatste slaan door de andere kleuren. Zijn ook te vermijden, alle anilinekleuren. In 't kort men verkiezen kleuren van goede hoedanigheid en beware een eenvoudig palet

WIT

Wit (loodwit), men bekwam dit vroeger met strippen lood bloot te stellen aan azijn en paardenmest. de moderne methode gaat vlugger (maar geeft een minder dekkende verfmassa)   Zuiver azijnzuur en koolzuurgas blootstellen aan het lood. Ze moet van de beste kwaliteit zijn omdat men deze verf met alle kleuren zal mengen. DEKKEND. is een neutraal loodcarbonaat (zeer zuiver). Het is beter dan loodwit. Loodwit en zilverwit zijn zeer giftig. Het is een solide en goed drogende verf. Alleen te gebruiken met zuivere pigmenten, noot mengen met cadmiumcitroen en Vermiljoen is een zeer stabiele kleur. Hoewel zeer licht, geeft het jammer genoeg een niet dekkende en minder harde verfmassa. Het heeft een middelmatige droogkracht. Voor bij zuivere toe te voegen. TRANSPARANT . Dit wit wordt aan ilmeniet onttrokken. Dat wordt aangetast door een heel grote hoeveelheid zwavelzuur. Het wordt tenslotte neergeslagen door een oplossing van een calciumchloorverbinding en dan verhit. Deze kleur is zeer dekkend, stabiel en solide en bovendien goed drogend. DEKKEND. Men kan voordelen en nadelen van Zinkwit en Loodwit verhinderen door het gebruik en samenstellen van gemengd wit (2/3 loodwit en 1/3 zinkwit) Dat men met het paletmes mengt.

OKERS

Alle natuurlijke kleuren op basis van aarde (ijzeroxide), die zeer eenvoudig te vervaardigen zijn, zijn van goede hoedanigheid en geven een opmerkelijke bestendigheid en goed drogend. De voornaamste groeven zijn in Italië en Frankrijk gelegen. De gekleurde aarde wordt eerst in water geweekt, later gedroogd en gewreven op steen, voordat het gebruikt wordt voor kunstenaarsverven. als men die brand krijgt men . TERRA di SIENA geeft als men die brand en zijn af te raden.

AARD  en MARSKLEUREN

De meeste worden verkregen door de neerslag van een kleurende stof (ijzeroxiden) op een neutraal lichaam (aluinaarde). Ze zijn schitterender en kleuriger, en hun duurzaamheid zijn te vergelijken met die va,n de mooiste okers. Goed drogend. Marskleuren (ijzerlakken) strekt zich uit van tot een purperen nuance, een zeer bestendig pigment,  en  mogen nooit met loodwit gemengd worden. Marsbruin.

CADMIUM

Deze kleuren worden verkregen door uit te gaan van zinkertsen, die cadmium bevatten. De gebrande erts geeft korsten, die zeer rijk zijn aan cadmium, de zogenaamde cadmia, waaraan vervolgens het kleurgevend poeder wordt ontrokken. Ze zijn lichtecht en stabiel, hun droogkracht is bevredigend (behalve van rood, die middelmatig is.) is niet zo bestendig, omdat zij soms teveel zwavel bevat. En mogen nooit met loodwit worden gemengd.

VERMILJOEN

(Kwiksulfide) Het wordt op een droge of vochtige manier bereid. Het wordt nog langst de droge weg gewonnen, door op een zacht vuurtje zwavel en kwik te versmelten. De droogkracht is inbegrepen. Ze mogen bovendien niet worden gemengd, vooral niet wanneer er zilverwit wordt gebruikt.

KRAPLAKKEN

Kraplakken hebben de minst slechte naam van de plantaardige en dierlijke verfpigmenten. De oude meesters gebruikten hen in dikke glacerende lagen op een vermiljoene ondergrond, bestemd om hun eventueel verlies aan kleur te compenseren. Ze drogen zeer slecht. Zilverwit tast ze aan en zinkwit doet ze craquelure

VIOLETTE

Alle violette zijn middelmatig, behalve de violette (met aniline) zijn zeer lichtgevoelig. (een afgeleid violet, dat in werkelijkheid bestaat uit ijzeroxide en kobalt) is lichtecht, maar is instabiel in mengsels.

Het palet:

Het moet licht en in evenwicht zijn. De vorm in dienst van de hand. Een zo goed mogelijke verdeling van de verf toelaten.
Het schoonmaken van het palet: De absurde houding van sommige schilders die zich erop beroemen nooit hun palet schoon te maken, moet met de grootste kracht bestreden worden. Het palet is niet meer dan een werktuig. Maak daarom je palet iedere keer volledig schoon. Terpentine, minder vluchtig dan essence, doet uitstekend dienst voor het schoonmaken. Wanneer je palet van te voren is aangekoekt, kun je trichloorethyleen of xyleen gebruiken. Dit is een sterker afbijtmiddel dan essence of terpentine. Een nieuw palet mag nooit vernist worden, maar alleen geolied, smeer het regelmatig in met enkele druppels lijnolie na iedere beurt.


Atelier:

Het is belangrijk thuis een eigen atelier te hebben. Het moet aan enkele eenvoudige eisen voldoen:het moet apart liggen, zodat u in uw eentje kunt werken om u goed te kunnen concentreren. De kleinste afmeting moet zo'n 4x3.5 m bedragen. de meesterschilders werken overdag met natuurlijk licht. Om dit te kunnen doen moet het atelier minstens één groot raam hebben met ongeveer een hoogte van 1.5 a 2m van de grond af gemeten, waar het daglicht door kan schijnen. Het is zeer belangrijk om elke reflectie of zonneschijn uit te bannen, zodat het licht verspreid is maar tevens contrasterend. Deze lichtval is nodig voor het schilderen in het algemeen en speciaal voor het schilderen van personen en portretten. Vele kunstenaars hebben op dezelfde tijd twee schilderijen onder handen: één dat bijdaglicht en een tweede bij lamplicht, s'avonds of s'nachts wordt geschilderd.Voor het werken bij kunstlicht zijn twee lichtbronnen nodig: één om uw onderwerp te belichten en één boven uw werk. En het liefst een extra licht dat het hele atelier verlicht. De meubels en het gereedschap die voor olieverfschilderen nodig zijn, beperken zich tot een ezel, een stoel en een extra tafel naast de ezel, waarop de verftubes, oude doeken, flessen terpentijn en olie, een pot voor de penselen enz. een plaats kunnen vinden.

Vaktermen:

Medium: bindmiddeloplossing
Drager:
is het materiaal, stijf of soepel, waarop achtereenvolgens een lijmlaag en een prepareringslaag gestreken worden.
Grond(laag):
schildergrond moet als de voorzijde van de drager beschouwd worden. Het oppervlak dat bestemd is om achtereenvolgens met de lijmlaag, prepareringslaag en de schildering zelf bestreken te worden. Neem bv. een doek dat met houtzaagsel bedekt wordt, dan blijft het doek altijd de drager, maar het zaagsel, dat de materie van de drager helemaal verandert, vormt nu voortaan de werkelijke schildersgrond of grond(laag).
Marouflage of doubleren:
is synoniem met lijmen.
Glacis:
is een transparante laag verf om de toonwaardes te veranderen.
Kleur:
is het pigment.
Verfmassa:
is de verf zelf.
Au bain-marie:
de vloeistof of stof die op deze manier verwarmd moet worden, wordt in een pannetje gedaan, dat met op zijn beurt in een grotere pan zit, die gevuld is met water; het geheel wordt vervolgens op het vuur gezet.
Waterverf:
waarbij het bindmiddel een plantaardige (bv. Arabische gom) of een dierlijke lijm (bv.huidlijm is. Aquarel behoort tot de waterverfschildering.
Tempera:
een emulsieschildering van olie en lijm. (bv. de eischildering van de Vlaamse primitieve meesters was een uitstekende soort temperaschildering.)

 

Voor de onderste lagen houdt men zich best aan de goed drogende basiskleuren, waarmee al ontzettend veel kan bereikt worden.

Uitvoering:

Dragers, grondlagen, lijmlagen en perpareringslagen spelen een zeer belangrijke rol in de uitvoering van de onderschildering. Ze zijn zeer bepalend voor alle verflagen die er overheen worden geschilderd.
De kwaliteit van de verfmassa, de soort verdunningsmiddelen waarmee deze aangelengd kan worden en de vernissen, die haar glans geven en beschermen, bepalen niet minder de uiteindelijke indruk van het schilderij.

Het probleem van de duurzaamheid! 
Hoe komt het dat ondanks het feit dat er vrijwel dezelfde materialen worden gebruikt, sommige schilders deugdelijker schilderen dan anderen?
Wil je werkelijk duurzaam schilderen, dan moet je een grondige voorbereiding treffen. Zomaar in het wilde weg een doek schilderen (en het op zuiver emotionele grond geslaagd noemen) is één ding; ervoor zorgen dat het doek onder zulke condities geschilderd wordt dat haar conservering is verzekerd, is een andere zaak.

Het begint met de drager. Stijve of half stijve dragers is dan sterk aan te raden.
Er moet harmonie zijn tussen prepareingslaag en verfmassa.Dit is eveneens van zeer groot belang.
Het fixeren van de tekening van houtskool of krijt met een zeer licht fixatief is nauwelijks aan te raden. Persoonlijk maak ik mijn tekening met het penseel, dik van de verdunde olieverf. Het droogt direct, als gevolg van de absorberende ondergrond. 
De eerste onderschildering, niet te zwaar, onzuiver en mat, maar begint altijd met een zeer lichte onderschildering; of het nu gaat om een korte schets of om een compositie in het atelier gemaakt, die inspanning en aandacht vraagt want daardoor wordt de toekomstige aanblik van het schilderij beïnvloed.
Men hoort regelmatig in ateliers de opmerking dat de verf gebruikt moet worden, zoals ze uit de tube komt. Anderen verbieden ook het onderling mengen. Wanneer verf, voor zover het de substantie betreft, werkelijk zo uit de tube gebruikt zou moeten worden, had ik dit niet hoeven te schrijven.
Eerst wordt de verf met het paletmes vrij lang gekneed om haar homogeen en zachtaardig te maken ( de olie heeft steeds de neiging zich van de verfmassa af te scheiden), dan voeg je er dus een bepaalde hoeveelheid bindmiddel als aanvulling aan toe, in de vorm van een harsachtig vernis (medium). Opnieuw wrijven van de verf is dan noodzakelijk.
Welk verdunningmiddel gebruikt men? Het is van belang een verdunningmiddel te gebruiken, waarvan de samenstelling zoveel mogelijk die van het bindmiddel benaderd. Het gebruikte verdunningmiddel en de hoeveelheid dat bij de verfmassa gevoegd wordt hangt af hoe de schildering gevorderd is. 
Mager verdunningmiddel en ruim gebruikt : mat effect.
Verdunningmiddel met veel olie en hars: glanzend effect.
Saus wordt in vakkringen het verdunningsmiddel verstaan. Het bevat zeer weinig kleur en men schildert daarmee de onderlagen. Voor de onderschildering een verdunningsmiddel van vrij magere essence, dat dik wordt gemaakt met olie en hars, naarmate het werk vordert. Vergeet in ieder geval niet, wanneer je de eerste onderschildering met een vrij magere saus opzet, om dit soort verdunningsmiddel voor de onderlagen te bewaren, in navolging van de wet: vet over mager.
De halve verfmassa vormt de algemene aankleding van het schilderij, een middelmatige dikte waar de glacerende lagen overheen worden gestreken. Glacis is zonder twijfel (men vergeet dat maar al te vaak) het expressiemiddel bij uitstek in de olieverftechniek. Het is een transparante verflaag op een dekkende verflaag. In de praktijk gebeurt dat in het algemeen met behulp van een harshoudend verdunningmiddel. Meestal is ze donkerder dan de laag eronder maar deze regel is niet absoluut , je kan ook licht glacis op een donkere onderlaag schilderen.
Het is zeer belangrijk en noodzakelijk om een bepaalde rusttijd tussen iedere werksessie in acht te nemen. Men kan het wel eens zijn over het feit dat de eerste verfstreken bijna nooit definitief zijn. dat betekent dus, dat het realiseren van een werk op zijn minst twee werksessies nodig heeft: een eerste impregneertijd, waarin de schilder zijn doek een lichte saus geeft (impregneren) en een tweede sessie van omwerken waarvan hij van deze beknopte onderschildering uitgaat, verrijkt en nader preciseert met behulp van meer zalfachtige verfmassa's (Vet over mager). Olieverf vereist een lange droogtijd tussen de verschillende verflagen (gemiddeld twee weken). De eerste verflaag heeft een minimale droogtijd nodig om zonder al te veel risico een nieuwe verflaag te verdragen. Craquelures en veranderingen van alle mogelijke aard (zwart worden, bladderen van de verflaag,enz) zijn de straf voor iedere voortijdige overschildering.
Ten slotte nog een laatste raad: Olie wordt ranzig wanneer het buiten het licht gezet wordt. Anders gezegd, duisternis is schadelijk voor het goede behoud van olieverfschilderijen. Dit geld om schilderijen die al droog zijn maar zeker voor schilderijen waar men nog aan werkt. Sommige schilders dekken hun schilderij af met een doek, met als bedoeling stof tegen te gaan, maar zij vergeten dat zo het schilderij in de duisternis verdwijnt. Gebruikt in't vervolg een doorschijnend lichte doek voor deze voorzorg.

Laat U niet afschrikken om te scheppen, maar men maakt niets allen voor zichzelf, ook voor diegene die later komen.
      
(terug)

15/12/2005.