Geschiedenis

volkskundige begrippen

vastenavond

vastenavond tot 1795

vastenavond wordt carnaval
- Aalst blijft trouw
- de carnavalstoet van 1851
- de
opmars van carnaval
- maskeraden en compagnies
- de voil jeanet
- de eerste carnavalsgroepen
- een nieuw soort carnaval
- de winterfoor
- de carnavalstoet van 1913

carnaval na WOI

carnaval na WOII

Aalst Carnaval vandaag


Vastenavond wordt carnaval

Om de opmars van carnaval in Aalst en andere gemeenten in het negentiende-eeuwse Vlaanderen te begrijpen, moeten we terug naar het achttiende-eeuwse Zuid-Europa.

De opmars van carnaval

- Naar het voorbeeld van Venetiaanse Carnevale



L'ultimo giorno di Carnevale, Gabriel Bella, ca. 1788,
Fondazione Scientifica Querini Stampalia, Venezia.

Onder de invloed van het handelskapitalisme bereikte in Italië de zuiderse vorm van vastenavond, bekend onder de naam carnaval, een hoogtepunt. De belangrijkste Italiaanse carnavalsteden waren Venetië, Rome en Turijn. Wanneer we op zoek gaan naar de verschillen tussen het achttiende-eeuwse Aalsterse vastenavond en het Venetiaanse carnaval valt ons meteen het adellijke karakter van de zuiderse viering op. Terwijl in Aalst de hogere klasse zich distantieerde van het vastenavondgeweld, werd het carnaval in Venetië juist door de adel georganiseerd. Dit manifesteerde zich onder meer in de verkleedkledij: waar men zich in Aalst tevreden stelde met dierenhuiden of versleten vrouwenkleren verkozen de Venetianen veelkleurige en pralerige kostuums uit de Commedia dell’arte. Ook het decor kon geen vergelijking doorstaan: de grauwe Aalsterse kroegen en slijkerige straatjes stonden in schril contrast met het Venetiaanse casino, waar tijdens de carnavaldagen fortuinen werden verspeeld. Het grootste verschil lag in het openbaar en commercieel karakter: carnaval begon in Venetië steevast met een serie dansfeesten op de Piazza San Marco, druk bijgewoond door binnen- en buitenlandse toeristen die de plaatselijke handelaars gouden tijden bezorgden. Dat dit aspect een belangrijke rol ging spelen, mag blijken uit een verschuiving van de datum naar een meer toeristvriendelijke periode: al in de zeventiende eeuw vond het Venetiaans carnaval plaats in de zomer, juist met het oog op zoveel mogelijk bezoekers.

- Naar het voorbeeld van het Keulse Karneval

Rosenmontagszug auf dem Neumarkt, Keulen, 1836, Rheinisches Bildarchiv.

Carnaval zou echter nog een hele weg afleggen vooraleer het als vorm van vastenavond in 1851 ook Aalst zou bereiken. De eerste Noord-Europese stad die naar Italiaans model carnaval organiseerde was het Duitse Keulen, waar een in 1822 opgericht organisatiecomité bestaande uit enkele plaatselijke notabelen in 1823 een majestueuze carnavalstoet inrichtte. Opvallend was de verkiezing van ‘Held Karneval’, nadien aangeduid als ‘Prins’, met naast zich een ‘Prinzessin Venetia’. De namen ‘Held Karneval’ en zeker ‘Prinzessin Venetia’ bevatten de aanwijzing voor de herkomst van deze nieuwe vorm: Venetië. Het waren de Franse soldaten die ook Noord-Italië hadden bezet en tot 1814 in de Rijnstad verbleven, die in Keulen het carnaval nieuw leven inbliezen.

Het Keulse carnaval zou echter geen imitatie worden van het Italiaanse. Al ging het initiatief uit van enkele notabelen, de deelnemers waren mensen uit alle lagen van de bevolking. Het elitaire karakter van het feest uit de Venetië werd op de achtergrond gedrukt. Dit uitte zich ook in het verkleden: hoewel de personages uit de commedia dell’arte populair bleven, kwamen er tal van nieuwe figuren op het toneel. Prins Carnaval kreeg een narrenmuts met pluim op het hoofd gelijkend op een Pruisische soldatenmuts. Hij werd omringd door vrouwelijke figuren in militair kostuum, de zogenaamde ‘Tanzmariechen’. Deze vrouwelijke figuren waren afgeleid van de Pruisische marketentsters: vrouwen die de soldaten op tocht volgden en hen voorzagen van voedsel, drank en vertier. Deze nieuwe carnavalfiguren waren parodieën op ‘das Militär’: het militaire karakter van de aanwezige protestantse Pruisische troepen die sinds 1814 de Fransen hadden afgelost en waarmee de Keulenaren het moeilijk konden vinden.

Maskenzug in Köln 1846, Keulen, Karnevalsmuseum Köln.

Het Keulse carnaval genoot al snel heel wat bijval en verspreidde zich via het Rijngebied naar Limburg. Al in 1825 had Koblenz zijn georganiseerd carnaval. In 1826 volgde Bonn, in 1829 Aachen en Düsseldorf, in 1833 Münster. De volgende ‘Karnevalshochburg’ was Mainz in 1838. In 1840 bereikte de Rijnse carnavalsviering via Maastricht Nederlands Limburg. Venlo was in 1842 aan de beurt.

- Naar het voorbeeld van het Niceaanse Carnaval

In Frankrijk speelde Nice een uiterst belangrijke rol. Daar werd, eveneens naar het voorbeeld van Noord-Italië, sinds 1830 door de notabelen van de stad een nogal elitair carnaval georganiseerd. Hoogtepunt van de viering was de ‘corso’, een carnavalstoet waarbij de rijk gekostumeerde stedelijke adel in koetsen en wagens door de straten van de stad en het paleis van de hertog defileerden. Al snel werd het gooien met allerlei projectielen het kenmerk van het Niceaans carnaval. Vooral in de stoet vonden tussen de inzittenden van de verschillende wagens ware gevechten plaats. Als munitie maakten ze gebruik van bloemen en snoepgoed als suikerbonen (confetti). ’s Avonds vonden pompeuze ‘bals masqués’ plaats in het hertogelijk paleis en het theater van de stad. Ook de straat werd het toneel van carnavaleske veldslagen. Hier waren de strijdende partijen de lokale bevolking en de toeristen die, naar het voorbeeld van de stedelijke adel, elkaar bekogelden met bloemen, snoepgoed en sigaren. De lagere klassen gebruikten eerder bonen, bloem, eierschalen gevuld met roet, kikkererwten en houtzaagsel. De meest gegeerde munitie werd plaasteren confetti, de suikerbonen van het gewone volk. Pas in 1892 verscheen in Nice de nog goedkopere papieren confetti. Het mondaine carnaval van Nice beleefde haar hoogtepunt in de periode 1860-1870. Na de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 kwam de organisatie van het Niceaans carnaval in handen van een feestcomité. Sindsdien vormde een defilé van wagens en carnavalgroepen de hoofdattractie van het feest.

Char de Carnaval en 1915, Nice, Archives départementales des Alpes Maritimes
Auteur :
Mathieu et Legros

Een initiatief van 'Maetschappij voor de verlustigingen van den vastenavond'

De in Aalst in 1851 opgerichte ‘Maetschappy voor de verlustigingen van den vastenavond’ had de bedoeling had handel en nijverheid te stimuleren en dit door haar drievoudige opdracht: de inwoners van de stad vermaak te bieden, de belangen van de herbergiers en andere neringdoeners te behartigen en de stad meer uitstraling te geven.

Wellicht hadden de volgende factoren op de organisatie van de stoet een invloed:

- Aalst kende sinds de vijftiende eeuw steeds een of andere vorm van vastenavondvieren. Hoewel verscheidene stromingen doorheen de geschiedenis het vastenavondgeweld probeerden in te dijken of zelfs te laten verdwijnen, werd het feest in de Denderstad steeds in ere gehouden. Van de organisatie van stoeten was in het verleden echter nooit sprake. De Aalstenaar kende vastenavond als een straatfeest, als een gelegenheid om verkleed en gemaskerd door de straten te dolen, elkaar te verwijten en de cafés te bezoeken. Recent onderzoek uit Gent toont aan dat reeds in 1807 'Den Toer' door de straten van de Arteveldestad trok. In Antwerpen reed in 1813 op vastenavonddinsdag een enkele wagen door de stad met de uitbeelding van het Vat der IJdelheid. Toch mogen we de Aalsterse cavalcades van 1851 en 1858 bij de oudste bekende in Vlaanderen rekenen. Menen organiseerde in 1856 een ‘Carneval de Menin-mi-carême’. Tienen en Maaseik volgden in 1865, Hasselt en Blankenberge in 1885 en Herenthout in 1893. Aangezien er op het vlak van carnaval in Vlaanderen te weinig historisch onderzoek werd verricht kunnen we oudere stoeten in deze of andere steden niet uitsluiten.

- De volkse Gentse carnavalstoeten moeten ook Aalst bekend geweest zijn. De Franssprekende stedelijke burgerij moet ook op de hoogte geweest zijn van de internationaal bekende carnavalstoeten in Nice en Keulen. Zeker de stoeten van Nice konden jaarlijks op de aanwezigheid rekenen van Belgische toeristen en overwinteraars. Het is waarschijnlijk dat de (Brusselse) pers verslag uitbracht van het Franse en Duitse carnavalsvertier. Sinds 1850 opende de industrialisering en de uitbreiding van het spoorwegennet de weg naar de Duitse industriegebieden in het Rijnland en het Ruhrgebied. Misschien ontstonden er ook langs deze weg contacten met het Rijnse carnaval, waardoor de interesse van de Aalsterse burgerij en neringdoeners werd gewekt. De woordkeuze ‘Vastenavondtreyn’ kan hiervoor een aanwijzing zijn: in Keulen noemde men de carnavalstoeten immers "geordneten Zuges am Fastnachtmontag" of "Fastnachtzuges". Bovendien speelde ook bij het Keulse carnaval het commerciële aspect een belangrijke rol. Een belangrijk motief voor het organiseren van het feest was dat "der reichsstädtischen Tradition zum guten Teile mit der wirtschaftlichen zusammenfiel".

- Het is wellicht niet toevallig dat net in de economisch gunstige periode 1850-1860 de eerste initiatieven inzake de organisatie van carnaval werden genomen. De Aalsterse handelsklasse beleefde een onvergelijkbare groeiperiode. Kenmerkend voor het heersende optimisme was het feest op 6 juli 1856 ter gelegenheid van de inhuldiging van de spoorlijn Brussel-Aalst-Gent, waarvoor de stad 25.000 frank uittrok, ongeveer 10 % van de totale stadsbegroting! In dezelfde lijn meldde het stadsverslag in 1857 trots: "De toestand is in het jaar 1857 uitermate gunstig geweest. Onze fabrieken zijn zonder onderbreking uiterst bedrijvig geweest en de werkman heeft een loonsverhoging bekomen." De economische hausse zou tot het midden van de jaren ’70 blijven duren.

- Aalst werd tot 1871 geregeerd door de liberalen. Zij stonden achter elk initiatief dat de handel in de stad bevorderde en steunden dan ook de inrichting van de carnavalstoeten. De toekenning van subsidies mag in dit kader begrepen worden. Ook de katholieken waren in deze periode niet tegen de vastenavondstoeten gekant. De Denderbode vroeg in 1851 wel initiatieven als de carnavaltrein in het vervolg op zondag voor Aswoensdag te organiseren. De politieke wil om vastenavond te organiseren was aanwezig. Een middenstandsverbond zonder duidelijk politiek profiel kon dan ook op de steun van de twee grote families rekenen.


L'ultimo giorno di Carnevale,
Gabriel Bella, Venezia, ca. 1788.

Het Venetiaanse carnaval beleefde zijn grootste bloei in de achttiende eeuw. Het dragen van maskers was toegestaan vanaf oktober. Op de laatste dag van het
carnaval vormde het Piazza San Marco
het decor van een grootscheepse
maskerade, tijdens welke de adel en de burgerij opgingen in een zelf opgelegde anonimiteit. Behalve het zien en gezien worden op het plein, kon men zich
vermaken in een van de omliggende
koffie- en gokhuizen.

---

De wagen van 'Held Karneval'
in de Keulse Rosenmontagszug
van 1824,
Rheinisches Bildarchiv.

---

Prins Werner Gartzen, Keulen,
1887, Archiv Ilse Prass.

---

Jocus Comité 1878, Venlo.

Jocus is een van de oudste carnavalsverenigingen van Nederland.
De vereniging is opgericht in 1842. Zij organiseert onder meer de Boerebroèlof,
de prinsuitroeping en de optochten
door de stad.

---

Les 'Masques' chassant les 'Habits noirs' et les costumes de soirée,
Macario P, Nice, 1878.

In Nice overvallen gemaskerde
carnavalisten tijdens de viering de opera.