Geschiedenis

volkskundige begrippen

vastenavond

vastenavond tot 1795

vastenavond wordt carnaval
- Aalst blijft trouw
- de carnavalstoet van 1851
- de
opmars van carnaval
- maskeraden en compagnies
- de voil jeanet
- de eerste carnavalsgroepen
- een nieuw soort carnaval
- de winterfoor
- de carnavalstoet van 1913

carnaval na WOI

carnaval na WOII

Aalst Carnaval vandaag


Vastenavond wordt carnaval

De zomercavalcade van 1913

In 1902 werd in Aalst de onpartijdige Middenstandsbond opgericht. Die had als voornaamste doel het organiseren van activiteiten die mogelijke klanten naar de stad zouden lokken en vormde de kiem van de op 19 februari 1920 opgerichte stedelijke feestcommissie.

De Middenstandsbond en haar afdelingen onderhielden goede contacten met zowat alle Aalsterse culturele verenigingen. Aalst-Voorwaarts was de meest actieve afdeling van de Middenstandsbond. Het was deze organisatie die in 1913 in samenwerking met enkele Aalsterse carnavalgroepen en met goedkeuring van het stadsbestuur een cavalcade inrichtte. De stoet had echter niet in de carnavalperiode plaats maar wel op 8 juni. Het initiatief werd Zomercavalcade gedoopt.

De optocht was al uniek omdat ze de eerste twintigste-eeuwse carnavalstoet was. Verder was het de eerste keer dat het initiatief mede door enkele carnavalgroepen werd genomen. Eveneens vernieuwend was de deelname van verschillende "vreemde maatschappijen", waarmee groepen uit andere steden worden bedoeld. Dat de stoet enkel de bedoeling had toeristen naar de stad te lokken kan opgemaakt worden uit het tijdstip. De Zomercavalcade werd afgesloten met een concert door de verschillende muziekverenigingen van de stad op de kiosk van de Grote Markt.

De inrichting van een carnavalstoet wijst in elk geval op een hernieuwde aandacht voor het organiseren van grote carnavalactiviteiten.

Verschillende elementen droegen hiertoe bij:

- Rond de eeuwwisseling ontstonden in heel wat Vlaamse en Waalse steden al dan niet officiële organisatiecomités die jaarlijks cavalcades inrichtten. Deze comités hadden als voornaamste doel zoveel mogelijk bezoekers te lokken, wat de plaatselijke handel ten goede diende te komen. De pionier in Vlaanderen was ontegensprekelijk Herentals. In deze stad werd sinds 1893 jaarlijks een cavalcade ingericht. In 1895 verscheen in de Antwerpse krant Mephisto een uitgebreid carnavalprogramma voor Antwerpen, wat laat vermoeden dat ook daar nog voor het einde van de eeuw een organisatiecomité aan het werk was. In Binche was de inrichting van het plaatselijke carnaval in 1899 in handen van een daartoe opgerichte vereniging. In Liège stond in 1901 de vereniging Liège-Attractions aan de wieg van de jaarlijkse "Cortège Carnavalesque". Een jaar later was Charleroi aan de beurt. In 1903 werd in Halle de organisatie Hal Attractions opgericht. Deze organiseerde tot 1910 een jaarlijkse cavalcade. In de buurt van Aalst organiseerde men in Wieze in 1909 "gelijk de voorgaande jaren een alom vermaarde Kavalkade". Andere belangrijke carnavalsteden waren Nivelles (sinds 1904), Namur en Brussel (Schaarbeek). In Aalst werd een door de stad erkend en gesteund comité pas in 1920 opgericht. Toen in 1923 de eerste door de stedelijke feestcommissie georganiseerde carnavalstoet haar rondgang deed, maakte men er geen geheim van dat men het idee uit andere steden had gehaald.

- De wildgroei aan cavalcades deed ook in Aalst een gespecialiseerd verenigingsleven ontstaan met onder meer de Vereenigde Bulten als eerste oudste groep van Aalst. Naar het voorbeeld van de Vereenigde Bulten ontstonden onder meer Kunst en Vermaak (1908) en Aalst-Attracties (1910). In 1913 merken we meer Aalsterse carnavalgroepen dan ooit. Vooreerst waren er de Vrije Volksboeren, die in datzelfde jaar in de stoet van Schaarbeek de hoofdprijs hadden weggekaapt. Ze waren verkleed in "frische, schoone kleeding, vrolijke hubs". In dezelfde cavalcade gingen ook De Barons-Boeren mee. Deze Aalsterse vereniging genoot echter heel wat minder bijval want verscheen "in klein getal, armtierig en maljonnig". Andere vastenavondverenigingen uit datzelfde jaar waren De Vrije Volksboeren, de Barons-Boeren, de Plezierige Bébés, De Hollandsche Boeren en Boerinnen en De Lustige Boeren en Boerinnen, die mee de Zomercavalcade inrichtten. De aanwezigheid van verschillende Aalsterse carnavalgroepen werkten de inrichting van een cavalcade in 1913 in de hand. Dat ze als deelnemers bij de initiatiefnemers van de organisatie hoorden, is hiervoor een duidelijke aanwijzing.

Aalst vraagt een eigen carnaval

Naarmate het succes van carnaval in andere steden via de media tot Aalst doordrong, werd de vraag naar een eigen carnavalviering steeds uitdrukkelijker gesteld. We vonden in de periode 1906-1914 drie oproepen in die zin: één in een liberale, één in een daensistische en één in een katholieke krant. Naar aanleiding van de liberale optocht met muziek in 1906 drong De Dendergalm aan op de organisatie van carnaval in Aalst. "Dergelijke uitstappen brengen altijd volk te been en wij herhalen daarom wat we vroeger zegden: indien de stad de inrichting van de karnavalfeesten wou behartigen, een oproep doen tot al de maatschappijen zonder onderscheid van partij of gezindheid en daaraan de noodige openbaarheid geven, van alle kanten zou er volk naar Aalst stroomen en de vastenavond zou er niet min deftig op voorbijgaan. Is dat b.v. niet het geval te Binche, en sedert een drietal jaren te Charleroi? Van uren in den omtrek stroomt het volk daarheen, bezondere treinen moeten ingericht worden en den toeloop is er grooter als met de kermis tot groot genoegen en voordeel der neringdoende burgerij".

Enkele jaren later laakte De Werkman de onmogelijkheid van het stadsbestuur om een eigen carnaval in te richten. Volgens de christen-democraten was dit het gevolg van een slecht financieel beleid waardoor er geen "groote premiën konden gegeven worden" aan carnavalgroepen. Hierdoor mistte men de kans "om de Stad te doen overstroomen van vreemdelingen". In maart 1914 verscheen in het katholieke De Denderbode een lezersbrief gesigneerd met "Volksvriend". Het schrijfsel lijkt op het eerste zicht een klaaglitanie tegen de vastenavonddagen en de manier waarop zij aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog werden gevierd. Op het einde van de brief doet de schrijver een opvallende oproep aan het stadsbestuur om het peil van het feest op te krikken: "Heeren die aan het roer staat, geeft aan het volk en de burgerij vele en aangename ontspanningen! Laat de standen dikwerf verbroederen in gezellige vermakelijkheden die frisscher bloed kweeken, die reine vreugden scheppen, en bovendien eenen mooien stuiver laten ten goede komen aan de neringdoeners. Dat maakt het leven zonnig, dat geeft nieuwen werklust en ijver, dat is goed voor iedereen!".

De drie oproepen hebben enkele opvallende gemeenschappelijke kenmerken. Vooreerst wil men een onpartijdige carnavalviering, in tegenstelling tot bijna alle carnavalinitiatieven in het verleden. Vervolgens wil men dat de stedelijke overheid hierin het initiatief neemt, ook financieel. De organisatie van carnaval zou volgens de oproepen twee voordelen bieden. Eerst en vooral zou dergelijk initiatief heel wat toeristen lokken, wat voordelig zou zijn voor zowel de stad als de neringdoeners en herbergiers. Verder zou het carnaval door de organisatie van "gezellige vermakelijkheden" naar een hoger niveau getild worden.

Uitstel wegens de onrijpheid van de tijd?

Alles lijkt er op te wijzen dat de organisatie van carnavalactiviteiten naar het voorbeeld van andere steden nakend was. De vastenavonddagen van 1914 leken een geschikt moment. De Denderbode omschreef deze echter kort en bondig: "De vastenavonddagen zijn alhier als naar gewoonte afgeloopen. Geen baldadigheden of erge vechtpartijen werden waargenomen, ook hoorde men zeer weinig slechte liekes zingen". Was het water tussen de verschillende partijen die elkaar tot voor enkele jaren naar het leven stonden nog steeds te diep om een gezamenlijk initiatief tot een goed einde te brengen? We menen opnieuw van niet.

Reeds in 1907 schreef De Werkman: "Godzijdank, de droeve haatdragerij schuift weg. Alle Aalstenaars beginnen samen te spannen voor een schonere en betere stad. Een blinde kan dat zien. Het contract voor het aanleggen van electriciteit is eenparig gestemd, en bijna eenparig wordt ook gewerkt voor een grote bloemen- en reklaamstoet, met groepen, rijtuigen en wagens. Met het schoon weer spelen ál de muzieken van Aalst op de markten en pleinen. Dat is een deel van de droom: volledig feest, broederlijk en hartelijk". Waarom kon naar aanleiding van de eenparige beslissing elektriciteit aan te leggen wel, wat ter gelegenheid van vastenavond niet kon? Misschien durfden de katholieken, nog steeds de grootse partij in Aalst, onder druk van hun conservatieve vleugel, het niet aan geld en tijd te pompen in carnaval, een feest dat door heel wat katholieken nog steeds als heidens en zondig werd omschreven. Eveneens is het mogelijk dat men carnavalstoeten nog steeds zag als een politiek propagandamiddel en dat dit een mogelijke samenwerking tussen de verschillende politieke partijen in het kader van vastenavond moeilijk maakte. Dat de Middenstandsbond een liberale stempel droeg kan ook meegespeeld hebben. Zagen de katholieken af van een eventuele samenwerking met of financiële steun aan deze organisatie uit vrees zo de liberale oppositie te versterken?


Liège 1895



---

's Hertogenbosch 1900

---

Nice 1903

---

Nivelles 1913