Geschiedenis

volkskundige begrippen

vastenavond

vastenavond tot 1795

vastenavond wordt carnaval

carnaval na WOI
- het Vlaamse Binche
- Alfred Kelders
-
carnavalsgroepen
- de Aalsterse Gilles

carnaval na WOII

Aalst Carnaval vandaag


Carnaval na de Eerste Wereldoorlog

1923-1940: "het Vlaamse Binche"

Tijdens het interbellum wordt Aalst de belangrijkste carnavalstad van Vlaanderen. Dit was het gevolg van een grondige aanpak, gecoördineerd door de van het stadsbestuur afhankelijke 'Stedelijke Commissie der Openbare Feestelijkheden' dat sinds 1923 van carnaval haar hoofdactiviteit maakte.

De eerste officiële carnavalstoeten

Op vastenavondzondag 11 februari 1923 trokken 27 plaatselijke groepen door de straten van de stad. Deze eerste cavalcade georganiseerd door het stedelijk feestcomité genoot heel wat bijval in de pers. "Men mag waarlijk zeggen dat iedereen te been was en wat er van de omliggende gemeenten naar Aalst gekomen was dat zullen wij maar liefst niet beproeven te schatten", berichtte De Volksstem over de publieke opkomst. Het Volk haalde alle superlatieven boven en stelde onomwonden dat de cavalcade kon "wedijveren met de stoet en de kavalkade der grote steden". Burgersbelang besloot haar bijdrage over de cavalcade met "Leve Aalst, het Vlaamse Binche in Belgenland". De feestcommissie, "een komissie welke er naar streeft zoveel mogelijk handel en nijverheid te doen floreeren ten voordele van de gehele stad", was zeer opgetogen met het succes.

Op vastenavondzondag 2 maart 1924 werd de succesformule herhaald. Het aantal deelnemende groepen werd op 41 gebracht. Er waren drie groepen van buiten de stad: één uit Brussel, één uit Wetteren en één uit het Waalse Blaton. Het organisatiecomité had graag meer vreemde verenigingen aangetrokken, maar om financiële redenen ("de overdrevenheid van hunne eischen") was dit niet haalbaar. De stoet werd verdeeld in delen van acht groepen, waartussen telkens een van de Aalsterse muziekmaatschappijen voor de nodige feestmuziek zorgde. Achteraan reden de reclamewagens. Uit de deelname van de muziekverenigingen kunnen we afleiden dat de stoet niet door iedereen werd aanvaard. De maatschappij Kunst en Vermaak, het muziek van de christelijke arbeidersbeweging weigerde mee te stappen. "Onze kristene werklieden zijn tegen alle gemaskerde feesten", verduidelijkte Het Volk deze beslissing. De katholieke muzieken 'Al Groeiend Bloeiend' en 'Willen is Kunnen', het liberale 'Les vrais amis constants' en het daensistische 'Tot Heil des Volks' liepen wel mee. Ook fanfares uit Hekelgem, Herdersem en Erembodegem vonden hun weg naar de Aalsterse carnavalstoet.

Hoewel het stadsbestuur en de organisatoren wel eens van mening verschilden en de organisatie van Aalst Carnaval meer dan eens op de helling werd gezet, werd ook in 1925 en 1926 een stoet georganiseerd. De cavalcade van 22 februari 1925 telde 33 groepen, waarvan twee van buiten het Aalsterse. In 1926 namen 37 groepen namen aan de stoet deel. Voor het eerst werden speciale trams ingelegd om inwoners van omliggende gemeenten naar Aalst te brengen. Hoeveel toeschouwers er waren, is onmogelijk in te schatten. Het waren er meerdere duizenden. Het feestcomité, dat hoopte dat alle problemen nu van de baan zouden zijn, bleef ambitieus. Het beloofde voor de vijfde editie nieuwe ideeën uit te werken en meer energie te steken in het lokken van toeschouwers.

Carnaval gaat crescendo (1927-1939)

Sinds 1927 leken de problemen met het stadsbestuur van de baan. Nu de cavalcade haar succes had bewezen, waren alle partijen van het opzet overtuigd. De toelage van het stadsbestuur aan het feestcomité werd in deze nieuwe positieve sfeer in verschillende fasen opgetrokken: van 4000 frank in 1927 naar 8000 frank in 1928 tot 30.000 frank in 1931 en 35.000 in 1936. Ondanks de moeilijke economische en politieke situatie bleven alle partijen achter het carnaval staan. Ook toen in 1933 de socialist Alfred Nichels burgemeester werd, kwamen er geen problemen.

De verhoging van de financiële steun van het stadsbestuur was nodig door de jaarlijkse stijging van het aantal deelnemende groepen. Daar deze ieder jaar betere voorwaarden wensten, diende het feestcomité nieuwe inkomstenbronnen aan te boren. Sinds 1926 werd hiertoe jaarlijks een handelsbeurs ingericht. De jaarlijkse cavalcade was voor het feestcomité geen grote bron van inkomsten. Het was eerder de belangrijkste uitgavenbron, waarvoor de opbrengsten van de andere activiteiten van het comité werden aangewend. In 1930, toen het comité van het stadsbestuur 30.000 steun kreeg, bedroegen de uitgaven al circa 50.000 frank. In 1938 waren ze opgelopen tot boven de 80.000 frank.

Om de concurrentie met andere carnavalsteden aan te kunnen, vernieuwde het feestcomité haar werking. Er werd meer aandacht besteed aan het maken van publiciteit. Jaar na jaar steeg het aantal kijklustigen. In 1932 sprak schepen A. Bastiaens, voorzitter van het feestcomité, tot de deelnemers van de cavalcade: "Een negental jaren geleden trokken enkele stedelijke groepen en een paar vreemde door de straten, en laat ons zeggen, de menigte die er naar stond te kijken was niet groot. Dat was 't nederig begin van de grote Aalsterse Kavalkade, die nu reeds enkele jaren duizenden vreemdelingen naar de stad lokt". Een jaar later werd alle bescheidenheid opzij gezet: "Aalst heeft Binche ver overtroffen. En wat de kavalkade betreft en wat de volkstoeloop betreft, meer nog: onze stad staat aan de spits van al de steden van ons land waar karnaval wordt gevierd, Aalst heeft zelfs zijn naam van Karnavalstad buiten de grenzen bevestigd".

Op zoek naar vernieuwing

Naast het commerciële werd ook het inhoudelijke aspect niet uit het oog verloren. Jaar na jaar werden door de organisatoren nieuwe initiatieven gelanceerd. Hierdoor was de cavalcade doorlopend in opbouw en loonde het de moeite om als toeschouwer jaarlijks terug te keren. We zetten de opmerkelijkste initiatieven van het feestcomité op een rij:

- In 1927 werd op vraag van het feestcomité een reuzenpaar vervaardigd. De koppen van het koppel werden ontworpen door Jan Mulder en geboetseerd door Gustaaf Van der Meersch, tegen een vergoeding van 6000 frank. Beide kunstenaars waren verbonden aan de stedelijke kunstacademie. De kledij werd vervaardigd door de meisjes van het weeshuis. De reuzen hadden geen officiële naam. Al snel werden ze door de volksmond Polydoor en Polydora genoemd, naar de figuren die op het einde van de negentiende eeuw meegedragen werden in de liberale stoeten. De poppen waren beiden vier meter hoog. Elke pop werden gedragen door twee personen, die elkaar regelmatig afwisselden. In de loop van de volgende jaren werden nog meer reuzen meegedragen. In 1929 opende het programma van de stoet met het opschrift "Groote Kavalkade en ommegang der Aalstersche Reuzen en Familie". Vermoedelijk werd het reuzenpaar vanaf 1929 vergezeld door twee kinderfiguren, een jongen en een meisje. In 1934 kregen ze nieuwe kostuums aangemeten. In 1932 werd de Aalsterse reuzenfamilie uitgebreid met twee nieuwe poppen, met name Majoor Cans en de Kat. Het wijkcomité van de Karmelieten bouwde de reus Majoor Cans, naar Petrus Jacobus Cans (1791-1858), de leider van de Aalsterse Burgerwacht tijdens de revolutiedagen van 1830. De pop werd gebouwd door Oscar en Camiel Rogghé, leden van de Vereenigde Bulten en zonen van Hippoliet Rogghé die in 1889 de creatie van de Polydoorkensfamilie en het liberale Ros Beiaard op zich nam. De Kat werd gemaakt door Maatschappij De Kat, het comité van de wijk rond het Vredeplein. De vereniging hoopte door de deelname van De Kat, het symbool van de wijk, meer aandacht te krijgen voor de Kattenkermis, het jaarlijkse wijkfeest dat in 1929 dreigde teloor te gaan.

- Sinds 1927 werd de stoet geopend door een trommelkorps, dat voor deze taak door het feestcomité werd opgericht. "Het feestcomiteit zorgt voor de kledij, ge werkt mede aan het opluisteren van den stoet en voor loon, de dankbaarheid van het feestcomiteit en van het Aalstersch publiek", meldde De Volksstem. Het korps droeg kostuums in de stadskleuren en stond onder leiding van Tamboer-Majoor Jozef Callebout.

- In 1930 werd tijdens de stoet een danswedstrijd ingericht. De deelnemende groepen dienden op de Botermarkt, de Houtmarkt en het Vredeplein een vooraf ingestudeerde dans uit te voeren die, om de stoet niet te stremmen, maximum tien minuten mocht duren. Omdat het initiatief de stoet vertraagde, kreeg het in de cavalcade van 1931 geen vervolg.

- In 1932 werd, in een poging de talrijke bezoekers langer in de stad te houden, op vastenavondzondag omstreeks 18.00u een lichtstoet georganiseerd. Het initiatief, dat financieel gesteund werd door de foorkramers, zorgde voor een unieke sfeer in de binnenstad. Begeleid door de reuzen trokken leden van de twee Aalsterse verenigingen van Gilles met fakkels door de straten. Op de hoeken van de straten zorgde Bengaals vuur voor een feeëriek schouwspel. De stoet beleefde haar hoogtepunt op de Grote Markt, waar de Aalsterse Gilles een rondedans deden en een vuurwerk de festiviteiten afsloot. Het initiatief werd in 1933 herhaald.

- In 1933, ter gelegenheid van de tiende cavalcade georganiseerd door het feestcomité, reed voor het eerst sinds de Eerste Wereldoorlog een Ros Beiaard door de straten van de stad. Het dier was eigendom van de Ros Beiaardvrienden uit Sint-Gillis Dendermonde en werd één van de blikvangers van het Aalsters carnaval tijdens de jaren dertig.

- Om het Aalsterse karakter van het carnaval te verhogen, schreef het Stedelijk Studiecomité voor Openbare Feesten, met de geldelijke steun van de V.T.B., in 1933 een liedjeswedstrijd uit. Jaar na jaar was het aandeel vreemde groepen in de Aalsterse cavalcade immers toegenomen. De wedstrijd bestond uit twee delen. In oktober bekroonde men de beste liedjestekst die tegen december op muziek werd gezet. Het winnende lied werd vereerd met de titel 'officieel carnavallied'. De jury stond onder voorzitterschap van Marnix Gijsen. In 1933 won "Het Aalstersch Karnavallied" van dichter Willem Gijssels. De auteur ontving hiervoor 500 frank. Enkele componisten kregen de opdracht het stuk op muziek met een "inslaande, niet al te lastige doch ook niet banale wijze, in de toon die het onderwerp vereist". De jury kreeg vijfendertig inzendingen toegestuurd, maar was van mening dat geen enkele voldeed. De liedjeswedstrijd werd in de volgende jaren niet meer georganiseerd.


Affiche 1933

In de stoet van 1933 reed een Ros Beiaard mee, eigendom van
de Ros Beiaardvrienden
uit Sint-Gillis Dendermonde.

Affiche 1938