|
Langzaam
valt de avond over de beboste heuvels aan de voet van de Rocky Mountains. Boven
de verre bergtoppen dooft de gouden gloed van de ondergaande zon terwijl de
volle maan hoger rijst en steeds helderder wordt, haar spiegelbeeld weerkaatsend
in het rimpelloze water van de rivier. De zwarte silhouetten van sparren wijzen
als kerktorens omhoog naar een onbewolkte hemel. We zitten op de oever bij een
nagloeiend houtvuur. De rode sintels knetteren zachtjes, een intiem geluidje dat
de volmaakte stilte om ons heen nog extra benadrukt. Spoedig zal de duisternis
zich verdiepen en we bereiden ons geestelijk voor om voor de nacht in ons tentje
te kruipen. Toch blijven we onder de invloed van de betoverende sfeer treuzelen.
Wachten we onbewust op een teken dat de ban zal breken?
Ver
weg, op de grens van ons gehoor, klinkt een ijle kreet die weer wegsterft voor
we ons ten volle bewust zijn van het geluid. Stil! We luisteren gespannen met de
mond half open en durven nauwelijks nog ademen. Na een tijdje klinkt de kreet
opnieuw, duidelijker nu. Het is een hoog, aanhoudend galmen dat toeneemt in
volume, zich even handhaaft op het luidste punt en dan weer wegsterft in diepe
melancholie. De grote, suizende stilte omgeeft ons en het duister valt als een
onzichtbaar gordijn, maar het geluid herhaalt zich niet. We durven ons niet te
bewegen en blijven lange tijd intensief luisteren, totdat er een rilling over
onze rug loopt. Was het van de kou nu de temperatuur begint te zakken? Of werden
we beroerd door een oeroude, onbewuste emotie, een lang vergeten huivering uit
een ver verleden toen onze primitieve voorvaderen nog onder de sterren sliepen
en vaak onthaald werden op het schemerconcert van hun wilde broeder, de wolf,
terwijl hij aan zijn nachtelijke zwerfjacht begon?
|