The Divine Life Society
Afdeling Aalst
Homepage


DE DRIE DA'S

Narayana

Uit Licht van Sivananda, januari 1998, vol. 393

Swami Satchidananda vertelde ons dat hij in zijn Aashram in Kandy, Sri Lanka, (dat was vóór hij uitweek naar Amerika) een hond en een kat had. De kat heette Hari en de hond heette OM. Telkens hij ze riep: "Hari OM!" werd hij herinnerd aan de Ultieme Werkelijkheid, zei hij.

Dayaa betekent: mededogen. Leedvermaak, hardvochtigheid, onverschilligheid voor iemands lijden enz. zijn demonische kenmerken. Het tegengif is mededogen. Dit moet je je eigen maken, zegt de wijze. Ook Jezus zei: "Wat je de minsten der Mijnen doet, heb je ook aan Mij gedaan." Als je overal jezelf ziet, groeit er vanzelf mededogen. Dit doet me denken aan het verhaal van de drie da's in de Brihadaaranyaka Oepanishad. Het is een tijd geleden dat ik het nog vertelde. Vooruit dus maar.

Brihaspati, de Schepper van alle wezens, had drie soorten schepselen opgeleid: goden, mensen en demonen. Op het einde van hun opleiding gaf Hij hen nog een laatste raadgeving mee in een soort codevorm, want Hij wilde nagaan hoever hun zelfkennis reikte.

Tegen de goden zei Hij: "Da."
Hij vroeg: "Hebben jullie Mij begrepen?" Ze antwoordden: "Ja, Vader, wij hebben U begrepen." "Wat bedoelde ik?" vroeg Hij. "U bedoelde: dama: beheers jezelf." Goden zijn genotzoekers. Ze verwierven heel wat positief karma, maar in plaats van het te gebruiken voor hun ontwikkeling souperen zij het op in genotzucht. Ze kenden dus hun eigen zwakheid en Brihaspati was tevreden.

Tegen de mensen zei Hij: "Da." Hij vroeg: "Hebben jullie Mij begrepen?" Ze antwoordden: "Ja, Vader, wij hebben U begrepen." "Wat bedoelde Ik?" "U bedoelde: daana: geef." Ook zij wisten waar het schoentje wringt. De grote menselijke zwakheid, oorzaak van zoveel lijden, is grijpgraagheid, een onverzadigbare hebzucht, veroveringsdrang. Men zegt dat Alexander de Grote op het einde van zijn veroveringen bitter weende, omdat er niets meer te veroveren viel. Het tegengif is: leer geven.

Tegen de demonen zei Hij: "Da. Hebben jullie Mij begrepen? Wat heb Ik gezegd?" "Ja, Vader, wij hebben U begrepen. U zei: dayaa: heb mededogen." Ook nu was Brihaspati tevreden. Een demon is iemand die vreugde schept in andermans leed. Daarom zei Hij hen: "Leer mededogen". De mensen, zo genoemd omdat zij denken (Sanskrit: man), begonnen over dit alles diep na te denken. Hun conclusie was dat in hen ook goden en demonen schuilgaan. "Ook wij zijn genotzoekers en ook ons is leedvermaak niet vreemd. " Zij begrepen dan ook dat alle drie de da's voor hen gelden. En opdat zij het niet zouden vergeten legde de Schepper zijn laatste onderrichting vast in de stem van de donder: "Da da da... " Denk hieraan als het nog eens dondert en weerlicht. Brihaspati was de Goeroe of spirituele leraar van de mensheid. Hij leeft nog voort in de naam van een dag in het Hindi. Donderdag wordt Goeroevaar of Brihaspativaar genoemd: Goeroedag of spirituele-lerarendag of dag van de Schepper.