|


In dit lichaam, in deze stad van Brahman, is een klein huis in de vorm van een lotus en in dat huis is een kleine ruimte. Men moet weten wat daar is.
Wat is daar? Waarom is het zo belangrijk?
Er is evenveel in die kleine ruimte binnenin het hart als in de gehele wereld buiten. Hemel, aarde, vuur, lucht, zon, maan, bliksem, sterren; alles wat is en alles wat niet is, is daar.
Indien alles nu in het lichaam van de mens is, ieder wezen, iedere begeerte, wat blijft er dan over, wanneer de ouderdom komt, wanneer het verval begint, wanneer het lichaam valt?
Wat in die ruimte ligt, raakt niet in verval als het lichaam in verval raakt, noch valt het als het lichaam valt. Die ruimte is het tehuis van Brahman. Iedere begeerte is daar. Het Zelf is daar, boven verval en dood; boven zonde en leed; boven honger en dorst; Zijn doel is Waarheid; Zijn Wil is Waarheid. De mens kan in het lichaam leven, zolang hij de wet gehoorzaamt, zoals een mens op een boerenhoeve kan wonen, in een zekere stad, in een zekere provincie of waar hij maar wil, indien hij de wet gehoorzaamt.
Aardse genoegens raken uitgeput; hemelse genoegens raken uitgeput. Waar de mensen ook heengaan zonder het Zelf te bereiken of de Waarheid te kennen, zij kunnen nooit gaan waar het hun zint; doch als zij het Zelf bereikt hebben en de Waarheid kennen, dan gaan zij waar het hun zint, waar zij ook heengaan.
Indien de mens de wereld van zijn vaderen wenst, is alles wat hij behoeft te doen het te willen; zij zal verschijnen en hem gelukkig maken.
Indien hij de wereld van zijn moeders wenst, is alles wat bij behoeft te doen het te willen; zij zal verschijnen en hem gelukkig maken.
Indien bij de wereld van zijn broeders wenst, is alles wat hij behoeft te doen het te willen; zij zal verschijnen en hem gelukkig maken.
Indien hij de wereld van zijn zusters wenst, is alles wat hij behoeft te doen het te willen; zij zal verschijnen en hem gelukkig maken.
Indien hij de wereld van zijn vrienden wenst, is alles wat hij behoeft te doen het te willen; zij zal verschijnen en hem gelukkig maken.
Indien hij vrouwen wenst, is alles wat hij behoeft te doen het te willen; zij zullen verschijnen en hem gelukkig maken.
Indien hij welriekende geuren of bloemen wenst, is alles wat hij behoeft te doen bet te willen; zij zullen verschijnen en hem gelukkig maken.
Indien hij een ding of een plaats wenst, is alles wat hij behoeft te doen het te willen; het zal verschijnen en hem gelukkig maken.
Deze wensen zijn gerechtvaardigd, doch zij zijn verstikt door eigenbelang: het is omdat zij op deze wijze verstikt zijn dat een onwetend mens de doden niet kan zien.
Ben wijs mens ziet in het Zelf degenen die leven, degenen die dood zijn; en krijgt daardoor wat deze wereld niet geven kan. Een onwetend mens loopt op de grond, maar kent niet het goud dat eronder ligt; wij gaan over in het Zelf gedurende de slaap, maar toch kennen wij Het niet.
Het Zelf blijft in het hart; 'hart , een woord dat te zeggen schijnt: 'Hier is het. Wie dit weet, geniet dagelijks het hemelse rijk.
Wanneer een wijs mens zijn lichaam verlaat, voegt hij zich bij die vlam; bij is één met zijn eigen Natuur.
Die Natuur is het Zelf, onbevreesde, onsterfelijke Geest, Brahman.
Alles wat sterfelijken en onsterfelijken bindt, noemen zij waarheid. Wie dit weet, geniet dagelijks het hemelse rijk.
Het Zelf is de muur die de schepselen ervan weerhoudt, binnen te stormen. Dag en nacht komen niet bij Hem, noch ouderdom, noch dood. noch leed, noch goed, noch kwaad. De zonde keert zich van Hem af; want de wereld van Brahman kent geen zonde.
Het Zelf is de brug. Wanneer de mens over die brug gaat, zal hij, indien bij blind is, zien; indien hij ziek is, gezond zijn; indien ongelukkig, gelukkig zijn. Wanneer bij over die brug gaat, zal het, hoewel het nacht is, dag zijn; want de bemel straalt altijd.
De hemel is voor hen die meester van zichzelf zijn. Zij kunnen overal gaan in deze wereld waar het hun zint.
Offers brengen is meester van zichzelf zijn; want door die beheersing kent een wijs mens het Zelf. Plicht doen is meester van zichzelf zijn. Door beheersing kent een mens het Zelf.
Geloften zijn de beheersing van zichzelf; want door die beheersing krijgt een mens de bescherming van het Zelf. Stilte is beheersing van zichzelf; want door die beheersing bereikt de mens de meditatie over het Zelf.
Vasten is beheersing van zichzelf; want door die beheersing heeft de mens deel aan de onvergankelijkheid van het Zelf. Het leven van een kluizenaar is die beheersing.
In het hemelse rijk zijn de bronnen van doen en weten die ontspringen aan de opperste geest Zelf; daar voorbij strekt zich het meer van vreugde uit; voorbij dat meer van vreugde staat de boom van onsterfelijkheid in bloei; voorbij die boom ligt de stad van Brahman, vol van licht, door Hemzelf gebouwd.
Doch de hemel is voor diegenen die de bronnen van doen en weten vinden; zij kunnen in deze wereld overal gaan waar het bun zint.
Oranje, blauw, geel, rood zijn niet minder in de slagaderen van de mens dan in de zon.
Zoals er een lange hoofdweg tussen twee dorpen loopt, die aan beide einden begint, zo lopen de stralen van de zon tussen deze wereld en de wereld daarboven. Zij vloeien uit van de zon, treden binnen in de slagaderen, vloeien terug uit de slagaderen, treden weer binnen in de zon.
Wanneer een mens slaapt en van zijn slaap geniet, schept hij geen droom; zijn ziel slaapt in de slagaderen. Geen kwaad kan hem deren, want bij is vervuld van licht.
Wanneer bij stervende is, vragen degenen die bij hem zijn of hij hen kent; zolang de ziel het lichaam niet verlaat, kent hij hen.
Doch wanneer de ziel het lichaam verlaat, opstijgend met de stralen van de zon, mediteert hij over OM en gaat met de snelheid der gedachte naar de zon. Zon is de Poort des Hemels, waar de wijzen doorbeen kunnen gaan.
Hier is mijn gezaghebbende uitspraak: 'Er zijn honderd-en-één slagaderen die naar het hart leiden; één van deze doorboort de kruin van het hoofd. Hij die erdoor omboog gaat, bereikt onsterfelijkheid; hij die dat niet doet, wordt opnieuw geboren.
Prajapati zeide: 'Het Zelf is vrij van zonde en verdriet; van verval en dood; van honger en dorst; Zijn doel is waarheid; Zijn wil is waarheid. Vind Hem; ken Hem. Wie hem vindt en kent, krijgt wat hij wenst, gaat waar het hem zint.
De goddelijken zowel als de goddelozen kwamen te weten wat Prajapati zeide en zij dachten: 'Wij zweren bij onze ziel, dat wij het Zelf moeten vinden, waardoor wij zullen krijgen wat wij maar wensen en gaan waar het ons zint.
Indra van de goddelijken en Virochana van de goddelozen, gingen met gevouwen handen naar Prajapati, zonder dat de één het van de ander wist.
Zij bleven twee en dertig jaren bij hem en namen de geloften in acht; toen Prajapati vroeg, waarvoor zij gebleven waren, zeiden zij:
'Een ieder weet, dat gij gezegd hebt, dat het Zelf vrij is van zonde en verdriet; van verval en dood; van honger en dorst; Zijn doel is waarheid; Zijn wil is waarheid. Vind Hem; ken Hem. Wie Hem vindt en kent. krijgt wat bij wenst, gaat waar het hem zint. Wij hopen dat Zelf te bereiken en daarom blijven wij.
Prajapati zeide: 'Die Persoon, die in het oog gezien wordt, is het Zelf. Dat is de onbevreesde, onsterfelijke Brahman.
Zij zeiden: 'Heer! Welke van de twee is het Zelf, die in water weerspiegeld wordt of die in een spiegel weerspiegeld wordt?
Prajapati zeide: 'Hij wordt in beide weerspiegeld, Hij wordt overal weerspiegeld.
Prajapati zeide: 'Kijk naar u Zelf in een kom met water; kom terug als ge het Zelf niet begrijpt.
Ze keken in de kom met water.
Prajapati zeide: 'Wat zaagt ge daar?
Zij zeiden: 'Wij zagen onszelf; ons evenbeeld, tot zelfs ons haar en onze nagels.
Prajapati zeide: 'Scheer u, trek mooie kieren aan, tooi u met mooie juwelen; en kijk dan nog eens in het water.
Aldus deden zij.
Prajapati zeide: 'Wat zaagt ge?
Zij zeiden: 'Heer! Wij zagen onszelf geschoren, gekleed, getooid!
Prajapati zeide: 'Dat is het Zelf. Dat is onbevreesde, onsterfelijke Brahman.
Tevredengesteld gingen zij heen.
Prajapati zeide tot zichzelf: 'Zij gaan heen zonder het Zelf te vinden, zonder het Zelf te kennen. Wie hun filosofie volgt, om het even of hij goddelijk of goddeloos is, zal vergaan.
Virochana, volkomen tevredengesteld, ging naar de goddelozen en preekte daar zijn leer: 'Alleen het lichaam is belangrijk; alleen het lichaam moet aanbeden worden.
Wie de belangrijkheid van het lichaam kent en het aanbidt, krijgt alles in deze wereld en in de volgende.
Daarom wordt zelfs heden ten dage een mens die geen geloof, geen toewijding, geen naastenliefde heeft, goddeloos genoemd; want dat is de leer van de goddelozen. Zij voorzien de doden van voedsel, kleren, juwelen; daarmee denken zij de hemel te bereiken.
Doch Indra zag de valstrik nog voor hij naar de goddelijken terugkeerde. Hij dacht bij zichzelf: 'Als het lichaam getooid is, dan is zijn spiegelbeeld dat ook; als het goed gekleed is, dan is zijn spiegelbeeld dat ook; als het schoon is, dan is zijn spiegelbeeld dat ook; maar als het lichaam blind was, dan zou ook het Zelf blind zijn; als het lichaam kreupel was, dan zou ook het Zelf kreupel zijn; als het lichaam dood was, dan zou ook het Zelf dood zijn. Ik zie hier niets goeds in.
Hij ging terug met gevouwen handen.
Prajapati zeide: 'Indra! Ge zijt met Virochana weggegaan, volkomen tevredengesteld. Wat brengt u terug?
Indra zeide: 'Heer! Als het lichaam geschoren, gekleed, getooid is, dan is zijn spiegelbeeld dat ook; maar als het lichaam blind was, lam, kreupel, dan zou ook het Zelf blind, lam, kreupel zijn; als het lichaam dood was, dan zou ook het Zelf dood zijn. Ik zie bier niets goeds in.
Prajapati zeide: 'Indra! Zo is dit lichamelijke zelf. Blijf nog eens twee en dertig jaren. Ik zal u nog meer uitleggen.
Indra bleef dus; Prajapati zeide:
'Het Zelf is de Aanbiddelijke, die zich in dromen beweegt. Hij is de onbevreesde, onsterfelijke Brahman.
Indra ging tevredengesteld heen, maar voordat hij de goddelijken bereikte, zag hij de valstrik. Hij dacht bij zichzelf: 'Het Zelf dat droomt, is niet blind als het lichaam blind is; het Zelf is niet lam als het lichaam lam is; het Zelf wordt niet aangetast door de gebreken van het lichaam.
'Hij wordt niet gedood als het lichaam gedood wordt; hij wordt niet kreupel als het lichaam kreupel wordt; en toch wordt bij gedood en opgejaagd in dromen; hij is ongelukkig; nu en dan built hij. Ik zie hier niets goeds in.
Hij ging terug met gevouwen banden.
Prajapati zeide: 'Indra! Ge zijt tevredengesteld weggegaan. Wat brengt u terug?
Indra zeide: 'Heer! Het Zelf is niet blind omdat het lichaam blind is, het Zelf is niet kreupel omdat het lichaam kreupel is; het Zelf wordt niet aangetast door de gebreken van het lichaam.
'Het Zelf wordt niet gedood als het lichaam gedood wordt. Hij is niet lam als het lichaam lam is. Het Zelf wordt gedood en opgejaagd in dromen; het is ongelukkig; nu en dan built het. Ik zie hier niets goeds in.
Prajapati zeide: 'Ge hebt gelijk. Blijf nog eens twee en dertig jaar; ik zal nog meer uitleggen.
Dus bleef Indra. Prajapati zeide:
'Wanneer de mens diep slaapt, in vrede met zichzelf, gelukkig, zonder dromen, dan is dat het Zelf. Dat is de onbevreesde, onsterfelijke Brahman.
Indra ging tevredengesteld been, maar voor bij de goddelijken bereikte zag hij de valstrik. Hij dacht bij zichzelf: 'De mens weet in zijn slaap niet dat hij het Zelf is; evenmin kent bij enig ander schepsel. Hij is verloren.
Ik zie hier niets goeds in.
Hij ging terug met gevouwen banden.
Prajapati vroeg: 'Indra, ge zijt tevredengesteld weggegaan, wat brengt u terug?
Indra zeide: 'Heer! Wanneer een mens slaapt zonder een droom, weet bij niet dat bij het Zelf is, evenmin kent bij andere schepselen. Hij is verloren. Ik zie bier niets goeds in.
Prajapati zeide: 'Indra! Ge hebt gelijk; en toch, waar kunt ge het Zelf anders vinden?
'Blijf nog vijf jaar; ik zal nog meer uitleggen.
Indra bleef dus. Hij bleef daar honderd en één jaren in het geheel; een ieder weet, dat Indra gedurende honderd en één jaar bij Prajapati bleef en het Zelf meester werd. Prajapati zeide tot hem:
'Indra! Dit sterfelijke lichaam is ten dode opgeschreven; niettemin is het het tehuis van het onsterfelijke, het onbelichaamde. Zolang Hij in het lichaam is, heeft Hij genegenheid en afkeer; zolang Hij in het lichaam is, is er geen ontspanning mogelijk. Wanneer Hij zonder lichaam
is, raken genegenheid en afkeer Hem niet.
'De lucht heeft geen lichaam; wolken, bliksem, donder, hebben geen lichaam; doch wanneer zij zich samenvoegen met licht en opstijgen in de ruimte, dan tonen zij zich in bun eigen gedaante. Evenzo gaat het met het gezegende Zelf; samengevoegd met licht, stijgt het op uit het lichaam en toont zich in zijn eigen gedaante. Hij beweegt zich in deze wereld en geniet vrouwen, rijdt in wagens, onderhoudt zijn vrienden, zonder zich om zijn lichaam te bekommeren: zoals een meestervakman een hulp aanstelt, zo stelt het Zelf het leven aan om voor zijn lichaam te zorgen.
'Wie door het oog ziet, wetende dat hij ziet, is het Zelf, het oog een werktuig waarmee Hij ziet;
'Wie door de neus ruikt, wetende dat bij ruikt, is het Zelf, de neus een werktuig waarmee Hij ruikt;
'Wie door middel van de tong spreekt, wetende dat bij spreekt, is het Zelf, de tong een werktuig waarmee Hij spreekt;
'Wie door het oor hoort, wetende dat hij boort, is het Zelf, het oor een werktuig waarmee Hij hoort;
'Wie door de geest denkt, wetende dat bij denkt, is het Zelf, de geest een werktuig waarmee Hij denkt.
'Hij kijkt door het geestesoog, zijn spirituele oog; en neemt al deze vreugdevolle gewaarwordingen waar; deelt ze mede aan de geest.
'De goden mediteren over dat Zelf; daarom hebben zij alle werelden en alle begeerten in bun macht. Wie het Zelf ontdekt en kent, heeft macht over alle werelden en alle begeerten, krijgt wat bij wenst, gaat waar het hem zint.
Ik dwaalde van duisternis naar hartstocht; van hartstocht naar duisternis. Nu schud ik het kwaad van mij af, zoals een paard zijn losse haren afschudt; ik bevrijd mijzelf van het kwaad, zoals de maan zich losmaakt uit de eclips en bij het doel van mijn leven aangekomen, treed ik het rijk van Brahma binnen, waar niets meer te bereiken valt.
Namen en vormen hangen slechts in de ruimte. In waarheid leven zij in het onsterfelijke Brahman. Hij is het Zelf.
Ik ga binnen in de verblijfplaats van Prajapati. Ik ben de glorie van de Brahmanas, de glorie der koningin, de glorie der mensen. Ik heb de glorie bereikt. Vergun mij nooit meer opnieuw geboren te worden.
Brahman schonk deze kennis aan Prajapati; Prajapati schonk haar aan Manu; Manu schonk haar aan de mensheid.
Hij die de Veda's op de juiste wijze bestudeert, onder de juiste leermeester en het juiste doet bij de leermeester; die terugkeert naar huis; die zich als huisvader op een heilige plaats vestigt en de studie van de Veda s onderhoudt; een heilig leven leidt en al zijn zinnen aan het Zelf wijdt; niemand ooit iets vraagt, tenzij op pelgrimsreis; en die zulk een leven tot het laatste toe leidt; die bereikt het rijk van Brahma; bij keert nooit weder.
Kontakteer
Yoga@pandora.be
met vragen en comentaren over deze Site.