Via Email kreeg ik de volgende tekst, en alhoewel ik geen referenties heb over de juistheid van de tekst geef ik hem alvast, reakties via mijn email.


VIJNANA BHAIRAVA (1)



1.(2) De stralende Godin sprak:

Mij is de inhoud van de Rudrayamala (Tantra) volledig geopenbaard, o God, de drieledige werkelijkheid (trikabheda) die de kwintessens van de kwintessens vormt.



2.(3) Maar toch, o allerhoogste Heer, heb ik nog twijfels, Wat, o God, is de uiteindelijke Essentie van de oerenergieën die de schepping met namen en vormen doet ontstaan ?



3.(4) Hoe kan deze Essentie in teksten die handelen over Bhairava - teksten die, omdat ze geopenbaard zijn, een directe expressie van Bhairava vormen - worden voorgesteld met een negendelige mantra of als een God met drie hoofden of als drieledige energie ?



4.(5) Hoe ook als 'nadabindu', 'ardhacandra' en 'nirodhika'; hoe ook als 'anacka' die heerst over het cakra van de oerenergieën ? Hoe kan deze Essentie ook worden voorgesteld alsof hij zelf de aard van energie heeft ?



5.(6) Is de aard van de energie op het trancendent-immanente nivo (parapara) en op het immanente nivo (apara) samengesteld, of is daarentegen de aard van de energie op het transcendente nivo (para) samengesteld ? Indien dit zou zijn voor het transcendente nivo, dan is dat in strijd het haar transcendentie.



6. De energie op het transcendente nivo kan werkelijk nooit samengesteld zijn met namen en vormen, want zij kan doordat ze ondeelbaar is (nishkala) nooit in het samengestelde zijn (sakala).



7. O Heer, schenk mij genade en laat mijn twijfels volledig verdwijnen.

Bhairava sprak :

Heel goed, geliefde van mij! Je vraag vormt de kern van de Tantras.



8.+9. Dit onderwerp is buitengewoon esoteries, o geliefde, maar ik zal er toch over spreken. Elke samengestelde vorm die Bhairava wordt toegeschreven, daarvan moet men weten dat hij onwezenlijk is, dat het een begoocheling is, een illusionaire droom, een drogbeeld van een stad van hemelse muzikanten.



10.(7) De beschrijving van zulke vormen dient alleen om mensen waarvan het onderscheidingsvermogen is versluierd, die verstrikt zijn in wereldse activiteiten en ten prooi zijn aan tweepolige gedachten tot meditatie aan te zetten.



11. In werkelijkheid is Bhairava nòch de negendelige mantra nòch de oerenergieën die de schepping met namen en vormen laten ontstaan. Verder is hij niet de driehoofdige godheid en vormt de drieledige energie niet zijn wezen.



12. Hij bestaat niet uit 'nadabindu', noch uit 'ardhacandra' noch uit 'nirodhika', noch is hij gebonden aan de loop van het kosmisch gebeuren. Hij heeft zelf niet de aard van energie.



13. Want deze voorstellingen zijn bedoeld voor mensen zonder onderscheidingsvermogen. Zij zijn als de schrikbeelden waarmee men kinderen ontzag inboezemt. De genoemde voorstellingen zijn als de loksnoepjes van een moeder; zij dienen alle slechts om mensen vooruit te helpen.



14.+15 Niet gebonden door tijd en ruimte en werkelijk onmogelijk aan te wijzen of met woorden aan te duiden; zó is de zaligheid die je kunt ervaren in het diepst van je hart. Deze zaligheid is buiten de sfeer van tweepolige gedachten. Deze toestand van vervuld zijn is de ware aard van Bhairava, Bhairavi.



16. Men moet deze schoonheid werkelijk kennen als puur en in alles aanwezig. Wanneer dit nu zo de hoogste waarheid is, wie moet dan worden vereerd en wie wordt daardoor tevreden gesteld ?



17. Zó wordt de hoogste vorm van Bhairava verklaard. Deze vorm wordt 'hoogste Godin' genoemd.



18.+19. Daar er geen enkel verschil bestaat tussen de energie (Shakti) en de bezitter van de energie is de hoogste energie (Parashakti) die beide aspekten in zich heeft gelijk aan het hoogste Zelf.

- De verteringskracht van vuur wordt toch ook niet los gezien van vuur -

Slechts in het begin van het doordringen tot de hoogste waarheid ziet met onderscheid tussen beide aspekten.



20. Als iemand doordringt tot zijn eigen energiebron en zich hiermee identificeert neemt zijn vergoddelijkte energie de vorm van Shiva aan en dan noemt men die energie "opening" (naar Shiva).



21. Zoals we door het licht van een lamp of zonnestralen de wereld zien, zo kunnen we door de Shakti kennis nemen van Shiva, o dierbare.



22.+23. Daarop sprak de stralende Godin :

O allerhoogtse God, drager van de drietand en met een keten van schedels als halssieraad, hoe komt iemand tot de gelukzalige staat van Bhairava die buiten het tijd-ruimte domein is en elke beschrijving tart ?

In welke zin vormt de hoogste Godin daarheen de toegang ?

Vertel het mij, o Bhairava, zodat mijn kennis volmaakt wordt.



24. Bhairava antwoordde :

Oefen een opwaartse kracht uit op de energie die prana in het bovenlichaam en apana in het onderlichaam als polen heeft. Gelukzaligheid zal worden bereikt door zowel prana als apana naar de plaats te brengen waar ze zijn ontstaan.(8)



25. Voortdurend gericht op de pauzes na de in- of na de uitademing, wanneer de adembeweging verdwijnt. Zó verschijnt, o Bhairavi, de schitterende vorm van Bhairavi en Bhairava.



26. Wanneer de energie in de vorm van Prana zich uitbreidt in het centrum, dan kan zij niet naar binnen of naar buiten gaan, omdat zij daar vrij is van tweepoligheid. Hierdoor krijgt zij de vorm van Bhairava.



27. Wanneer de adem wordt vastgehouden na de inademing en ook gevolgd wordt door een pauze na de uitademing, dan wordt aan het einde van deze oefening de adembeweging rustig. Hierdoor verkrijgt men de rust van Bhairava.



28. Men moet zich concentreren op de uiterst subtiele energie wanneer deze zich vanaf de onderste cakra verheft en tot rust komt in het bovenste cakra. Dan verschijnt Bhairava.



29. Wanneer men zich concentreert op de energie die als een bliksem schiet van cakra naar cakra, in etappes, tot aan de bovenste cakra, dan verschijnt tenslotte Bhairava in volle glorie.



30.(9) De twaalf opeenvolgende fasen corresponderen precies met de opsplitsing in twaalf fenomenen. Wie zich in fasen bevrijdt van het grofstoffelijke, het subtiele en het uiterst subtiele, verenigd zich tenslotte met Shiva.



31. Wie 'door de wemkbrouwen te fronsen' (bhrukshepa) en de prana over de daardoor ontstane brug omhoog te laten vliegen de bovenkant van het hoofd vult, wordt na het voelen en denken vrij te hebben gemaakt van tweepoligheid, aldoordringend en gaat in tot het allerhoogste.



32.(10) Wie over de vijfvoudige leegte (van de zintuigen) mediteert met gebruikmaking van felgekleurde cirkels van pauweveren gaat binnen in de onvergetelijke leegte, namelijk het Hart.



33. Waar ook maar de aandacht zó op wordt gericht, geleidelijk, zoals bijvoorbeeld op een lege ruimte of op een muur of op de hoogste meester, dáár wordt die aandacht in zichzelf geabsorbeerd en wensvervullend.



34. Wie er met de gesloten ogen voor zorgt dat de geest (manas) niet via de zintuigen naar buiten wordt gericht, die zal, dank zij de stabiliteit die deze hierdoor verkrijgt, geleidelijk aan het allerhoogste onderscheiden dat er te onderscheiden valt.



35. Het middelste kanaal bevindt zich in het centrum. Wanneer men hieraan denkt als de Godin die lijkt op een vezel van een lotusstengel en die identiek is met de innerlijke ruimte (antarvyoman), dan openbaart zich God.



36. Wanneer de ogen (en de andere zintuigen) zijn geblokkeerd door net de handen de openingen er van af te sluiten en de prana het centrum tussen de wenkbrauwen (bhru) doorklieft, dan ontstaat bij het zien van het geleidelijk wegstervende bindulicht de allerhoogste toestand.



37.(11) Wie in zijn hart of bij zijn kruin mediteert over bindu, gelijkende op de tilaka, die is als een subtiel vuur dat in trillende beweging is, gat, bij het verdwijnen van bindu, zelf in het licht op.



38.(12) Hij, die volledig opgaat in het 'brahmangeluid', namelijk de anahataklank, die zich onafgebroken in de gehoordoorgang manifesteert als een snelstromende rivier, hij gaat op in het hoogste Brahman.





39.(13) Door zich bij het reciteren van de pranava (aum) en andere mantra's te richten op de stilte die zich bevindt aan het eind van de langgerekte klank komt men door middel van de allerhoogste Stilte tot deze (allerhoogste) stilte.

40. Degene die zich concentreert op het begin of einde van welke klank dan ook, die mens neemt nadat hij leeg is geworden, door de macht van de uiteindelijke leegte daar zelf de vorm van aan.



41. Hij wiens aandacht steeds sterker in beslag wordt genomen door de langgerekte klanken van snaarinstrumenten of andere muziekinstrumenten neemt, als hij zich op niets anders richt dan dat, tenslotte de stralende vorm aan van het allerhoogste ruimte (paravyoman).



42.(14) Door de energie omhoog te laten gaan met behulp van een geordende reeks letters van een kompakte mantra (pindamantra) via de fasen 'ardhendu', 'bindu', 'nadanta' en 'shunya' wordt men Shiva.



43. Men moet in het eigen lichaam het gevoel van leegte opwekken in alle richtingen tegelijk. Wanneer dan de geest vrij is van dualiteit wordt alles tot lege ruimte.



44. Van hem die gelijktijdig het gevoel van leegte opwekt aan zowel de bovenkant als de onderkant van het lichaam wordt de geest leeg dankzij de Shakti die niet afhankelijk is van het lichaam.



45. Men moet gelijktijdig en intens het gevoel van een lege ruimte opwekken bij de top van het hoofd, de onderkant van het lichaam en het hart. Na het verdwijnen van tweepolige gedachten verschijnt de Essentie die vrij is van tweepoligheid.



46. Als men, ook al is het maar voor één moment, afwezigheid van tweepoligheid opwekt op een willekeurige plek in het lichaam, dan is dat de leegte zelve. Vrij van tweepoligheid komt men dan tot de Essentie die vrij is van tweepoligheid.



47. O gazel-ogige Godin. Men moet de gewaarwording wekken dat de gehele substantie van het lichaam oplost in de ruimte en dan zal deze opgeroepen toestand blijvend worden.



48. Men moet de huid van het lichaam beschouwen als een muur. Wie zo over zijn lichaam mediteert alsof het geen inhoud heeft, komt tot datgene dat voorbij het mediteerbare is.



49. O uitverkorene, diegene waarvan de zintuigen in de ruimte van het hart vernietigd zijn en die, onverschillig voor al het andere, tot de kern van het binnenste doordringt, bereikt het hoogste geluk.



50. Wanneer het intellect stabiel is geworden en het hele lichaam bewust is gemaakt, dan openbaart zich door de absorptie van de geest (manas) in het bovenste cakra het duurzame kenmerk van de waarheid.



51. Wanneer de geest (manas) zich altijd en overal richt op het bovenste cakra, dan verliest hij langzamerhand zijn rusteloosheid en openbaart zich binnen enkele dagen het onbeschrijflijke.



52. Wanneer men de intense voorstelling oproept dat de eigen burcht wordt vereerd door de vlammen des tijds die oprijzen uit de voet van rudra, dan openbaart zich aan het einde de straling van rust.



53. Wanneer dan ook nog de intense voorstelling wordt opgeroepen dat de hele wereld door het vuur wordt verzwolgen, dan bereikt hij die onverschillig is voor al het andere de allerhoogste menselijke staat.



54. Wie mediteert op de subtiele of zeer subtiele scheppingskrachten (tattvas) van de wereld of het eigen lichaam en daarbij de voorstelling maakt dat deze (successievelijk in elkaar, steeds in de daaropvolgende subtielere tattva) oplossen, krijgt tenslotte de openbaring van de shakti in haar hoogste vorm.



55. Wie in het bovenste cakra gemediteerd heeft over de ijle energie die zich (om het fysieke lichaam) heeft uitgebreid, is, nadat hij tijdens deze meditatie is binnengegaan in het hart, bevrijd en verkrijgt absolute onafhankelijkheid.



56. Men moet over de drie nivo's van de schepping mediteren, namelijk als namen en vormen (apara - nivo), die op het subtiele nivo (parapara - nivo) overgaan in klanken en elementen, die op het meest subtiele nivo (para - nivo) overgaan in zeer fijne trillingen, totdat het denken oplost.



57. Wanneer men volledig over de uiteindelijk waarheid van het heelal mediteert volgens deze methode, dan wordt de uiteindelijke bevrijding bereikt.



58. Dit hele universum, o machtige Godin, moet intens worden beleefd als iets leegs. Juist dan zal het denken geabsorbeerd worden en daarna in men geschikt om in de leegte op te gaan.



59. Men moet de blik richten op een vat of iets dergelijks en (in gedachten) de omhulling laten verdwijnen. Meteen nadat men in die leegte geabsorbeerd is kan men zich juist daardoor met die leegte identificeren.



60. Laat de blik rusten op een landschap zonder bomen, bergen, gebouwen e.d. Wanneer het denken geabsorbeerd is bereikt men rust.



61.(15) Wanneer er twee waarnemingen in het bewustzijn zijn, dan moet men zich richten op hetgeen daar tussen is, zodra dit is herkend. Wanneer men beide waarnemingen gelijktijdig heeft losgelaten, dan verschijnt dáár de stralende Waarheid.



62.(16) Nadat de aandacht van iets is afgewend moet hij worden geblokkeerd zodat hij zich niet op iets anders kan richten. Daarop, door hetgeen zich er tussen bevindt, breekt het hoogste inzicht door.



63. Waarlijk, men moet het lichaam of de wereld ineens in zijn geheel beschouwen als enkel maar gedachten. Dan wordt het hoogste ontwaken bereikt doordat het denken vrij wordt van tweepoligheid.



64. Door de interaktie van prana en apana na in- of uitademing komt de yogin tenslotte tot het inzicht dat alles Eén is.



65. De yogin moet de wereld of het eigen lichaam ineens in zijn geheel beschouwen als gevuld met eigen geluk. Door zijn eigen geluk dat is als nectar kan hij zich identificeren met het allerhoogste geluk.



66. Door een toverslag, o gazel-ogige Godin, komt men in verrukking waardoor de werkelijkheid zich openbaart.



67. Wanneer de gehele stroom van zintuiglijke waarnemingen aan banden is gelegd door het omhooggaan van de energie van de adem (Pranashakti), verbreidt zich langzaam aan, als een kriebeling die wordt veroorzaakt door over het lichaam lopende mieren, het hoogste geluk.



68.(17) Men moet de aandacht die één an al geluk is richten op hetgeen er tussen 'vuur' en 'vergif' is. Bevrijd (van tweepoligheid) en doordrongen met energie (vayu) verbindt de geest (citta) zich dan met het geluk van de liefde.



69. Wanneer de energie hevig in beroering is gebracht door de vereniging met een vrouw wordt aan het einde van de éénwording de gelukzaligheid van de goddelijke Werkelijkheid ervaren. Dit wordt ge gelukzaligheid van het Zelf genoemd.



70. O Godin, overvloedig geluk kan ook worden bereikt zonder vrouw door de intense herinnering aan het geluk dat is beleefd bij een vrouw door kussen, streling en omhelzingen.



71. Of ook wanneer men na lange tijd een familielid weerziet wordt een diep geluk ervaren. Door te mediteren over het opgekomen geluk wordt men er door geabsorbeerd en identificeert het denken er zich mee.



72. Door de vreugdeservaring die wordt veroorzaakt door lekker eten en drinken komt men in een staat waarin niets meer te wensen blijft en vindt identificatie met Het Geluk plaats.



73. De yogin die één is met het onvergelijkbare geluk dat hij ervaart bij het horen van gezang, wordt, omdat hij hier helemaal in is verzonken, ruim van geest en identificeert zich met het geluk.



74. Daar waar het denken tevreden is, daar moet je het houden, want juist daar verschijnt de Essentie van het hoogste geluk.



75. Wanneer de slaap nog niet gekomen is en de buitenwereld al is verdwenen, dan moet het denken zich op deze toestand richten, waarop de Godin verschijnt.



76. De blik moet worden gericht op een ruimte die gevlekt is door het licht van de zon of een lamp of iets dergelijks. Dáár verschijnt dan de eigen Essentie.



77. Door de intense beleving van rust alsof men dood is, of van woede, of door helemaal op te gaan in het kijken naar iets, of dankzij andere mystieke houdingen zoals die waarbij men zich helemaal richt op de smaak of de energie van de onbegrensde etherruimte, wordt men, op het moment dat het intuïtieve inzicht doorbreekt, één met het AL.



78.(18) Gezeten op een zachte zetel. waarbij alleen het zitvlak kontakt heeft en handen noch voeten steun vinden, komt, door deze houding te volharden, de geest (mati) tot de hoogste vervulling.



79. Konfortabel gezeten, met gekruiste armen, terwijl de aandacht wordt gericht op de okselholte, wordt, door helemaal in deze houding te verzinken, de rust bereikt.



80. De blik moet, zonder met de ogen te knipperen, op een voorwerp worden gericht en wanneer dan de geest (manas) alle steun is ontnomen bereikt men spoedig Shiva.



81. De mond wijd opengesperd, met de tong in het midden en de aandacht op het midden gericht, gaat men, onder het in gedachten uitspreken van de syllabe 'HA', op in vrede.



82. Zittend of liggend moet het eigen lichaam 'leeg' worden gemaakt (letterlijk : zonder steunpunten); op het moment dat het denken oplost lossen ook de diepere conditioneringen op.



83. Wanneer men zich in een bewegend voertuig bevindt of ook door langzame lichaamsbewegingen komt de geest (manas) tot rust en bereikt men het Goddelijke, o Godin.



84. O Godin, wie kijkt naar een heldere, de blik op niets gericht, helemaal verstild, bereikt op hetzelfde moment nog de goddelijke Straling.



85. Men moet zich op intense wijze voorstellen dat de gehele ruimte met de eigenschappen van het Uiteindelijke oplost in het eigen hoofd. Dán zal deze gehele ruimte opgaan in de (uiteindelijke) Werkelijkheid, de schitterende gloed die de uitdrukkingsvorm is van Bhairava.



86. Wanneer de waaktoestand, waarin men beperkte kennis bezit hetgeen gepaard gaat met dualiteitservaring, de droomtoestand met impressies van de buitenwereld en de diepe slaap die is als duisternis, worden herkend als uitdrukkingsvormen van Bhairava, dan wordt men vervuld met het onbegrensde Oerlicht.



87. Evenzo zal, wanneer men bij het aanbreken van de donkere helft van de maan tijdens een donkere nacht de duisternis een tijdlang op zich laat inwerken, de luister van Bhairava worden bereikt.



88. Op een soortgelijke manier moet men aanvankelijk de duisternis op zich laten inwerken die wordt ervaren als ogen net zijn gesloten en moet vervolgens, na de ogen wijd te hebben geopend, de straling van Bhairava worden opgeroepen. Dan kan identifikatie daarmee worden bereikt.



89.(19) Door het blokkeren of geblokkeerd worden van een waarneming of handeling (letterlijk : van een 'indriya') verzinkt men in de leegte die vrij is van tweepoligheid en dan verschijnt dáár het stralende Zelf.



90. Door het uitspreken van de letter A, kort en gevolgd door een ademstilstand (letterlijk : zonder bindu en visarga) verschijnt plotseling, o Godin, de hoogste God, deze machtige stroom van kennis.



91. Richt de aandacht op het eind van de 'h-klank' (visarga) van een syllabe die daarop eindigt. Wanneer dan hierdoor het denken bevrijd is van steunpunten, bereikt men het eeuwige Brahman.



92. Men zou het eigen zelf moeten voorstellen als een eindeloze ruimte. Wanneer dan het bewustzijn alle houvast verloren heeft toont de Shakti haar ware vorm.



93. Na eerst een willekeurig deel van het lichaam met een scherp instrument te hebben doorboord, krijgt men, wanneer het denken daar helemaal op is gekoncentreed, toegang tot de stralende Bhairava.



94. Men zou zich moeten voorstellen : 'Er zijn geen intellect (buddhi), ego (ahamkara) en denkvermogen (manas) in mij'. Door de afwezigheid van tweepoligheid die daar het gevolg van is, stijgt men boven de tweepoligheid uit.



95.(20) 'De versluieringskracht (Maya) wordt verbijsteringwekkend genoemd. De functie (van de beperkende energieën) zoals 'kala' enz. veroorzaakt (deze versluierende toestand)'. In beschouwing nemend dat het maar de werking van de beperkende energieën is, zou men er zich niet van moeten losmaken.



96. Wanneer een plotseling opkomend verlangen wordt waargenomen, dan moet dit verlangen in de kiem worden gesmoord. Vervolgens moet men verzinken in de bron van dit verlangen.



97.(21) Wanneer nòch verlangen nòch kennis in mij zijn opgekomen, wie ben ik dan wel? In waarheid ben ik zò. Wanneer het denken erin geabsorbeerd is identificeert het zich ermee.



98. Wanneer verlangen of kennis is opgekomen kan men, doordat men zich van zichzelf bewust is, er zijn aandacht op richten en als dan het denken op niets anders is gericht, ziet men de waarheid.



99. Kennis is zonder oorzaak, niet onderbouwd en verwarrend. Vanuit de absolute waarheid gezien behoort zij ook niemand toe. Wanneer men zich hier helemaal aan wijdt wordt men Shiva, o geliefde.



100. Hij die bewustzijn als kenmerk heeft is in alle lichamen en in wezen is alles Eén. Wie zich realiseert dat alles uit dit bewustzijn bestaat is een mens die de toekomst heeft overwonnen.



101. Als men op het punt van verlangen, van een woedeuitbarsting of intense verwarring of ook tijdens plotselinge verbijstering of opwinding of een opwelling van jaloezie het denken kan stilleggen, dan blijft slechts de onveranderlijke Werkelijkheid daarachter.



102.(22) Wanneer men over het universum mediteert alsof het bestaat uit illusie, alsof het een schilderij is of een energiewerveling en wanneer men (vervolgens) dit alles zo ziet, dan daagt gelukzaligheid.



103. Men moet het denken niet richten op verdriet, noch op geluk. O Bhairavi, men moet alles kennen met het denken in het midden en dan blijft de Waarheid over.



104. Wanneer men de zorg voor het lichaam opzij heeft gezet kan men zich voorstellen : 'ik ben overal'. Met een standvastige geest (manas) en de blik op niets anders gericht ontstaat gelukzaligheid.



105. Kennis of verlangen zijn niet alleen in mij maar overal, ook in objekten zoals een kan etc. Wie zich dit zo voorstelt wordt aldoordringend.



106. Bewustzijn dat gepaard gaat met de ervaring van een subjekt is voor alle mensen gelijk. Het kenmerkende van de yogins is evenwel hun gerichtheid op éénwording van deze twee.



107. Ook het bewustzijn in de lichamen van anderen moet men beschouwen als van zichzelf. Wanneer de zorg voor het eigen lichaam is opgegeven wordt men spoedig aldoordringend.



108. Laat men het denken alle steunpunten ontnemen en er geen tweepolige gedachten meer op nahouden. Daarop, o gazel-ogige Godin, verschijnt Bhairava in de vorm van het allerhoogste Zelf.



109. Indien men zich intens indenkt :

'Ik bezit de eigenschappen van Shiva, ik ben de hoogste God die aldoordringend is en die alles maakt en alles weet', dan wordt men Shiva.



110. Zoals er zich golven vormen op het water, zoals vlammen ontspringen aan vuur en licht wordt uitgestraald door de zon, zo komen de golven van het universum uit mij, Bhairava, voort.



111. Wie zich met wervelende snelle aktie uitput tot het punt van neervallen, brengt de aktiviteit van zijn energie tot stilstand en verzinkt in de verheven staat.



112. Wanneer men geen kracht meer heeft of geen notie meer heeft van de omgeving of ook wanneer het denken ophoudt, dan ontstaat wanneer men doordringt tot de eigen energiebron en de mentale onrust een einde vindt, de stralende vorm van Bhairava.



113. O Godin, luister, ik zal je deze traditionele leer volledig openbaren. Wanneer men de blik op een bepaald punt fixeert, dan is dit voldoende om isolatie ten aanzien van de externe wereld tot stand te brengen.



114. Wanneer men de anus en oren gesloten heeft en mediteert over de resonantie zonder klinker of medeklinker dan gaat men op in het eeuwige Brahman.



115. Staande boven een groot gat of een put ontstaat, door in de diepte te kijken, de intuïtie die absoluut vrij is van tweepoligheid en verdwijnt op hetzelfde moment het denken.



116. Of het denken zich nu naar binnen - of naar buiten richt, altijd zal het gericht zijn op Shiva die immers aldoordringend is.



117. Telkens wanneer het bewustzijn van Hem die aldoordringend is zich door de zintuigen manifesteert ontstaat door deze eigenschap en dankzij de absorptie van het denken (in Hem) de essentie van gelukzaligheid.



118. Het begin of het einde van een nies, momenten van intense angst of zorg, het blikken in een afgrond, het ontvluchten van een slagveld, een opwelling van nieuwsgierigheid en het begin of einde van honger zijn geschikte momenten om bewust in kontakt te komen met Brahman.



119. Sta bij het zien van een bepaalde plaats toe dat het denken zich richt op opkomende herinneringen. Wanneer hierdoor de steunpunten die men zich in het eigen lichaam had gemaakt verdwijnen verschijnt Hij die over alles heerst.



120. De blik die aanvankelijk gericht is op één of ander objekt, moet daar langzaam van af worden gewend, totdat er alleen nog de gedachte is over het zojuist geziene objekt. O Godin, dan gat men als ook de gedachte oplost) in tot de Leegte.



121. Het intuïtieve dóórzicht, dat voortkomt uit de intense devotie van iemand die tot onthechting is gekomen is de energie van Shiva zelf. Zich altijd daar op richtend wordt men één met Shiva.



122. Tijdens het waarnemen van één bepaald objekt lost geleidelijk al het andere op in leegte. Door in gedachten te mediteren over deze leegte komt men, hoewel de kennis van het betreffende objekt blijft, tot rust.



123. Hetgeen als rein wordt gezien door onwetenden is vanuit het shivaïtiese standpunt (shambhudarshana) onrein. Het is niet rein want het is onrein. Alleen door vrij te worden van dualiteit wordt gelukzaligheid bereikt.



124. Het wezen van Bhairava is overal, zelfs in het alledaagse. Degene die denkt : 'Er is niets dat dit niet heeft', is op weg naar de non-dualiteit.



125. Wie de hoogste vervulling van God (Brahman) deelachtig is, is gelijk voor vriend en vijand en blijft onverstoorbaar onder eer of verwachting. Laat men, na dit te hebben ingezien, gelukkig worden.



126. Koester geen haat noch gehechtheid. Dan manifesteert zich in het midden, dat vrij is van haat en gehechtheid, God (Brahman).



127. Hetgeen men niet kan grijpen of begrijpen, dat wat leeg is en dat wat niet werkelijk bestaat, dat alles moet men zich voorstellen als Bhairava. Aan het eind van deze voorstelling wordt men de verlichting deelachtig.



128. Richt de aandacht op de externe ruimte die eeuwig, zonder vaste punten, leeg, aldoordringend en zonder aktie is om vervolgens te verzinken in dat wat achter de ruimte is.



129. Wanneer het denken zich op één of ander objekt richt, dan moet men op hetzelfde moment met deze gedachten het objekt weer verlaten. Door ervoor te zorgen dat het denken geen steunpunt vindt wordt men kalm.



130. Door het uiteindelijke licht (Bha) resoneert (rava) alles. Hij is 'allesgevend', 'aldoordringend'. Wie zo denkt en onafgebroken het woord 'Bhairava' uitspreekt wordt Shiva.



131. Bij de bevestiging 'ik ben','dit is van mij' enz. raakt het denken dat wat geen steunpunt behoeft. Door de impuls tot meditatie hierover wordt men rustig.



132. 'Eeuwig, alomtegenwoordig, nergens op steunend, aldoordringend, absoluut soeverein'. Door onafgebroken over de betekenis van deze woorden te mediteren bereikt men datgene waar deze woorden naar verwijzen.



133.+134. 'Het gehele universum is onwerkelijk zoals een magische toer en wat is nu de werkelijkheid van magie?'

Door hier sterke adhesie aan te geven verkrijgt men rust. Hoe kan er kennis os aktiviteit zijn voor het onveranderlijke Zelf ? Alle dingen die worden waargenomen zijn afhankelijk van kennis en daarom heeft de wereld geen onafhankelijk bestaan.



135. Voor mij bestaat er geen gebondenheid en evenmin bevrijding. Dit zijn immers schrikbeelden voor angstige mensen. Dit universum is een weerspiegeling in het denken zoals de weerkaatsing van het zonlicht op het water.



136. Alle ervaringen, aangename en onaangename, komen tot ons via de zintuigen. Wie zich van de zintuigen losmaakt is onafhankelijk en verblijft in het eigen Zelf.



137. Alle dingen worden geopenbaard door kennis en het Zelf openbaart zich door alle dingen. Door hun unieke aard blijken kennis en het gekende één te zijn.



138. Wanneer het denken (manas), het beperkte bewustzijn (cetana), de energie van de adem (Shakti) en het beperkte zelf (Atman) verdwenen zijn, o geliefde, dan is er de stralende verschijning van Bhairava.



139. Hiermee zijn in het kort 112 instrukties gegevens betreffende Hem die vrij is van golvingen, o Godin. Degene die ze kent heeft spirituele kennis.



140. Wie zich toelegt op één van de gegeven benaderingen wordt Bhairava zelf. Zijn woorden verwezenlijken zich in daden en hij kan vervloekingen en zegeningen brengen.



141.(23) O Godin, hij verouderd niet, hij sterft niet en krijgt de bovennatuurlijke krachten zoals het vermogen heel klein te worden. Als geliefde van de yogini is hij de leider bij al hun samenkomsten.



142.+143. Hoewel hij leeft en aktief is is hij bevrijd.

Daarop sprak de Godin :

Maar als dit de vorm van het allerhoogste is, O God, vertel mij dan almachtige Heer, wat betreft de volgende activiteiten die algemeen zijn :

Wie wordt toegesproken en wie spreekt (japa)?

Wie mediteert dan eigenlijk, o machtige beschermheer ?

Wie vereert dan en wie smaakt de voldoening van die verering ?

Wie brengt de offergaven en aan wie wordt geofferd ?

Wat wordt er geofferd en op welke wijze ?



144. Hierop sprak Bhairava :

O gazel-ogige Godin, deze activiteiten blijven op vlak van de materie en dringen niet door tot de kern.



145. Want die realisatie die in de hoogste staat steeds dieper wordt, dàt is 'japa'. Deze 'japa' die spontaan is en de essentie vormt van alle mystieke formules (mantra's) moet men beoefenen.



146. Een onwankelbaar intellekt, vormloos en zonder steunpunten, dat is meditatie, maar opgeroepen voorstellingen van het lichaam of bepaalde delen daarvan zoals het gezicht of de handen hebben niets met meditatie te maken.



147. Verering die zijn naam waard is bestaat niet uit het offeren van bloemen e.d. maar uit het intuïtieve doorzicht dat stevig is gevestigd in het aldoordringende bewustzijn dat vrij is van tweepoligheid, want deze verering staat gelijk met een niet te stuiten verzinking in Bhairava.



148. Wie zich wijdt aan één van de hier gegeven benaderingen wordt van dag tot dag meer vervuld en een oneindige vervulling is dan de voldoening (van degene die wordt vereerd).



149. Men offert de elementen, de zintuigen en de objekten van de zintuigen etc. samen met het denken in het vuur dat wordt gevormd door de uiteindelijke leegte. Dit is het ware offer waarbij het bewustzijn dienst doet als offerlepel.



150.+151. O allerhoogste Godin, de voldoening die als kenmerk gelukzaligheid heeft, dàt is hier het offer. Door alle onvolmaaktheden te elimineren en door alle wezens te beschermen komt de vereniging van Rudra en raudri tot stand. Dàt is het ware heiligdom en de allerhoogste realisatie, o Parvati. Hoe zou anders de verering van deze werkelijkheid zijn en wie zou er dan de voldoening van smaken ?



152. Het Zelf is in essentie autonomie, gelukzaligheid en bewustzijn. Wanneer het eigen beperkte zelf in die essentie ingaat, dan wordt dat 'ritueel bad' genoemd.



153.(24) Het transcendente-immanente Zelf dat de voldoening smaakt van verering met offergaven en degene die vereert zijn Eén. Wat blijft er over van de gangbare opvatting over verering ?

154.(25) Laat de in- en uitademing spontaan plaatsvinden. De opgerolde Shakti neemt dan weer haar oorspronkelijk verticale vorm aan. Zij is de grote Godin die zowel immanent als transcendent is en die kan worden beschouwd als het hoogste heiligdom.



155. Wie het opstijgen van deze energie volgt terwijl hij door deze rite die bestaat uit diepe gelukzaligheid in beslag wordt genomen zal, dankzij deze Godin, helemaal in haar opgenomen, Bhairava bereiken.



155.bis(26) Met de SA-klank wordt uitgeademd, met de HA-klank wordt ingeademd. Zo herhaalt ieder mens ononderbroken de mantra 'HAMSA', 'HAMSA'.



156. Eenentwintigduizendzeshonderd maal overdag en 's nachts is dit de voorgeschreven mantra van de Godin. Hij is gemakkelijk; slechts voor onwetenden lijkt hij moeilijk.



157.-160. O Godinne, hierhij heb ik dan deze ongeëvenaarde nectar die tot onsterfelijkheid leidt (amrita), de allerhoogste, aan jou overgedragen. Hij mag onder geen beding aan zo maar iemand worden doorgegeven, zoals aan een leerling die iets anders aanhangt, of aan iemand die boosaardig is of wreed of geen respekt heeft voor de guru(27). Maar aan intuïtieve mensen die hieraan niet twijfelen, aan helden en edele mensen, aan hen die de lijn der guru's eerbiedigen, aan deze mensen moet hij zonder aarzeling worden doorgegeven. Dorp, stad, streek, koninkrijk, zoon, vrouw, familie, alles wat je je kunt toeëigenen, dit alles moet volledig worden opgegeven, o dierbare met je gazelle-ogen. Waartoe dienen al deze tijdelijke dingen, o Godinne; alleen dit allerhoogste bezit is onvergankelijk.



161. Zelfs het leven moet worden opgegeven, maar niet deze allerhoogste nectar. Hierop sprak de stralende Godin :

O Heer, God de goden, nu ben ik geheel voldaan.



162. Nu herken ik met zekerheid de kwintessens van rudrayamala Tantra en nu zie ik ook intuïtief de bron (hridaya) van alle verschillende vormen van de Shakti.



163. Na deze woorden omhelsde de Godin, stralend van geluk, Shiva.


1. Er is een directe vertaling van sanskrit tekst gemaakt.

In deze sanskrit tekst worden achter elkaar twee versies gegeven, de eerste van Shivopadyaya en de tweede van Anandabhatta. Tenzij anders vermeld is de eerste versie aangehouden. De verschillen tussen de twee versie zijn overigens gering.

2. . Trika is èèn van de namen waarmee het Shivaïsme van Kashmir wordt aangeduid. Zoals de naam aangeeft is Trika een beschouwingswijze met triaden. Zo worden aan de werkelijkheid drie aspecten onderscheiden (trikabheda), die Shiva (God), Shakti (energie) en anu (individu) worden genoemd. Shiva en Shakti vormen een koppel. Ook aan dit koppel worden drie namen verbonden: Bhairava en Bhairavi, Rudra en Raudri (of rudrani) Shiva en Sakti. Rudrayamala betekent èènwording van Rudra en Raudri.

3. Deze oerenergie laten via drie nivo's (welke worden genoemd in vers 5) op het derde nivo de gedifferentieerde schepping ontstaan zoals wij die kennen. Deze oerenergieën zijn zowel in het lichaam als in het universum werkzaam (zie noot 4). Het gehele scheppingsgebeuren wordt wel voorgesteld als een emanatie van klanken {11, 12}. De oerenergieën worden wel voorgesteld als een reeks letters op de rand van een rad. In het midden van het rad is het onbeweeglijke middelpunt (God), waar alle energieën in rusten zoals de spaken van een wiel in de naaf.

4. De negendelige mantra wordt gegeven bij vers 42. De drie hoofden van de Godheid symboliseren de triade Shiva, Shakti en het individu. De drie leden van de drieledige energie worden genoemd in vers 5.

5. Met 'nadabindu' worden ervaringen van licht (bindu) en geluid (nada) aangeduid, die optreden bij het omhooggaan van de Shakti door de sushumna ter hoogte van het hoofd. Wanneer de Shakti het centrum tussen de wenkbrauwen (bhru) bereikt is er de ervaring van licht, dat verdwijnt als bhru wordt doorklieft (zie vers 36). Via de fase 'nirodhika' (zij die blokkeert) wordt dan de fase 'nada' bereikt, waarbij een geluid wordt gehoord dat wel 'anahata' (niet veroorzaakt door het tegen elkaar slaan van twee voorwerpen) wordt genoemd.

'Ardhachandra'(halve maan) is eveneens een fase van het opstijgen van de Shakti, die volgens vers 42 voorafgaat aan 'bindu'.

Met de anacka (konsonant zonder klinker) wordt hier de letter H (visarga) aangeduid die het symbool voor de Shakti is. De visarga bevat de kiemen van de oerenergieën van vers 2, welke tijdens het scheppingsproces uit haar vrijkomen. Daarom heerst zij over het rad van oerenergieën.

De visarga wordt geschreven als twee stippen boven elkaar, die de tweeledige activiteit van de Shakti (Godin) symboliseren :

Aan de objektkant projecteert zij het universum in de externe ruimte, terwijl zij aan de subjektkant het lichaam binnendringt (zij wordt dan wel Kundalini genoemd) en het mogelijk maakt via de zintuigen de geprojekteerde schepping te kennen en te benoemen met woorden. De beide stippen van de visarga worden evenwel ook gebruikt om de twee polen van de energie in het lichaam (prana en apana) te symboliseren.

6. Op het trancendente nivo (para-nivo) worden Shiva, Shakti en het individu één in het ongedifferentieerde bewustzijn. Dit wordt gerealiseerd wanneer de Godin in het bovenste cakra komt. Op dit nivo is er dus geen wereld met namen en vormen. Op het immanente nivo (het apara-nivo) zijn Shiva, Shakti en het individu schijnbaar gescheiden. Dit is de normale menselijke ervaring, waarbij de Godin rust in het onderste cakra. Op dit nivo wordt een wereld van namen en vormen ervaren. Het parapara nivo vormt de overgang tussen deze twee nivo's. Vers 30 beschrijft hoe bij het omhooggaan van de Godin de verschillende nivo's worden getrancendeerd. een meditatie hierover is beschreven in vers 56.

7. Tweepolige gedachten (vikalpa's) zijn gedachten die als polen een waarnemend subjekt en een waargenomen objekt hebben. Een objekt wordt hierbij waargenomen door het van al het andere te onderscheiden, vandaar de naam 'vikalpa'.

8. uddiyana- plus mula bandha

9. De Godin gaat in twaalf étappes omhoog, die volgens Lilian Silburn corresponderen met de fonemen A......H. Zoals de oerenergieën eens voorkwamen uit de visarga H worden zij daar tenslotte weer in opgenomen.

10. Het hart is een aanduiding van Bhairava, die immers van alles het hart vormt.

11. Bindu is het symbool voor Shiva en wordt verder vaak gebruikt om een concentratie van energie aan te geven. Bindu is ook een energiepunt in het centrum tussen de wenkbrauwen, dat vaak op het voorhoofd wordt gemarkeerd met de 'tilaka', een rode stip die wordt aangebracht met sandalhout.

Ook de stip boven een letter wordt gezet om aan te geven dat deze letter wordt gevolgd door een nasale M-klank (anusvara) wordt bindu genoemd.

12. Brahman = het Zelf, God. Het betreft hier dus weer 'nada' (zie noot 4).

13. De allerhoogste leegte is Bhairava; hij is leeg t.a.v. namen en vormen, maar vanuit zijn eigen standpunt is hij de volheid zelf. Deze allerhoogste leegte wordt wel aangeduid met het woord : 'shunyatishunya'. In {8} geeft lilian silburn een meditatie op de pranava AUM, die gepaard gaat met het omhoog gaan van de Godin door de sushumna, volgens de Svacchandatantra.

Boven de letter M vinden we de 'anunasika', die bestaat uit 'ardhacandra' (halve maan) en 'bindu' (stip). De ardhacandra duidt de nasale eindklank van de pranava aan. Bindu bevat de energie van de pranava in gecondenseerde vorm nadat deze is uitgesproken. (Zie ook noot 4 en vers 42).

14. Van dit vers is de versie van Anandabhatta vertaald. De negendelige mantra die genoemd werd in vers 3 is zo'n kompakte mantra. In {11} geeft André Padoux deze mantra volgens hoofdstuk 30 van de tantraloka van Abhinavagupta :

R.H.R.KSH.M.L.V.Y.UM.

'ardhendu' = ardha candra (halve maan)

'nadanta' = (letterlijk einde van nada) is de fase die volgt op 'nada'.

'shunya' betekent leegte. De laatste fase van de opstijgende Shakti waarbij het denken oplost (cittapralaya) en de Shakti waarbij het denken oplost (cittapralaya) en de Shakti één wordt met Shiva, wordt wel 'unmana' genoemd (niet mentaal). Deze uiteindelijke manier van zijn, waarbij Shiva en Shakti één zijn wordt ook wel Paramashiva genoemd.

15. Versie van anandabhatta.

16. Versie van Anandabhatta.

17. 'Vuur' betekent het 'seksuele vuur' aan het begin van het vrijen. 'Vergif slaat op de ontspanning die volgt op het vuur.

18. Wij volgen hier lilian silburn die de versie kiest zoals de wordt geciteerd in de 'mahathamanjari'.

19. Indriya : Een bepaald vermogen van het lichaam. Men onderscheidt 5 Jnanaendriya's (de vijf zintuigen) en 5 karmendriya's (organen waarmee men handelt), te weten keel-mond, handen, voeten, geslachtsorganen, en anus.

20. Met behulp van de Mayashakti versluiert Shiva uit vrije wil, bij wijze van spel, in een deel van zichzelf zijn ware ongebonden aard en verschijnt als een menigte beperkte individuen die leven in dualiteit (denken met tweepolige gedachten).

De mens is dus de gesluierde Shiva. De mayashakti heeft als tegenhanger de energie van de genade (anugrahashakti), waarmee Shiva het gesluierde deel van zichzelf weer ontsluiert.

Een yogin die alle nivo's achter zich heeft gelaten herkent zelfs in de beperkende energieën het spel van God (Shiva). De minder gevorderde yogins moeten in verzinking met gesloten ogen (nimilanasamashi) de wereld laten verdwijnen om de gelukzaligheid van de Ene te ervaren, maar de volledig gerealiseerde yogin ervaart in alles de gelukzaligheid van God (Shiva).

21. De drietand waarmee Shiva vaak wordt voorgesteld (zie vers 22) symboliseert de drie energieën waarmee hij op aarde aktief is : 1. De energie van willen-verlangen = icchashakti

2. de energie van kennis = jnanashakti

3. de energie van handelen = kriyashakti

Voorbeeld :

We ervaren een opkomend verlangen dat nog geen bepaalde vorm aanneemt (iccashakti). Vervolgens realiseren we ons wat we willen, bijvoorbeeld :'ik heb zin om een appel te eten'(jnanashkti). Vervolgens lopen we naar een appelboom (of fruitschaal), nemen een appel en eten hem op(kriyashakti).

Na het eten van het appeltje kunnen we, vooral als we door het eten van de appel voldaan zijn, even zonder verlangen, kennis en aktie zijn. We zijn dan alleen met twee intiemere energieën van bewustzijn (citshakti) en gelukzaligheid (anandashakti).

22. Versie van Anandabhatta.

23. In haar kommentaar bij de vatulanatha sutra vermeld lilian silburn dat de yogini de vergoddelijkte vermogens van de zintuigen van een groot yogin zijn.

24. 'Het Zelf zoekt zich Zelf'.

25. Zolang de Shakti niet gewekt is ligt zij opgerold in het onderste cakra.

26. In de versie van Shivopadyaya komt dit vers niet voor en in die van Anandabhatta maar voor de helft. Ksemaraja citeert dit vers samen met vers 156 in zijn kommentaar bij Shivasutra's {12}. Van beide verzen is deze versie vertaald.

27. Guru : spirituele leraar.