Een oude Upanishad is de Chandogya , die aanvangt met ingewikkelde mystieke bespiegelingen over de heilige syllabe om, de beroemdste mantra van het hindoeisme en het geheim van de hymnen (sama).

er zijn drie hoofdstukken in de upanishad





In Chand-Up. lezen we:

Er zijn drie soorten van plicht: het offer, studie, aalmoezen geven. Deze drie vormen te zamen de eerste strenge zelftucht. De tweede is het leerlingschap, terwijl men woont in het huis van een leraar. Zich voorgoed vestigen in het huis van een leraar is de derde.

Deze disciplines kunnen opgevat worden als de componenten van de vroege Upanishad-yoga , en inderdaad doken enkele ervan in de latere Yoga-Upanishaden weer op als geregelde oefeningen.

Het derde hoofdstuk spreekt van de intrigerende 'honingleer, madhu-tidya, een opmerkelijke esoterische 'kosmologie , waarop reeds in de Rgveda en Atharvaveda wordt gezinspeeld.

Waarlijk, de zon daarginds is de honing der goden. De hemel is de dwarsbalk; het middengebied is de honingraat. De lichtdeeltjes zijn het kroost.

Uit de verzen blijkt duidelijk, dat wat hier bedoeld wordt met de 'zon in werkelijkheid het Absolute is. 'Honing betekent de nektar van de onsterflijkheid. In hoofdstuk 3 is een uiteenzetting van de aard van de levenskracht, prana, en de vijf aspecten van deze prana worden de 'poortwachters van de hemelwereld genoemd waarmee zodoende kennis van pranayama wordt aangeduid. Prana, zegt men, is de grondslag van alle gemanifesteerde levensvormen, en wel speciaal van de zintuiglijke organen. De sleutel tot deze offermystiek

Waarlijk, een persoon is het offer.

Deze duistere leer wordt voor het eerst gemeld in de Atharva veda. De Chandogya-Upanishad schenkt ons een zeer duidelijk inzicht in de eerste fase, waar het offer werd 'verinnerlijkt waardoor de ontwikkeling van yoga binnen de kring van de arische orthodoxie mogelijk gemaakt werd.

Welnu, wat de mensen 'offer noemen is in werkelijkheid het ingetogen leven , brahmacarya (van een leerling); want alleen door het ingetogen leven [van de bestudeerder] van de heilige kennis, vindt hij die een kenner is, Dat [Allerhoogste Zijn].

In de Chandogya-Oepanishad staan twee welbekende paden in het hiernamaals beschreven. Het ene pad, het 'pad van de vaderen ,pitr-yana, voert naar de wereld van het voorgeslacht, en vandaar terug naar de wereld der mensen, in een nieuwe geboorte. Het andere pad, 'het pad der goden , deva-yana, leidt naar het rijk der goden en verder naar het Absolute, brahman, vanwaar men niet terugkeert. Het beginsel dat ten grondslag ligt aan deze samengestelde leer is dit: De handelingen van de mens hebben niet alleen hun onmiddellijke, waarneembare uitwerking, ze bepalen eveneens de aard van zijn leven in het hiernamaals en de aard van zijn eventuele nieuwe geboorte. Goede daden hebben een positieve staat in het hiernamaals tot vrucht. De beloning voor sleehte daden is dienovereenkomstig negatief.

Aangezien bepaalde daden niet vereffend kunnen worden in het hiernamaals, is iemand gedwongen herhaalde malen geboorte te ondergaan in het welbekende fysieke universum, in steeds weer nieuwe lichamen, hetzij menselijke of lager-dan menselijke. Dit is tenminste ruwweg een versie van de leer van wedergeboorte en karma , de fysieke wet van oorzaak en gevolg, geprojecteerd in het mentale of liever gezegd morele gebied. Naderhand werden er meer zorgvuldig uitgewerkte en verfijnde versies geintroduceerd.

Net zoals een bloedzuiger als hij aan het eind van een grashalm is gekomen, zich samentrekt voordat hij een andere grashalm benadert, zo trekt ook dit Zelf, nadat het lichaam afgeworpen en de onwetendheid verdreven is, Zichzelf samen, voordat het een nieuw lichaam benadert.