Isha Upanishad

Isha Upanishad bevat de Kennis van de Heer.

 

Inleiding

 

De Isha of Isa, wordt ook Isavasya Upanishad genoemd, heeft zijn naam gekregen van het openingswoord van de tekst Isavasya of Isa. Het behoord tot de Vajasaneyi school en de Yajur Veda. De Vajasaneyi Samhita bestaat uit veertig hoofdstukken en deze upanishad is het laatste. Zijn hoofddoel is de essentele vereniging van God en de wereld, Zijn en Worden, te onderwijzen. Zijn belangstelling is niet zozeer het Absolute in zichzelf, Parabrahman, als het Absolute is relatie tot zichzelf, Paramesvara. Het leert dat leven in de wereld en leven in het goddelijke niet onvereenigbaar zijn.



Ik heb hier een de woord voor woordvertaling, de sanskrit vertie, alsook drie nerderlandse vertalingen gegeven, voor u uit te maken wat er binnen u denksysteem past en (of) ze eventueel te verwerpen.



Shanti Mantra

OM PURNA MADAH PURNA MIDAM PURNAT

PURNA MUDATCHYATE

PURNASYA PURNA MADAYA PURNA MEVA VASHISHYATE

Aum, Dat is het Geheel, het Geheel is uit het Geheel voortgekomen als van het Geheel het Geheel wordt weggenomen, blijft het Geheel. Dat, de onzichtbare Basis- dit is het heelal.
Aum, Dat is volmaakt. Dit is volmaakt. Volmaakt komt van volmaakt. Trek volmaakt af van volmaakt, wat overblijft is volmaakt.

Moge vrede en vrede en vrede overal zijn.

 

Vers 1

Isavasyam idam sarvam

yat kinca jagatyam jagat

tena tyaktena bhunjitha

ma grdhah kasya svid dhanam

Isa - door de Heer; avasyam - bestuurd; idam - dit; sarvam - alles; yat - wat ook maar; kim - het (is); ca - en; jagatyam - in het universum; jagat - alles wat bezield of onbezield is. tena - door Hem; tyaktena - apart gezette hoeveelheid; bhunjitha - moet men aanvaarden; ma - niet; grdhah - gebruik maken van; kasya svid - wie toebehoord; dhanam - begeer.

Al wat aan verandering onderhevig is in deze kortstondige wereld wordt omvat door de onveranderlijke Heer. Stijg dus uit boven het vergankelijke en ervaar het geluk en de vreugde van het innerlijke. Begeer de rijkdom van een ander niet.

Alles wat leeft is vol van de Heer. Eis niets op; geniet van zijn bezit, doch begeer het niet.

Omhul met God al wat beweegt, in het bewegende heelal, dit te verzaken geeft genot, begeer eens anders weelde niet.

Vers 2

Kurvan eveha karmani

jijivisec chatam samah

evam tvayi nanyatheto sti

na karma lipyate nare

Kurvan - voortduren doen; eva - zo; iha - tijdens dit leven; karmani - werk; jijivisec - men moet willen leven; chatam -honderd; samah - jaren; evam - zo levend; tvayi - tot u; anyatha - alternatief; itah - van dit pad; asti - is; na - niet; karma - werk; lipyate - kan gebonden worden; nare - voor een mens.
Aldus handelend zou men in deze wereld moeten wensen 100 jaar te kunnen worden en daarbij aktief blijven deelnemen aan het leven. Alleen op die manier, en niet anders, kan de mens zich vrij maken van invloeden en van handelingen. Handelen is als een besmettelijke ziekte voor de mens.
Hoop vervolgens honderd jaar te leven en uw plicht te doen. Geen andere weg kan uw daden beletten u te binden, trots als ge zijt op uw menselijk leven.
Wie aldus daden hier bedrijft, kan wensen honderd jaar te leven zo - en niet anders - zal 't u gaan. Dan hangen u daden niet aan.

 

Vers 3

asurya nama te loka

andhena tamasavrtah

tams te pretyabhigacchanti

ye ke catma hano janah

asurya - bedoeld voor de asura's (niet goden) nama - door de naam; te - diegene; lokah - werelden; andhena - onwetendheid; tamasa - duisternis; avrtah - bedekt door; tan - daar; te - zij; pretya - na de dood; abhigacchanti - gaan binnen in; ye - wie dan ook; ke - iedereen; ca - en; atma hano -de doder van de ziel; janah - personen.
Zij die tijdens hun leven hun innerlijke Zelf hebben gedood zullen na hun dood belanden in de wereld van de Asuras. Deze werelden zijn gehuld in de blinde duisternis van onwetendheid.
Onverlicht zijn inderdaad de werelden bedekt door verblindende duisternis van onwetendheid. In deze dood verzinken zij die hun innerlijke Zelf hebben gedood.
Zij die het Zelf verloochenen, keren na hun dood terug tot een geboorte zonder god, blind en gehuld in duisternis.
Demonisch heten de werelden, met blinde duisternis bedekt. Daarheen gaan bij het sterven, al die doders zijn van het Zelf

 

Vers 4

anejad ekam manaso javiyo

nainad deva apnuvan purvam arsat

tad dhavato ‘nyan atyeti tisthat

tasminn apo matarisva dadhati

anejad - gevestigd; ekam - een; manash - meer dan geest; javiyah - snel; na - niet; enat - deze Opperheer; devan - de halfgoden als Indra enz.; apnuvan - kunnen naderen; purvam - de eerste van allen; arsat - iemand die alles weet; tat - dat; dhavatah - degene die hollen; anyan - anderen; atyeti - overtreft; tisthat - hoewel geplaatst; tasmin - op één plaats; apah - water; matarisva - de goden die lucht en regen beheersen; dadhati - uitvoeren.
Het Zelf is één en onbeweeglijk. Toch is het sneller dan het denken. Daarom kunnen uw zintuigen het niet bereiken. Ondanks zijn onbeweeglijkheid kan niets wat beweegt het inhalen. Door zijn tegenwoordigheid alleen, is de Cosmische energie in staat de aktiviteit der levende wezens in stand te houden.
Het Zelf is Eén. Onbeweeglijk, beweegt Het zich sneller dan de gedachte. De zintuigen achterhalen Het niet, want het Zelf snelt steeds voor hen uit. Niet-bewegend, ontvliedt Het zijn achtervolgers. Uit het Zelf komt de adem, die het leven van alle dingen is.
Onbeweeglijk is het Ene, vlugger dan denken. De zinnen raken Het niet. Het snelt hen vooruit. Stilstaande laat het alle renners achter. De windgod grondde er de oerwateren in

 

Vers 5

tad ejati tan naijati

tad dure tad vantike

tad antarasya sarvasya

tad u sarvasyasya bahyatah

tad - Deze opperheer; ejati - loopt; tat - hij; na - niet; ejati - loopt; tat - hij(is); dure - ver weg; tad - Hij (is); u - ook; antike - zeer dichtbij; tad - hij (is); antar - binnen; asya - hiervan; sarvasya - alles; tad - hij (is); u - ook; sarvasya - alles; asya - hiervan; bahyatah - uitwendig aan.
Het beweegt en tegelijkertijd beweegt Het niet. Het is veraf maar toch zo dichtbij. Het is terzelfdertijd in alles aanwezig en ook buiten alles.
Onbeweeglijk, beweegt Het; ver weg is Het en toch dichtbij; binnen in alles, buiten alles.
Bewegende is het en onbeweeglijk. Ver is het en toch nabij. Het is binnen in alles en het is buiten dit alles.

 

Vers 6

yas tu sarvani bhutany

atmany evanupasyati

sarva-bhutesu catmanam

tato na vijugupsate

yah - iemand; tu - maar; sarvani - alle; bhutany - levende wezens; atmani - in relatie tot de Heer; eva - slechts; anupasyati - neemt op geregelde wijze waar; sarva-bhutesu - in ieder levend wezen; ca - en; atmanam - de superziel; tatah - daarna; na - niet; vijugupsate - iemand haten.
De wijze mens die realiseert dat alle wezens niet verschillend zijn van zijn eigen Zelf, en die zijn eigen Zelf realiseert als het Zelf van alle wezens, die kan niemand meer haten dank zij dit inzicht. Voor deze verlichte is alles wat bestaat gevestigd in het Zelf.
Het is zeker, dat de mens, die alle schepselen in zichzelf, zichzelf in alle schepselen kan zien, geen droefheid kent.
Maar wie alle wezens hier Ziet als in het Zelf, en het Zelf weer in alle wezens, die schrikt daarvoor niet terug

 

Vers 7

yasmin sarvani bhutany

atmaivabhud vijanatah

tatra ko mohah kah soka

akatvam anupasyatah

yasmin - in de toestand; sarvani - alle; bhutani - levende wezens; atma - de geestelijke vonk; eva - slechts; abhud - wordt een feit; vijanatah - iemand die weet; tatra - daarin; kah - wat; mohah - illutie; sokah - bezorgdheid; ekatvam - van dezelfde hoedanigheid; anupasyatah - iemand die steeds zo ziet.
Welke begoocheling, welke zorg kan er dan nog zijn voor de wijze mens die de eenheid realiseert van alles wat bestaat, omdat hij al het bestaande ziet als zijn eigen Zelf.
Hoe kan een wijs mens, die de eenheid van bet leven kent en alle schepselen in zichzelf ziet, misleid of bedroefd zijn?
Voor wie alle wezens geworden zijn tot het eigen Zelf, welke waan, welk leed nog bevangt hem, die zo de eenheid aanschouwt?

 

Vers 8

sa paryagac chukram akayam avranam

asnaviram suddham apapa-viddham

kavir manisi paribhuh svayambhur

yathatathyato ‘rthan vyadadhac chasvatibhyah samabhyah

sa - die; paryagac - dient infeite te weten; chukram - de almachtige; akayam - onbelichaamd; avranam - geheel zonder blaam; asnaviram geheel zonder andere; suddham - rein; apapa-viddham - tegen besmetting beschermd; kavir - alwetend; manisi - filosoof; paribhuh - de grootste van alle; svayambhur - genoeg hebben aan zichzelf; yathatathyato - rechtvaardig in het naleven van; arthan - gewenste zaken; vyadadhac - toekent; chasvatibhyah - onheugelijk; samabhyah - tijd.
Hij die het AL doordringd en steunt op zichzelf is de ene. Hij is zonder lichaam, ongebonden, zonder smet en de zuiverheid zelve.
Het Zelf is overal, zonder lichaam, zonder vorm, heel, zuiver, wijs, alles wetend, verschijnend, zelfstandig, boven alles verheven, en in de eeuwige tijdloop wijst het iedere periode zijn eigen taak aan.
Hij omvangt alles, de lichtende, lichaamloze, smetteloos, spierloos, zuiver, ongeraakt door het kwaad, wijs, verstandig, alomvattend, zelfbestaande, alle dingen geeft hij hun plaats door de eeuwige tijdsruimten heen.

 

 

Vers 9

andham tamah pravisanti

ye ‘vidyam upaste

tato bhuya iva te tamo

ya u vidyayam ratah

andham - grove onwetendheid; tamah - duisternis; pravisanti - binnegaan is; ye - die; avidyam - onwetendheid; upaste - aanbidden; tatah - verder; bhuya - beschouwd; iva - als; te - die; tamah - duisternis; ye - die; u - ook; vidyayam - ontwikkelen van kennis; ratah - bezig met.
Hij is de AL-ziener, de AL-kenner, de AL-omvattende. Hij heeft alle verscheidenheid geharmoniseerd in het eeuwige NU.
Beschermer, Ziener, Alles-bestuurder, Bron des levens, Ondersteuner, verspil niet het licht, trek het licht samen, laat mij dat gezegende lichaam zien - Heer van alles, Ik zelf ben Hem.
In blinde duisternis gaan zij, die niet-weten huldigen; in blindere nog, die zich vermeien in weten.

 

Vers 10

anyad evahur vidyaya

anyad ahur avidyaya

iti susruma dhiranam

ye nas tad vicacaksire

anyad - verschillend; eva - zeker; ahur - gezegend; vidyaya - door kennis ontwikkeld; anyat - verschillend; ahur - gezegend; avidyaya - onwetendheid; iti - zo; susruma - gehoord; dhiranam - van de nuchteren; ye - die; nah - ons; tad - dat; vicacaksire - verklaard.
Hij die zich teveel toelegt op de kennis van de materie komt tot blinde duisternis. Ook hij die zich alleen maar concentreert op meditatie komt tot grote duisternis.
Indien ge al uw vertrouwen in vergankelijke kennis stelt, dan struikelt ge door de duisternis der blinden (onwetendheid). Indien ge al uw vertrouwen in geleerdheid stelt, dan struikelt ge door nog dieper duisternis.
Tot iets anders voert weten heen, tot iets anders niet-weten, zo hebben wij van de wijzen gehoord, die Het ons verkonden.

 

Vers 11

vidyam cavidyam ca yas

tad vedobhayam saha

avidyaya mrtyum tirtva

vidyayamrtam asnute

vidyam - werkelijke kennis; ca - en; avidyam - onwetendheid; ca - en; yah - iemand die; tad - dat; veda - weet; ubhayam - beide; saha - tegelijk; avidyaya - door de bevordering van onwetendheid; mrtyum - herhaalde dood; tirtva - trancendeerend; vidyaya - door de bevordering van kennis; amrtam - onsterfelijkheid; asnute - geniet.
Hij die zowel materie als meditatie kent, laat door te handelen in het leven de dood achter zich en door meditatie bereikt hij de onsterfelijkheid.
Zij die vergankelijke kennis en geleerdheid hebben en deze van elkaar kunnen onderscheiden, zullen door de eerste het vergankelijke veilig oversteken; zij zullen, uitstijgend boven de tweede, onsterfelijkheid bereiken.
Wie weten en niet-weten beiden tezamen kent, overschrijdt het niet-weten de dood, wint met weten onsterfelijkheid.

 

Vers 12

andham tamah pravisanti

ye ‘sambhutim upasate

tato bhuya iva te tamo

ya u sambhutyam ratah

andham - onwetendheid; tamah - duisternis; pravisanti - gaan binnen in; ye - die; asambhutim - halfgoden; upasate - aanbidden; tatah - meer dan dat; bhuyah - weer; iva - zoals; te - die; tamah - duisternis; ye - die; u - ook; sambhutyam - in het absolute; ratah - bezig met.
In een even grote duisternis komen zij die zich hechten aan de materie. Wie het absolute verafgod vervalt in blinde duisternis.
Indien ge al uw vertrouwen op het ongemanifesteerde (Inimanente) stelt, dan struikelt ge door de duisternis der blinden, indien ge al uw vertrouwen op het gemanifesteerde (Transcendente) stelt, dan struikelt ge door nog dieper duisternis.
In blinde duisternis gaan zij, die niet-worden huldigen; in blindere nog, die zich vermeien in worden

 

Vers 13

anyad evahuh sambhavad

anyad ahur asambhavat

iti susruma dhiranam

ye nas tad vicacaksire

anyad - verschillend; eva - zeker; ahuh - het wordt gezegd; sambhavad - door de opperheer; anyad - verschillend; ahur - het wordt gezegd; asambhavat - door te aanbidden wat niet het allerhoogste is; iti - zo susruma - ik heb gehoord; dhiranam - van de onverstoorbare autoriteiten; ye - die; nah - aan ons; tad - over dat onderwerp; vicacaksire - volmaakt verklaard.
Het onderzoek van de materie geeft een bepaald resultaat. Het onderzoek van het absolute leidt tot een totaal ander resultaat. Dat hebben we gehoord van de wijzen.
Vergankelijke kennis brengt het ene resultaat voort, geleerdheid een ander. Wij hebben dit uit de mond der wijzen gehoord, die het duidelijk hebben uitgelegd.
Anders is het dan oorsprong, anders dan niet-oorsprong. Zo hebben wij van de wijzen gehoord die het ons verkondden.

 

Vers 14

sambhutim ca vinasam ca

yas tad vedobhayam saha

vinasena mrtyum tirtva

sambhutyamrtam asnute

sambhutim - het eeuwige; ca - en; vinasam - en de tijdelijke stoffelijke openbaringen; ca - ook; yas - zoals ze; tad - dat; veda - weet; ubhayam - beide; saha - alsmede; vinasena - alles wat aan vernietiging onderhevig is; mrtyum - de dood; tirtva - overtreffend; sambhutya - in het eeuwige koninkrijk; amrtam - onsterfelijkheid; asnute - geniet.
Hij die zowel de materie als het absolute kent overwint de dood door materiele kennis en bereikt Hij onsterfelijkheid door de kennis van het Absolute.
Zij die het Gemanifesteerde en het Ongemanifesteerde (Transcendente en Immanente) kennen en het van elkaar kunnen onderscheiden, zullen door het eerste het vergankelijke veilig oversteken, zij zullen, uitstijgend boven het tweede, onsterfelijkheid bereiken.
Ontstaan en vergaan: wie beiden tezamen kent, overschrijdt met vergaan de dood, wint met ontstaan de onsterfelijkheid

 

Vers 15

Hiranmayena patrena

satyasyapihitam mukham

tat tvam pusann apavrnu

satya-dharmaya drstaye

Hiranmayena - door de lichtgloed; patrena door de verblindende verhulling; satyasya - van de allerhoogste waarheid; apihitam - bedekt; mukham - het gezicht; tat - die bedekking; tvam - u zelf; pusan - O instandhouder; apavrnu - wil wegnemen; satya - zuiver; dharmaya - voor de toegewijde; drstaye - om te tonen.
Door het gouden licht van de Zon is het gelaat van de realiteit verborgen. O Gij, die de Waarheid kan zien, waaraan ik mij wil toewijden.
Zij hebben een gouden stop in de hals van de fles gestoken, trek hem eruit, Heer! Laat de werkelijkheid naar buiten, want ik ben bereid de waarheid te volgen.
Met een gouden schaal is het gelaat der Waarheid toegedekt.O, ontdekt het, Alvoeder, Voor hem, die de Waarheid dient.

 

 

Vers 16

pusann ekarse yama surya prajapatya

vyuha rasmin samuha tejah

yatte rupam kalyanatamam tatte pasyami

yo ‘savasau purusah so ‘hamasmi

pusann - de instandhouder; ekarse - de oorspronkelijke filosoof; yama - het leidend beginsel; surya - de bestemming van Suri(grote toegewijde); prajapatya - (begunstiger van de Prajapati(verwekker van de mensheid); vyuha - wil regelen; rasmin - de stralen; samuha - opwikkelen; tejah - gloed; yat - dat; te - uw; rupam - gedaante; kalyanatamam - gunstig; tat - dat; te - uw; pasyami - ik moge zien; yah - iemand die; asau - dat; asau - dat; purusah - persoonlijkheid god; sah - hij; aham - mijzelf; asmi - ik ben.
Oh Heer van het licht die alles ordent en in stand houdt en die het firmament doorkruist. Oh Zon, gij afstammeling van de kosmische kracht die PRAJAPATI wordt genoemd, schuif uw stralen opzij en neem uw glans weg, zodat ik de meest verrukkelijke essentie mag aanschouwen. Het wezen dat in u is, DAT BEN IK.
 Leven, los u op in dat wat boven alle waarden verheven is, het eeuwige; lichaam verga tot as.
O, Alvoeder, enige Ziener, Rechter , Zon, Zoon van Prajapati, spreid uw stralen uiteen, houd uw lichtglansen in! Wat uw lieflijkste gedaante is, die neem ik nu waar. Die daar is, dat wezen , dat ben ik.

 

Vers 17

vayur anilam amrtam

athedam bhasmantam sariram

om krato smara krtam smara

krato smara krtam smara

vayuh - levensadem; anilam - de gezamelijke lucht; amrtam - onverwoestbaar; atha - nu; idam - dit; bhasmantam - na tot as zijn vergaan; sariram - lichaam; om - de heer; krato - die alle offers geniet; smara - wees zo goed te onthouden; krtam - alles wat ik gedaan heb; smara - wil onthouden; krato - de allerhoogste begunstigde; smara - wil onthouden; krtam - alles wat ik voor u heb gedaan; smara - wil onthouden;
Laat mijn adem zich verbinden met de Kosmische adem. Dan zal dit sterfelijk lichaam van mij vergaan tot stof. Herinner u, Oh bewustzijn - herinner u wat er ooit gebeurd is.
Menselijke geest! Mediteer over de eeuwige Brahman, herinner u uw voorbije daden, Menselijke geest! Herinner u uw voorbije daden! Herinner u, geest! Herinner u.
 Nu wordt mijn adem tot de onsterfelijke wind en mijn lichaam verga tot as ! Aum!0, geest! herinner, herinner de daad 0, geest! herinner, herinner de daad.

 

Vers 18

agne naya supatharaye asman

visvani deva vayunani vidvan

yuyodhy asmaj juhuranam eno

bhuyistham te nama-uktim vidhema

agne - o mijn heer (vuurgod); naya -wil mij leiden; supatha - op het rechte pad; raye - o almachtige; asman ons allen; visvani - alles omvattend; deva - o mijn heer; vayunani - alle akties; vidvan - hij die weet; yuyodhy - bevrijd me van; asmat - onszelf; juhuranam - alle hinderpalen op de weg; enas - alle slechtheden; bhuyistham - op de grond gevallen; te - tot u; namah - van eerbetuigen; uktim - woorden; vidhema - handel ik.
Oh Agni (god van het vuur) toon ons het juiste pad zodat we de vruchten kunnen plukken van onze daden. Leidt ons naar de eeuwige vrijheid - Gij die alles kent en weet, laat ons niet afdwalen van het doel, en met alle devotie zullen we ons aan u overgeven.
 Heilig Licht! Laat uw licht op de weg schijnen, opdat wij het goede dat wij geplant hebben, mogen vergaren.
Zijn onze daden u niet bekend? Laat niet toe dat wij in duisternis blijven, wij die neerknielen en ons aan u onderwerpen.
O, Agni, veer ons langs effen baan tot voorspoed , Gij, God, die al mijn wegen kent. Houd ver van ons het bochtig pad der zonde, geven wij u allerhoogste eer!

 

EINDE

Dit is de upanishad.



    Kontakteer  Yoga@pandora.be met vragen en comentaren over deze Site.
    Copyright 1998, Frans Moens. All rights reserved.