Text: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32 33, 34,

IV. Kaivalya Pada

 

Kaivalya betekent absolute onafhankelijkheid, emancipatie.

 

Vers 1.

De Siddhis (krachten) kunnen worden verworven door geboorte, chemische middelen, Mantras, Tapas (Versterving) en Samadhi (III 3).

 

Vers 2.

De verandering van één soort (Jati) in een andere is het gevolg van het in vervalling gaan van de natuur.

 

Vers 3.

Akties (goede en slechte) zijn niet de rechtstreekse oorzaken van deze evolutie, maar verwijderen de hindernissen ervoor, zoals een boer (die de sluis naar het rijstveld opent, zodat het water naar beneden stroomt uit zichzelf).

 

Vers 4.

Het ego is de oorzaak van de geschapen Chittas.

 

Vers 5.

Verschillende Chittas ondernemen verschillende aktiviteiten, maar al deze worden gekontroleerd door één oorspronkelijke Chitta.

 

Vers 6.

Van deze is de Chitta die uit Dhyana (III 2) komt vrij van alle begeerten.

 

Vers 7.

De akties van de Yogi zijn zuiver noch onzuiver. De Karmas van anderen zijn zuiver, onzuiver of gemengd.

 

Vers 8.

Deze (zuivere, onzuivere of gemengde Karmas) verwekken mentale neigingen volgens hun aard.

 

Vers 9.

Er zit een lijn in de Samskaras, die niet wordt teniet gedaan door soort, plaats en tijd, omdat er een vereenzelviging is tussen de Samskara en het gebeugen.

 

Vers 10.

Aangezien de begeerte naar het geluk altijd bestaan heeft, zijn de begeerten zonder begin.

 

Vers 11.

 Zij kunnen alleen bestaan als deze vier faktoren er zijn:

 1. hun oorzaak (de kleshas, II 3),

 2. hun vrucht (wedergeboorte, levensduur, vreugde en pijn enz.),

 3. hun verblijfplaats (Chitta),

 4. hun basis (de objekten).

 

Vers 12.

Verleden en toekomst bestaan beide in het objekt, maar verschillen in vorm en uitdrukking volgens de tijd.

 

Vers 13.

Ze zijn gemanifesteert of subtiel volgens de aard van de Goenas.

 

Vers 14.

Daar er eenheid is in hun werking (d.i. van de Goenas), is er ook eenheid in alle dingen.

 

Vers 15.

Het objekt is één en hetzelfde, maar wordt anders waargenomen omdat de Chittas Verschillen.

 

Vers 16.

Het objekt van de waarneming hangt niet af van één geest. Want wat zou in dat geval zijn bestaan bewijzen?

 

Vers 17.

Een objekt wordt gekend of niet gekend door de geest als hij het al of niet kan reproduceren als een mentaal beeld.

 

Vers 18.

Daar de Kenner, de Heer van de geest, onveranderlijk is, worden de Chittavrittis (I 2 en volgende) erdoor gekend.

 

Vers 19.

De geest is niet zelflichtend aangezien hij een objekt is.

 

Vers 20.

Hij kan beide (het objekt en zichzelf) niet terzelfder tijd kennen.

 

Vers 21.

Als wordt aangenomen dat er een tweede geest is als waarnemer van de eerste geest, dan zou dat leiden tot een oneindige regressie en verwarring van het geheugen.

 

Vers 22.

Het Zuiver Bewustzijn is onveranderlijk. Door zijn weerspiegeling in de geest schijnt deze bewust te zijn.

 

Vers 23.

De geest weerspiegelt zowel de Ziener als het geziene (objekten) en kan dus alles begrijpen.

 

Vers 24.

Alhoewel de geest gevuld is met ontelbare Vasana's (begeerten) bestaat hij voor een ander (Purusha), omdat hij samengesteld is.

 

Vers 25.

De begeerte en het Zelf te kennen verdwijnt als men het onderscheidingsvermogen bezit om het verschil te zien tussen het Zelf en de geest.

 

Vers 26.

Een geest met Viveka (onderscheidingsvermogen) is de voorloper van Vairagya (onthechting).

 

Vers 27.

Door de Samskaras (indrukken) uit het verleden wordt zelfs deze toestand van Viveka gestoord door verstrooiïngen.

 

Vers 28.

Deze moeten worden overwonnen op dezelfde manier als de Kleshas (II 10 en 11).

 

Vers 29.

De Yogi die zelfs onthecht is van het onderscheidingsvermogen blijft in een ononderbroken toestand van Viveka en verwerft daardoor de Dharmamegha Samadhi.

 

Vers 30.

Dan stoppen de Klesha- en Karmavrittis (I 2 en volgende en II 3).

 

Vers 31.

Als de kennis vrij wordt van alle sluiers en onzuiverheden, wordt ze oneindig en worden alle objekten onbetekenend.

 

Vers 32.

Dan, omdat de Gunas hun funkties vervuld hebben (Bhoga, II 13 en kennis van de Purusha of Zelf), stopt ook de volgorde van hun veranderingen.

 

Vers 33.

De volgorde omvat de veranderingen in verband met momenten en wordt maar begrepen op het einde (van de reeks momenten). De Yogi kent alles in een flits.

 

Vers 34.

Aangezien de Gunas geen funkties meer te vervullen hebben, gaan ze terug naar hun bron. Dit is Kaivalya of het vaststaan van het Zelf in zijn eigen toestand van Zuiver Bewustzijn.