Katha Upanishad

Deel 1.



Vers 1 (29)

Verlangend (naar de beloning in de hemel) schonk, naar men zegt, Vajastava, al zijn bezittingen weg (bij het Visvajit-offer). Hij had een zoon, Nasiketa geheten.

Vers 2 (29)

Toen de geschenken gebracht werden (om verdeeld te worden) werd Nasiketa, hoewel nog heel jong, vervuld van sraddha (de geest van waarheid) en hij dacht (bij zichzelf) na.

Vers 3 (29)

Vreugdeloos, voorwaar, zijn de werelden waarheen de mens gaat, die koeien geeft als deze - koeien, die alleen maar water drinken, hooi eten, geen melk geven en niet meer zullen werpen.

Vers 4 (29)

Hij sprak tot zijn vader : "Vader, aan wie geeft u mij ? " Tot tweemaal, driemaal toe zei hij dit tot hem. "Aan mrtyu (de dood) geef ik jou", (antwoorde de vader toornig).

Vers 5 (29)

Ga ik soms als eerste van de velen; ga ik soms temidden van de velen ? Welk werk zal door Yama verricht worden door mij aan hem te geven ?

Vers 6 (29)

Bedenk hoe de mensen in de oudheid zich gedroegen; zie ook hoe de mensen van nu het doen. De sterveling rijpt (en valt) als het koren, en net als het koren wordt hij opnieuw geboren.

Vers 7 (29)

Als het vuur betreedt een Brahmana (heilige) gast de woningen. Zij (de huisvaders, gezinshoofden) brengen hem tot bedaren met het (welbekende) vredesoffer. Breng water, Vaivasvata (Yama).

Vers 8 (29)

Hoop en verwachting, de vruchten van omgang met goede mensen, de verdienste van innemende en weldadige woorden, van religieuze handelingen en filantropische werken, kinderen en vee, al deze dingen worden vernietigd ingeval een brahmaan vertoeft in de woning van een dwaas zonder dat deze hem voedsel verstrekt.

Vers 9 (29)

O heilige, kies daar gij, vereerde gast, drie nachten in mijn woning hebt doorgebracht zonder voedsel, daarom drie geschenken. Ik breng u nederig mijn groet, o heilige, en moge alles met mij ook goed zijn.

Vers 10 (29)

O Dood, als eertse van de drie zegeningen kies ik, dat Gautama (mijn vader) blij te moede en vrij van ongerustheid en toorn mag zijn; en dat hij mij zal (h)erkennen en welkom heten, als ik door u teruggezonden ben.

Vers 11 (29)

Ik verordineer, dat Auddalakir Aruni (Gautama) u zal (h)erkennen wanneer hij u ziet, nadat ge bevrijd zijt uit de greep van de dood; en uw vader zal tegenover u zijn als tevoren; (ook) zal hij 's nachts vredig slapen en vrij zijn van toorn.

Vers 12 (29)

In de hemel bestaat geen vrees; want gij zijt daar niet (O, Dood); en men is er ook niet bang voor de oude dag; in die hemelwereld kent men de vreugde, daar men over honger en dorst heen is en alle smart te boven gekomen is.

Vers 13 (29)

Gij, o Dood, Kent dat vuur (offervuur), dat ten hemel leidt; leer mij, die vervuld is van vast vertrouwen dat (offer). Wie in de hemel zijn, zijn onsterfelijk (naar ik vernomen heb). Dit kies ik als mijn tweede gunst.

Vers 14 (29)

Het vuur (offer) zeer wel kennen, o Nasiketa, dat naar de hemel voert, deel ik u mede - leer dit van mij. Weet, dat dit het middel is om de wereld van het oneindige (de hemel) te bereiken, die deze wereld schraagt en in stand houdt, en dat het verborgen is in het hart (van hen die de Vedas Kennen).

Vers 15 (29)

Toen verklaarde hij (Yama) hem dat Vuur, dat de oorsprong is van de wereld en ook welk soort bakstenen en hoeveel (ervan) benodigd waren (voor het altaar), en hoe (het offervuur moest onstoken worden). En hij (Nasiketa) van zijn kant, herhaalde alles zoals het hem uitgelegd was, en hierover zeer tevreden, zei Yama hierop :

Vers 16 (29)

De edelaardige (Yama), die hiermee zeer ingenomen was, zei tot hem (Nasiketa) : Hier en nu schenk ik u nog een extra gunst : voortaan zal dit vuur (offer) uw naam dragen; en neem bovendien deze veelkleurige bloemslinger aan.

Vers 17 (29)

Iemand die driemaal het Nasiketa offer verricht heeft en zich heeft verenigd met de drie (namelijk de leringen van de moeder, de vader en de leraar) en die ook de drievoudige plicht is nagekomen (het bestuderen van de vedas, het verrichten der riten, het geven van aalmoezen) trancendeert (de cyclus van) geboorte en dood; en nu hij die aanbiddelijke, alwetende, en luisterrijke (Godheid van het Vuur) uit het Brahman voortgespoten, heeft leren kennen, gaat hij in tot de allerhoogste vrede.

Vers 18 (29)

De verstandige mens, verricht als hij de drie (details omtrent de bakstenen) heeft leren kennen, de Nasiketa-rite driemaal; hij ervaart de vreugde in de hemelwereld vrij van smart, nadat hij de slavernij aan de dood heeft teniet gedaan, en zulks nog voordat zijn lichaam vergaat.

Vers 19 (29)

Dit O Nasiketa, is uw Vuur, dat ten hemel voert, en dat door u als tweede gunst gekozen is. De mensen zullen dit Vuur slechts bij uw naam noemen; kies nu, o Nasiketa, uw derde gunst.

Vers 20 (29)

Als een mens sterft, bestaat er deze twijfel : sommigen zeggen dat hij leeft, anderen zeggen dat hij niet leeft. Door u onderricht zou ik dit graag willen weten. Van de (verleende) gunsten is dit mijn derde (wens).

Vers 21 (29)

Over dit onderwerp; koesteren zelfs de goden twijfel in langvervlogen tijden; uiterst subtiel is dit onderwerp en moeilijk te vatten. Kies, Nasiketa, daarom een andere gunst; dring niet bij mij aan; bespaar me dit.

Vers 22 (29)

O Dood, gij zegt naar waarheid dat zelfs de goden hierover twijfel koesteren en dat het niet gemakkelijk te vatten is; maar er is geen andere leraar, die u ervaart, en ik vind geen enkele gunst aan deze gelijkwaardig.

Vers 23 (29)

Kies zonen en kleinzonen, die honderd jaar oud worden, veel vee, olifanten, paarden, en veel goud; kies een onmetelijk gebied op aarde; en blijf zelf net zo lang leven als je zelf wilt.

Vers 24 (29)

Vraag wat je maar wilt, dat hieraan gelijk is, zoals bijvoorbeeld rijkdom en een lang leven. Wees een heerser op deze uigestrekte aarde, o Nasiketa. Ik zal maken dat je alle vreugde geniet.

Vers 25 (29)

Vraag alle genietingen, die moeilijk te verkrijgen zijn in deze wereld van het vergankelijke; vraag alles zoals jij verkiest; schone jonkvrouwen, rijtuigen, muziekintrumenten - dit soort zijn voor de mensen niet te verkrijgen; laten deze, door mij aan jou geschonken dingen je vergezellen; maar, Nasiketa, stel me geen vragen over de dood.

Vers 26 (29)

Al deze (genietingen die ge hebt opgesomd) zijn vergankelijk, o dood; ook putten ze de kracht an alle zintuiglijke organen van de sterveling uit. Bovendien is (vanuit de eeuwigheid bekeken) alle (aardse) leven (kort of lang) slechts gering (van duur). Houd uw strijdwagen, uw dans en gezang maar voor uzelf.

Vers 27 (29)

De mens is nooit tevreden te stellen met rijkdom. Wanneer we u gezien hebben, zullen we dan nog rijkdom aannemen ? Zullen we even lang leven als gij zult heersen ?

Vers 28 (29)

Welke mens, die hier beneden op aarde leeft en zelf onderworpen is aan verouderen en de dood, kan wanneer hij de leeftijdlozen en onsterflijken heeft benaderd en kennis heeft (van meer waardevolle zegeningen die van hem te verkrijgen zijn) dan nog uitbundig blij zijn met een langdurig leven, nadat hij van nabij de genietingen van dansen en zingen grondig doorvorst heeft.

Vers 29 (29)

Vertel ons, o Dood, over dat verheven thema van het hiernamaals, waarover de mensen deze twijfel koesteren. Nasiketa zal geen andere gunst kiezen dan deze, die zo diep en geheimzinnig is.

EINDE HOOFSTUK 1