Katha Upanishad
|
Deel 2.
Vers 1 (25)
Sreya, het goede is één ding, en volkomen anders, voorwaar, is preya het aangename. Hoewel zij tot verschillende doeleinden voeren, houden ze beide de mens in boeien. Het goede overkomt hem, die het goede aanvaardt, maar wie het aangename kiest, mist het doel.
Vers 2 (25)
Zowel sreya als preya komen tot de mens; de dhira, de wijze mens, maakt, als hij ze onderzocht heeft, onderschijd ertussen. De wijze mens stelt zeer zeker sreya boven preya; maar de dwaze mens kiest preya uit door zijn liefde tot gewin en gehechtheid.
Vers 3 (25)
Gij, o Nasiketa hebt na zorgvuldig beraad al die dierbare en aantrekkelijke objecten der begeerte, die binnen uw bereik lagen, opgegeven. Gij hebt u niet begeven op deze weg van (dwaze voorliefde voor) rijkdom, waarin vele mensen verdrinken.
Vers 4 (25)
Ver uiteen en tot een verschillend doel leidend liggen deze twee, onwetendheid en wat men kennis noemt. Ik beschouw u o Nasiketa als een discipel op weg naar kennis, aangezien het vooruitzicht op zoveel genot u niet van uw stuk kon brengen.
Vers 5 (25)
Dwazen, troevend in hun onwetendheid maar zich verbeeldend dat ze wijs en geleerd zijn, gaan al maar rond, wankelend her en der, net als blinden, die door een blinde worden geleid.
Vers 6 (25)
De waarheid van het hiernamaals straalt niet voor dat kind (die kinderachtige persoon) die geen aandacht schenkt en bedrogen wordt door de begoochling van rijkdom. Deze wereld (waargenomen door de zintuigen) is en er is geen andere - aldus denkende, valt hij steeds weer opnieuw in mijn greep.
Vers 7 (25)
Zelfs hierover te horen is voor velen niet weggelegd; velen, die het gehoord hebben, kunnen het desondanks niet vatten. Wonderbaarlijk is de leraar (die het Atman onderricht) en even talentvol is de leerling (die het Atman leert) Wonderbaarlijk inderdaad is hij, die wanneer het hem geleerd is door een talentvolle leraar, het begrijpt.
Vers 8 (25)
Dit (Atman) kan nooit goed begrepen worden, indien het door een lager, minder iemand wordt onderricht, zelfs al wordt het op allerlei wijzen overdacht. Tenzij het onderricht wordt door een ander (die namelijk zijn eenheid met het Atman heeft gerealiseerd), is er geen mogelijk (het te realiseren) Ijler dan het ijlste is Het en voorbij alle tarka of logische beredenering.
Vers 9 (25)
Dit (geestelijk) begrip, dat gij hebt gekregen, Nasiketa, kan men niet door logisch beredeneren verkrijgen, het wordt gemakkelijk te begrijpen, geliefde (leerling) als het door een ander wordt onderricht (die de eenheid heeft ervaren). Ge hebt waarlijk uw wil onder één juk gebracht met de waarheid. Moge het ons gegeven zijn een weetgierige te ontmoeten zoals gij!
Vers 10 (25)
Ik weet, dat (alle) rijkdom vergankelijk is, voorwaar het eeuwige wordt nooit bereikt door vergankelijke dingen; toch heb ik het nasiketa offer gebracht met de vergankelijke objecten en (daarmee) heb ik het eeuwige verkregen.
Vers 11 (25)
Dat gezien hebbend, wat de volledige vevulling is van alle verlangens, de steunpilaar van het heelal, vrucht zonder einde van alle heilige riten, de oever van onbevreesdheid, het meest aanbiddelijke, grootste, verheven verblijfplaats en steun van het leven, hebt gij, Nasiketa, daar ge intelligent en moedig zijt, vastberaden van de hand gewezen.
Vers 12 (25)
De dhira (wijze mens) laat vreugde en smart varen, als hij door meditatie op het innerlijke Zelf, tot realisatie komt van die Aloude, Stalende, Ene, moeilijk om te zien te krijgen, diep daarbinnen, verborgen in de ervaring, gezeteld in de holte van het hart en verblijvend in het lichaam.
Vers 13 (25)
De sterflijke mens is verheugd, daar hij deze subtiele waarheid, de ziel van Dharma, vernomen en goed begrepen heeft, deze gerealiseerd heeft na juiste onderscheidingen na bereikt te hebben wat waarlijk het gelukzalige is, Ik beschouw het huis (der waarheid) als wijdgeopend voor Nasiketa.
Vers 14 (25)
Als gij de realiteit van deze beschrijving, die uitgaat boven de bevatting van alle relatieve ervaring, ziet en als ge die kent, zeg mij die dan.
Vers 15 (25
)
Het doel dat alle Vedas verkondigen, dat alle boetedoeningen verklaren, en dat de mensen die het verlangen, het leven doet leiden van bramacarya, dat doel, zeg ik u in het kort : het is OM.
Vers 16 (25)
Deze syllabe, voorwaar, is Brahman; deze syllabe, voorwaar, is het allerhoogste. Als men deze syllabe kent, verkrijgt men al wat men verlangt.
Vers 17 (25)
Deze steun is de beste, deze steun is de verhevenste; deze steun kennend wordt men geeerd in de wereld van Brahman.
Vers 18 (25)
De mens met onderscheidingsvermogen (weet dat hij) niet is geboren en dat hij ook niet sterft; hij is niet door iets, wat ook, tot aanzijn gekomen,ook is niets door hem tot aanzijn gekomen. Dit zelf van de mens is ongeboren, eeuwig, en zeer oud, het gaat niet teniet, als het lichaam teniet gaat.
Vers 19 (25)
Als de doder meent, dat hij (iemand) doodt en de gedode denkt, dat hij gedood is, weten ze geen van beiden dat Het (het zelf) niet doodt en ook niet, dat Het niet gedood wordt.
Vers 20 (25)
Het Atman dat kleiner is dan het kleinste (het atoom) en groter dan het grootste (het heelal) is immer aanwezig in het hart van dit schepsel. Wie vrij is van (slavernij) aan begeerte, realiseert de heerlijkheid van het Atman door de zuiverheid en het transparante van de zinnen en het denkvermogen en (daardoor raakt hij) vrij van smart.
Vers 21 (25)
Hoewel onbeweeglijk stil gezeten, trekt hij ver heen, hoewel neerliggende, trekt hij overal heen. Wie behalve Ikzelf, kan die lichtende Werkelijkheid kennen, die blij en niet-blij maakt?
Vers 22 (25)
Het Atman realiserend als het onlichamelijke is de belichaamden, het Onvergankelijke in alle veranderlijke entiteiten, Oneindig en allesdoordringend, treurt de Wijze mens niet.
Vers 23 (25)
Dit Atman kan men niet bereiken door studie van de heilige geschriften en ook niet door een scherp verstand en evnmin door veel te horen. Het wordt bereikt (ervaren) door hem die Het verkiest; aan hem openbaart het Atman Zijn eigen (ware) wezen.
Vers 24 (25)
Niemand, die slecht gedrag niet heeft opgegeven, die zichzelf niet beheerst, die niet meditatief is, en evenmin iemand die niet vredig van hart is, kan Dit (Atman) bereiken, zelfs al had hij kennis.
Vers 25 (25)
Waar het Brahma en de Kshatra het voedsel zijn, en de dood alleen maar het zout van de inmaak is (ter aanvulling), hoe kan iemand, daar hij zo is, dan Zijn verblijfplaats kennen.
EINDE HOOFSTUK 2
Kontakteer
Yoga@pandora.be
met vragen en comentaren over deze Site.
Copyright 1998, Frans Moens. All rights reserved.