Katha Upanishad

Deel 4.



Vers 1 (15)

De door Zichzelf-bestaande Heer schiep de zintuiglijke organen (met inbegrip van het verstand) met het gebrek van een neiging naar de buitenwereld; daarom neemt (de mens) de dingen waar in de buitenwereld, maar het innerlijke Zelf (neemt hij niet waar). Een zekere wijze (dhira), die verlangend was naar de onsterfelijkheid, wendde zijn zinnen (met inbegrip van zijn verstand) naar binnen en hij realiseerde het Zelf.

Vers 2 (15)

Kinderen (d.w.z. mensen met een ongerijpt verstand) jagen de genietingen in de buitenwereld na en (aldus) vallen ze in de door de dood gespannen valstrikken. De wijzen (dhiras), daarentegen, die het eeuwige onsterfelijke hebben gerealiseerd, hunkeren niet naar de vergankelijke dingen hier (in deze wereld van het betrekkelijke).

Vers 3 (15)

Dat waardoor de mens kennis verkrijgt van vorm, smaak, geur, geluiden en de seksuele contacten is alleen maar Dat. Wat blijft hier over (dat niet gekend wordt door Dat ?) Dit is wezenlijk Dat.

Vers 4 (15)

Heeft de dhira dat grote, allesdoordringende Atman, waardoor men getuige is van alle objecten in de droomtoestand en in het waakbewuste, gerealiseerd, dan treurt hij niet langer.

Vers 5 (15)

Hij, die dit Atman kent, de genieter van honing (de vruchten van handeling), die het leven in stand houdt, steeds nabij is, en de Heer is over verleden en toekomst, haat daarom niemand. Dit voorwaar is Dat.

Vers 6 (15)

Hij, die geboren is uit tapas (de strenge verzaking door kennis) in den beginne (namelijke van de schepping), geboren (zelf) voor de wateren (de oerelementen) en die toeft in het hart, waarin hij binnengegaan is, vindt men levend tussen de oerelementen van de materie. Dit voorwaar is Dat.

Vers 7 (15)

Aditi, het zelf van de cosmische krachten, die zich manifesteerde in de vorm van Prana (cosmische energie) die in het hart toeft, waarin zij is binnengegaan, tussen de oerelementen van de materie. Dit voorwaar is Dat.

Vers 8 (15)

Zoals het ongeboren kind goed behoed wordt door de zwangere moeder, zo wordt agni (cosmische energie) huizend in de twee aranis (stukken hout, waarmee het rituele vuur werdt aangelegd) elke dag bij het ontwaken aanbeden door de mensen en hun offer priesters. Dit voorwaar is Dat.

Vers 9 (15)

Dat waaruit de zon opkomt en waarin ze weer ondergaat, Dat waarin alle cosmische krachten gezeteld zijn, Dat voorwaar, kan niemand te boven gaan. Dit voorwaar is Dat.

Vers 10 (15)

Al wat hier is, is daar; wat daar is, is op zijn beurt hier. Hij, die het "hier" ziet als iets verschillend van "daar", gaat van dood tot dood (of van geboorte tot geboorte).

Vers 11 (15)

Slechts door het verstand moet en kan dit begrepen worden, dat er geen verschil is hier. Hij, die het "hier" ziet als iets verschillend van "daar", gaat van dood tot dood (of van geboorte tot geboorte).

Vers 12 (15)

Purusha (het Zelf), de groote en omvang van de duim hebbend, huist in het lichaam; (Hij is) de Heer van verleden en toekomst; (heeft men Hem gerealiseerd) dan heeft men voortaan geen angst meer. Voorwaar Dit is Dat.

Vers 13 (15)

Purusha (het Zelf), de grootte en omvang van de duim hebbend, is als een licht zonder rook. (Hij is) de heer van verleden en toekomst. Hij is voorwaar dezelfde, heden en morgen. Dit voorwaar is Dat.

Vers 14 (15)

Zoals regenwater, vallend op een hoge bergtop, langs alle kanten naar omlaag stroomt, zo snelt iemand, die de schepselen als van elkaar verschillend ziet, achter hen aan in hun afzonderlijke vormen.

Vers 15 (15)

Zoals zuiver water in zuiver water gegoten, zuiver blijft, zo is het ook met het Atman (Zelf) van de muni (de wijze), O Gautama, die (de eenheid van Atman) kent.

EINDE HOOFSTUK 4