Katha Upanishad
|
Deel 6.
Vers 1 (18)
Deze eeuwige asvattha (boom des levens) heeft zijn wortels daarboven en zijn takken hier beneden, Dat, voorwaar, is het zuivere, Dat is het Brahman, alleen Dat wordt het onsterfelijke genoemd. In "DAT" stoelen al de werelden, en niemand, voorwaar, gaat Dat ooit te boven. Dit voorwaar, is Dat.
Vers 2 (18)
Het ganse heelal, alles wat hier bestaat, ontspringt aan en trilt in prana (cosmische energie) (Het is) het grootste angstwekkende (gelijk) de omhooggerichte bliksemstraal. Zij, die dit weten, komen tot onsterfelijkheid.
Vers 3 (18)
Uit vrees voor Hem brandt het vuur, uit vrees (voor Hem) geeft de zon hitte, en uit vrees (voor Hem) gaan Indra (de Heer der Goden), vayu (lucht, wind) en mrtyu (de dood), als vijfde, over tot hun respectievelijke functies.
Vers 4 (18)
Als iemand (Brahman) hier (in deze wereld) kan realiseren, voordat het lichaam ten onder gaat, (bewerkstelligd hij zijn ware levensvervulling). (Maar lukt het hem niet), dan moet hij noodgedwongen (wederom) een lichaam aannemen in de wereld van manifestatie.
Vers 5 (18)
(Men realiseert Brahman) in zijn eigen zelf net zoals (men zichzelf ziet) in een spiegel, in de wereld van de pitrs (de geesten der overledenen) in een droom, in de wereld der gandharvas al (weerspiegeld) in het water, (en) in de wereld van Brahma (het cosmisch bewustzijn) als licht en schaduw.
Vers 6 (18)
De wijze mens treurt niet, wetende dat de zintuigelijke organen, die afzonderlijk tevoorschijn gebracht worden en die ontstaan en vergaan, anders zijn (dan zijn Zelf).
Vers 7 (18)
Verhevener dan de zintuiglijke organen is manas (denkwerkzaamheid), voortreffelijker dan manas is buddhi (de rede), hoger dan buddhi, de rede, is mahat (cosmische bewustzijn), voortreffelijker dan mahat is avyata (de ongedifferentieërde natuur).
Vers 8 (18)
Verhevener dan zelfs avyakta is Purusha (het Zelf), alles en allen doordringend en geheel en al zonder enige kenmerkende eigenschap; Hem kennende wordt ieder schepsel bevrijd en gaat het tot de onsterfelijkheid.
Vers 9 (18)
Zijn vorm is niet in het gezichtsveld, niemand kan Hem met de ogen zien. Hij openbaart zich in (de grot van) het hart door middel van manas (het denken) dat volledig beheerst wordt door buddhi (de rede). Zij, die dit realiseren, worden zich bewust van hun onsterfelijkheid.
Vers 10 (18)
Als de vijf zintuiglijke organen van kennis tesamen met manas bedaard blijven, en zelfs buddhi niet reageert dan is dat de verhevenste staat, zo zeggen de wijzen.
Vers 11 (18)
Zij (de wijzen) beschouwen dat als yoga : de gestadige beheersing van de zintuiglijke organen; de yogi moet dan waakzaam, alert, zijn, want yoga (vereniging met het Werkelijke) kan verkregen worden en verloren gaan.
Vers 12 (18)
(Het Atman) kan nooit bereikt worden, zelfs niet door de spraak, of manas of door de ogen (en de andere zintuigelijke organen). Hoe zou Het ooit gerealiseerd kunnen worden dan via diegenen, die zeggen, dat Het bestaat ?
Vers 13 (18)
Van deze twee (visies op het Werkelijke als existentie en non-existentie) moet het Werkelijke slechts gerealiseerd worden als existentie. De ware aard van het werkelijke wordt slechts hem geopenbaard, die Het als existentie realiseert.
Vers 14 (18)
Wanneer alle begeerten (verlangens) die in het hart leven, teniet gedaan zijn, wordt de sterflijke mens onsterflijk en realiseert hij het Brahman hier (nog tijdens dit leven).
Vers 15 (18)
Als hier (nog in dit leven) al de knopen van het hart losgemaakt zijn, dan wordt de sterflijke mens onsterflijk - dit is op zichzelf alleen al de lering (van de gehele Vedanta ).
Vers 16 (18)
Er zijn honderd en één kanalen (zenuwen) van het hart; hiervan strekt één zich uit naar de kruin van het hoofd. Als hij hierlangs omhooggaat (bij het overlijden) komt de mens tot de onsterflijkheid; (verlaat hij het lichaam) via andere, dan voert dit tot verschillende vormen van hergeboorte.
Vers 17 (18)
Purusha, het innerlijke Zelf, zo groot als de omvang van de duim, verblijft immer in het hart van de levende wezens. Men moet Hem (leren) (onder)scheiden van zijn eigen lichaam, met onwankelbare moed. Zoals men een spichtig trekt uit een grashalm. Hem moet men (leren) kennen als de stralende, lichtende, onsterlijke, ja, als de stralendlichtende, als de onsterflijke.
Vers 18 (18)
Van dit onderricht van Mrtyu (de Dood, i.e. Yama) deze kennis verkrijgend (omtrent het Atman) en de gehele yoga-dicipline, werd Nasiketas vrij van alle onzuiverheden en van de dood en kwam hij tot het Brahman. En dat zal ieder ander ook bereiken, die aldus het Brahman realiseert als zijn eigen innerlijk Zelf.
EINDE HOOFSTUK 6
Kontakteer
Yoga@pandora.be
met vragen en comentaren over deze Site.
Copyright 1998, Frans Moens. All rights reserved.