Kena-upanishad



(Sama-Veda)









Invocatie



Spraak, ogen, oren, ledematen, leven, energie, komt mij te hulp! Deze boeken hebben Brahman tot onderwerp. Ik zal Brahman nooit verloochenen, noch zal Brahman mij verloochenen. Laat mij één zijn met Brahman, verenigd. Wanneer ik één ben met Brahman, mogen dan de wetten, die deze boeken verkondigen, in mij leven, mogen de wetten leven.



Hoofdstuk 1



De onderzoeker vroeg: 'Wat heeft mijn geest op jacht doen gaan? Wat heeft mijn leven doen beginnen? Wat beweegt mijn tong? Welke God heeft mij oog en oor geopend?'



De leermeester antwoordde: 'Het leeft in alles wat leeft, Het hoort door het oor, denkt door de geest, spreekt door de tong, ziet door het oog. De wijze mens hecht zich noch aan dit noch aan dat, hij stijgt uit boven de zinnen en bereikt het onsterfelijke leven.



'Het oog, de tong, kunnen Het niet benaderen, noch kan de menselijke geest Het kennen; daar wij niet weten, kunnen wij de onderzoeker niet tevreden stellen. Het ligt buiten het bekende, buiten het onbekende. Wij weten het door hen die het van de traditie vernomen en verklaard hebben.



'Wat de tong doet spreken, doch geen tong nodig heeft om zich uit te drukken, dat alleen is Brahman; niet wat de wereld in beroering brengt.



'Wat de geest doet denken, doch geen geest nodig heeft om te denken, dat alleen is Brahman; niet wat de wereld in beroering brengt.



'Wat het oog doet zien, doch geen oog nodig heeft om te zien, dat alleen is Brahman; niet wat de wereld in beroering brengt.



'Wat het oor doet horen, doch geen oor nodig heeft om te horen, dat alleen is Brahman; niet wat de wereld in beroering brengt.



Wat het leven doet leven, doch geen leven nodig heeft om te leven, dat alleen is Brahman; niet wat de wereld in beroering brengt.'





Hoofdstuk 2

'Indien ge denkt dat ge veel weet, dan weet ge weinig. Indien ge denkt dat ge Het kent door uw eigen geest of door de natuur te onderzoeken, onderzoek dan nog eens.



De onderzoeker zeide: 'ik denk niet dat ik veel weet; ik zeg noch dat ik weet, noch dat ik niet weet.'



De leermeester antwoordde: 'De mens die er aanspraak op maakt dat hij weet, weet niets; doch wie nergens aanspraak op maakt, weet. 'Wie zegt dat hij Het niet kent, weet; wie er aanspraak op maakt dat hij weet, weet niets. De onwetenden denken dat Het binnen het bereik van de kennis ligt; de wijze mens kent Het boven en buiten de kennis.



'Het wordt niet gekend dan door openbaring. Het leidt tot onsterfelijkheid. Het leidt tot macht. Openbaring is de overwinning van de dood.



'De levende mens die Het vindt, vindt de Waarheid. Doch indien hij faalt, zakt hij af tot lagere vormen. De mens die het Ware in ieder schepsel kan zien, bereikt het onsterfelijke leven.'







Hoofdstuk 3

Eens op een keer vatte Brahman het plan op, de goden een grote overwinning te doen behalen. De goden sloegen zich op de borst; ofschoon Brahman hun overwinning beraamd had, dachten zij dat zij dit alles gedaan hadden.



Brahman zag hun ijdelheid en verscheen. Zij konden het niet begrijpen. Zij zeiden: 'Wie is die geheimzinnige Persoon?'



Zij zeiden tot het Vuur (Agni): 'Vuur! ga uitvinden wie die geheimzinnige Persoon is.'

bekende dat hij niet kon uitvinden wie die geheimzinnige Persoon was.



Het Vuur snelde erheen. Brahman vroeg wie hij was. Het Vuur zeide: '1k ben het Vuur; de kenner van al het geborene.'



Toen vroeg Hij weer: 'Wat kunt ge doen?' Het Vuur zeide: '1k kan alles op deze wereld verbranden, wat het ook is.'



'Verbrand dit dan,' zei Hij, terwijl Hij een strootje op de grond legde. Het Vuur wierp zich op het strootje, doch kon het niet verbranden. Toen snelde het Vuur ijlings terug naar de goden en bekende, dat het niet kon uitvinden wie die geheimzinnige Persoon was.



Toen vroegen de Goden aan de Lucht (Vayu) om toch uit te vinden wie die geheimzinnige Persoon was.



De Lucht snelde erheen en Brahman vroeg wie hij was. De Lucht zei: 'ik ben de Lucht; ik ben de levenskracht.'



Hij vroeg: 'Wat kunt ge doen?' en de Lucht zei: 'ik kan alles op de wereld wegblazen, wat het ook is.'



'Blaas dit dan weg,' zei Hij en legde een strootje op de grond. De Lucht wierp zich uit alle macht op het strootje, doch kon het niet van zijn plaats krijgen. Toen snelde de Lucht ijlings terug naar de goden en bekende, dat het niet kon uitvinden wie die geheimzinnige Persoon was.

Toen gingen de goden naar Indra (Geest) en vroegen hem om uit te vinden wie die geheimzinnige Persoon was. Indra snelde erheen doch Hij verdween ogenblikkelijk.



Toen verscheen dat beeldschone meisje, Uma, de godin van de wijsheid, aan het firmament, zij die de dochter is van de besneeuwde Himalaya. Indra ging naar haar toe en vroeg wie die geheimzinnige Persoon was.



Hoofdstuk 4



De Godin zeide: 'Dat is Brahman, door uw overwinning dankzij Brahman bereikte ge uw grootheid. Prijs de grootheid van Brahman.' Toen wist Indra, dat de geheimzinnige Persoon niemand anders dan Brahman was.



En zo verkreeg van deze goden Indra de oppermacht. Hij kwam door de hulp van Uma het dichtst bij Brahman en was de eerste die die Persoon Brahman noemde.



Indra staat boven Vuur en Lucht, omdat hij er dichter bij kwam dan zij en de eerste was die die Persoon Brahman noemde.



Hier is een vergelijking en haar uitleg: in de bliksem, in het licht van het oog, behoort het Licht tot Brahman.



Hier is nog een vergelijking: in de geest, in de herinnering, behoort de kracht tot Brahman. Dat is het denken van de geest over Brahman.



Brahman is het goede, het waardevolle in alles. Brahman is alle eer waardig. Degene die Hem als het goede kent, wordt zelf door allen geacht.



Ge hebt mij naar verborgen kennis gevraagd en die heb ik u uitgelegd.



Soberheid, zelfbeheersing, plichtsbetrachting, zijn het fundament van die kennis; de Veda's zijn haar tehuis, de waarheid is haar altaar.



Wie dit weet, zal de overhand hebben op alle kwaad, hij zal het eeuwige Licht genieten, ja, voor eeuwig zal hij het eeuwige licht genieten.

Dit is de upanishad.