Text: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55,

II Sadhana Pada

 

Sadhana betekent: inspanning, spirituele oefeningen.

 

Vers 1.

Versterving (Tapas), studie (Svadhyaya) en overgave aan God (Ishvarapranidhan) is kriya Yoga.

 

Vers 2.

Kriya Yoga leidt tot Samadhi en verdrijft alle Kleshas (aandoeningen).

 

Vers 3.

Onwetendheid (Avidya), egoisme (Asmita), aantrekking (raga), afstoting (Dvesha), levenshonger (Abhinivesha) zijn de kleshas.

 

Vers 4.

Avidya is de oorzaak (Kshetram of veld) van de andere vier, die bestaan in

1. een sluimerende vorm (Prasupta)

2. als spoor of overblijfsel (Tanu),

3. onder kontrole (Vichchinna)

4. volledig ontwikkeld (Udaravam).

 

Vers 5.

Het vergankelijke (Anitya) houden voor het onvergankelijke (Nitya), het onzuivere (Asuci) voor bet zuivere (Suci), het pijnlijke (Dukha) voor het aangename (Sukha) en het niet-Zelf (Anatma) voor bet Zelf (Atma) is Avidya.

 

Vers 6.

Asmita is dat waardoor het Bewustzijn (Drkshakti) zich vereenzelvigt met dat wat het Bewustzijn weerspiegelt (Darshanashakti).

 

Vers 7.

Raga is dat wat verwijlt op plezier.

 

Vers 8.

Dvesha is dat wat verwijlt op pijn.

 

Vers 9.

Abhinivesha vloeit door zijn eigen kracht en is zelfs inherent in de wijze.

 

Vers 10.

Deze kunnen worden vernietigd als ze worden teruggebracht tot hun subtiele vorm (Sukshma), door tegenovergestelde veranderingen op te zoeken. (Suksma: subtiele of spoorvorm (II 4).

 

Vers 11.

De Vrittis kunnen worden overwonnen door meditatie.

 

Vers 12.

Alle Karmas waarvan de Kleshas de wortel (Mula) zijn, dragen vrucht in dit leven of volgende levens.

 

Vers 13.

Zolang de oorzaak (Mula) bestaat heeft ze geboorte (Jati), leven (Ayu) en plezier en pijn (Bhoga) tot gevolg.

 

Vers 14.

Deze geven de vruchten van geluk en lijden, omdat ze de mens aanzetten tot goede en slechte daden.

 

Vers 15.

Voor de mens met onderscheidingsvermogen (Viveka) is alles lijden, omdat er de Parinama Dukha (lijden dat ontstaat uit genot), de Tapa Dukha (lijden door de onmogelijkheid genoten genot te herhalen) en de Samskara Dukha (lijden door het niet vevuld zijn van begeerten en de eruitvolgende inspanningen) in verborgen zijn en omwille van de wisselwerking van de Gunas (I 16).

 

Vers 16.

Het lijden dat nog moet komen kan worden vermeden.

 

Vers 17.

De oorzaak van wat te vermijden is, is de vereenzelviging (Samyoga) van de Ziener met het geziene.

 

Vers 18.

Het geziene (Drishyam) is samengesteld uit Prakasha, Kriya, Sthiti, elementen en zintuigen en bestaat opdat de Ziener het kan ervaren en worden bevrijd.

 

Vers 19.

De Goenas manifesteren zich in vier toestanden: grof (Visesha), subtiel (Avisesha), primair (Lingamatra) en ongeëvolueerd (Alinga) (I 45).

 

Vers 20.

De Ziener bestaat als Zuiver Bewustzijn (Drishimatra), maar schijnt de veranderende toestanden van de geest aan te nemen, ofschoon Hij onveranderlijk is.

 

Vers 21.

Het heelal bestaat alleen voor Hem.

 

Vers 22.

De objektieve werkelijkheid van het heelal wordt onwerkelijk voor degene die zijn doel heeft bereikt, maar houdt niet op werkelijk te zijn voor andere wezens.

 

Vers 23.

De reden van vereenzelviging (Samyoga) van de Purusha (Svamishakti) en Prakriti (Svashakti) is de realisatie van hun ware aard.

 

Vers 24.

De oorzaak van die vereenzelviging is onwetendheid (Avidva).

 

Vers 25.

Als de onwetendheid wordt vernietigd verdwijnt ook de Samyoga. Dat is het doel. Het is Kaivalya (IV 34).

 

Vers 26.

Het middel tot dat doel is ononderbroken diskriminatie (Vivekakhyati).

 

Vers 27.

Zijn kennis gaat door zeven stadia.

 

Vers 28.

Het licht van de kennis (Jnanadipte) dat schijnt ten gevolge van bet verdwijnen van de onzuiverheden door voortdurend met geloof de Yogatreden (Yogangas) te beoefenen, brengt Vivekakhyati.

 

Vers 29.

Yama, Niyama, Asana, Pranayama, Pratyahara, Dharana, Dhyana en Samadhi zijn de acht Yogatreden.

 

Vers 30.

Ahimsa ,Satya, Asteya, Brahmacharya, Aparigraha zijn de Yamas.

 

Vers 31.

Yama is niet afhankelijk van ras, plaats en tijd. Het is een uniVersele gelofte.

 

Vers 32.

Shaucha, Santosha, Tapas, Svadhyaya en Isvarapranidhan zijn de Niyamas.

 

Vers 33.

Ongewenste gedachten (Vitarkas) moeten worden bestreden door tegenovergestelde gedachten aan te kweken (Pratipaksha Bhavana).

 

Vers 34.

Himsa (geweld) enz. (I 30: Vitarkas zijn gedachten en daden die tegengesteld zijn aan de Yamas) zijn Vitarkas (ongewenste gedachten en daden), die worden gesteld door onszelf (Krita), door anderen met ons als oorzaak (Karita) en door anderen met onze goedkeuring (Anumodita). Ze worden gemotiveerd door hebzucht (Lobha), toorn (Krodha) en zelfzucht (Moha). Ze zijn mild (Mridoe), matig (Madhya) of extreem (Abhimatra) en leiden tot lijden (Dukha) en onwetendbeid (Ajnana). Dit altijd onthouden is Pratipaksha Bhavana.

 

Vers 35.

Door standvastigbeid in Ahimsa bereikt de Yogi dat alle wezens in zijn nabijbeid hun gevoelens van vijandigheid verliezen.

 

Vers 36.

Door standvastigheid in Satya verwerft de Yogi de vruchten van goede daden.

 

Vers 37.

Door standvastigheid in Asteya wordt bij de bezitter van alle weelde.

 

Vers 38.

Door standvastigbeid in Brahmacharya verwerft hij spirituele energie.

 

Vers 39.

Door standvastigbeid in Aparigraha verwerft bij kennis van zijn vorige levens.

 

Vers 40.

Door standvastigheid in Shaucha verwerft hij ongehechtheid voor zijn eigen lichaam en voor associatie met andermans lichaam.

 

Vers 41.

Ook verwerft zo'n Yogi zuiverbeid van hart (Sattvashuddhi), blijmoedigheid (Saumanasya), eenpuntigbeid van geest (Ekagrata), meesterschap over de zintuigen (Indriya Jaya) en Zelfkennis (Atmadarshana).

 

Vers 42.

Door Santosha verwerft hij het hoogste geluk.

 

Vers 43.

Door Tapas worden alle onzuiverheden verwijderd en komen er in het lichaam en de zintuigen speciale krachten of Siddhis.

 

Vers 44.

Door Svadhyaya heeft bij kommunie met zijn Ishta Devata.

 

Vers 45.

Door Ishvarapranidhana bereikt bij Samadhi.

 

Vers 46.

De Asana (zithouding) moet vast (Sthira) en aangenaam (Sukham) zijn (Sthirasukhamasanam).

 

Vers 47.

De Asana wordt vervolmaakt door de natuurlijke neiging (tot rusteloosbeid) te beheersen en door meditatie (Samapatti) op de oneindigheid (Ananta).

 

Vers 48.

Dit bevrijdt van de invloed van tegengestelden (Dvandvas).

 

Vers 49.

Daarna moet men Pranayama beoefenen door de beweging van de inademing (Shvasa) en uitademing (Prashvasa) te beheersen.

 

Vers 50.

De adem wordt lang of kort ingehouden, met lege of met volle longen en geregeld volgens plaats, tijd en aantal.

 

Vers 51.

In de vierde soort van Pranayama (Chaturtha) stopt de adem niet na een inademing of een uitademing.

 

Vers 52.

Dan wordt de bedekking (Avarana) van het innerlijk licht (Prakasha) weggenomen.

 

Vers 53.

De geest (manas) wordt dan geschikt voor koncentratie (Dharana).

 

Vers 54.

Pratyahara is de toestand waarin de zinnen zich niet meer vereenzelvigen met hun voorwerpen en als het ware de aard van de Chitta (geest) nabootsen.

 

Vers 55.

Dan volgt de volledige beheersing over de zinnen.