Text: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51,

 

1. Samadhi Pada

 

Dit hoofdstuk zou men kunnen noemen: het hoofdstuk dat handelt over het éénzijn (Sama: samen met) met de grond van de dingen (Adhi: het eerste beginsel).

 

Vers 1.

Nu een uiteenzetting over Yoga.

 

Vers 2.

Yoga-chitta-vritti-nirodha

Yoga is het beheersen van de Chitta Vrittis (golven van de geest).

 

Vers 3.

Dan rust de Ziener (Drashta) in zichzelf.

 

Vers 4.

Anders vereenzelvigt hij zich met de Vrittis.

 

Vers 5.

Er zijn vijf soorten Vrittis, pijnlijke en niet-pijnlijks.

 

Vers 6.

Pramana (juiste kennis) Viparyaya (valse kennis), Vikalpa (inbeelding), Nidra (slaap), Smriti (geheugen).

 

Vers 7.

(Er zijn drie bronnen van) juiste kennis: rechtstreekse waarneming (pratyaksa) afleiding (Anumana) en verklaringen van de schriften (agama).

 

Vers 8.

Verkeerde kennis is kennis die geen verband houdt met de aard van het voorwerp.

 

Vers 9.

Inbeelding is de notie die gebaseerd is op woorden alleen, die geen overeenstemend voorwerp hebben.

 

Vers 10.

Slaap is de Vritti die de uiterlijke wereld verbergt.

 

Vers 11.

Geheugen is vroegere ervaringen terugbrengen op het niveau van het bewustzijn.

 

Vers 12.

De Vrittis kunnen worden beheerst door oefening (Abhyasa) en onthechting (Vairagya).

 

Vers 13.

Abhyasa is de vastberaden inspanning om mentale disciplines te volgen om de Vrittis te beheersen.

 

Vers 14.

Abbyasa wordt stevig gevestigd na lange oefening met geloof en blijgezindheid.

 

Vers 15.

Vairagya is de toestand van de geest, die volledig vrij is van de begeerte naar voorwerpen, die werden ervaren of waarover werd gehoord.

 

Vers 16.

Als men door Zelfkennis (Purushakhyate) vrij wordt van begeerten, die het gevolg zijn van de wisselwerking van de Goenas, is dat de hoogste onthechting (Para Vairagya).

 

Vers 17.

Samprajnata Samadhi of konkrete meditatie heeft vier stadia: Vitarka (met ondervraging), Vicara (met onderzoek), Ananda (op zaligheid), Asmita (op ikheid).

 

Vers 18.

De andere soort van Samadhi (Asamprajnata) is die waarin door Para Vairagya en de voortdurende beoefening ervan, de beweging van de Vrittis is gestopt, maar het residu van de Samskaras (Samskara Sesha: residu van de ervaring van Para Vairagya) blijft.

 

Vers 19.

Voor degenen die Videha (zonder lichaamsbewustzijn) of Prakritilaya (opgegaan in de natuur) hebben bereikt, is Asamprajnata Samadhi mogelijk door geboorte.

 

Vers 20.

Door andere Yogis wordt sukses bereikt door geloof (Sraddha), kracht (Virya), geheugen (Smriti), Samadhi en intuitie (Prajna).

 

Vers 21.

Sukses is gemakkelijk te bereiken voor hen die intensieve inspanningen doen.

 

Vers 22.

De intensiteit van de inspanning is mild, matig of intens. De resultaten stemmen daamee overeen.

 

Vers 23.

De hoogste meditatie kan worden bereikt door overgave aan God (Ishvarapranidhan).

 

Vers 24.

Ishvara is het Opperwezen (Purushavisesa) dat vrij is van Kleshas (II 3) en Karmas (II 12), hun resultaten en residu.

 

Vers 25.

Hij kan door niets worden overtroffen en is de wortel van alle kennis.

 

Vers 26.

Onbegrensd door de tijd is Hij de Guru van de allereerste Gurus.

 

Vers 27.

Zijn naam is OM (Pranava).

 

Vers 28.

Ishvarapranidhan is Japa (herhaling) van OM, met meditatie op de betekenis ervan.

 

Vers 29.

Daardoor verwerft men de kennis van het aldoordringend bewustzijn en worden de hindernissen vernietigd.

 

Vers 30.

Ziekte (vyadhi), loomheid (Styana), twijfel (Samsaya), laksheid in de oefening (Pramada), luiheid (Alasya), verlangen naar zingenot (Avirati), verkeerd inzicht (Bhrantidarshana), falen om het juiste stadium te bereiken (Alabdhabhumikatva) en falen om het bereikte stadium te behouden (Anavasthitatva) zijn de verstrooiingen van de Chitta (Vikshepa) of hindernissen.

 

Vers 31.

Deze rusteloosheid van de geest (Vikshepa) gaat gepaard met lijden, neerslachtigheid, het beven van het lichaam en een onregelmatige ademhaling.

 

Vers 32.

Deze kunnen worden voorkomen door koncentratie op één enkel element (Tattva).

 

Vers 33.

Kalmte en vrede (Prasadanam) van geest kunnen worden verworven door het kultiveren van vriendschap (Maitrie) voor de gelukkigen (Sukha), medelijden (karuna) met de ongelukkigen (Duhkha), vreugde (Mudita) em de deugdzamen (Punya) en onverschilligheid (Upekshanam) jegens de boosdoeners (Apunya).

 

Vers 34.

Of door krachtig uit te ademen en de longen leeg te houden.

 

Vers 35.

Ook de ervaring van bovenzintuiglijke waarnemingen verdiept de koncentratie.

 

Vers 36.

Of door de geest te vestigen op dat wat zonder zorgen (Vishoka) en vol van licht is (Jyotishmatie).

 

Vers 37.

Of door de geest te vestigen op degenen die zonder gehechtheid (Raga) zijn.

 

Vers 38.

Of door hem te vestigen op een droomervaring of de diepe slaap.

 

Vers 39.

Of door meditatie op een symbool naar keuze.

 

Vers 40.

Zo'n Yogi kan zich koncentreren op ieder voorwerp, van het allerkleinste tot het oneindig grote.

 

Vers 41.

Als de Vrittis stil zijn wordt de geest zuiver als kristal en bereikt gelijkheid met het voorwerp, zijn waarnemer en de zintuigen. Dit is Samapattih (bewuste meditatie).

 

Vers 42.

De Samapattih waarin de geest bewust blijft van naam, eigenschappen en kennis (Shabdarthajnana) van het objekt wordt Savitarka genoemd (I 17)

 

Vers 43.

Als het geheugen oplost (zonder naam, eigenschappen en kennis van het objekt) en de geest gelijkheid met het objekt verwerft, zodat alleen het objekt overblijft wordt dat Nirvitarka genoemd.

 

Vers 44.

Als het objekt subtiel is, wordt de Samadhi Savichara en Nirvichara genoemd, onderscheiden op dezelfde manier.

 

Vers 45.

Achter al deze subtiele essenties (Suksma Vishayatvam) is Alinga (het tekenloze of ongemanifesteerde of Mulaprakriti of oermaterie) (II 18 en 19).

 

Vers 46.

Deze worden Sabija Samadhi genoemd.

 

Vers 47.

In de zuiverheid van Nirvichara wordt spirituele zaligheid ervaren (Adhyatma Prasadah; Prasadah: vol van zaligheid).

 

Vers 48.

In die toestand wordt de kennis (Prajna) van de Yogi verzadigd van waarheid.

 

Vers 49.

Kennis verworven door studie van de schriften of door afleiding (I 7) verschilt van de kennis verworven in deze toestand, omdat hij voorbij al deze gaat.

Vers 50.

De samskaras (onderbewuste indrukken) van die toestand vagen alle andere Samskaras uit.

Vers 51.

Als ook de Samskaras van die toestand worden uitgevaagd (Nirodha) wordt de Nirbija (zaadloze) Samadhi bereikt.