Text: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56,

III. Vibhuti Pada

 

Vibhuti betekent manifestatie. Door koncentratie, meditatie en Samadhi (III 1 tot 4) op een objekt openbaart dat objekt al zijn geheimen (III 5).

 

Vers 1.

Het houden van de Chitta (geest) op één plaats is Dharana (koncentratie).

 

Vers 2.

Als de mentale neigingen onophoudelijk daarop vloeien is dat Dhyana (meditatie).

 

Vers 3.

Als in dat proces de betekenis (ware aard) van het objekt schijnt en het alle vormen opgeeft (d.i. ongekonditioneerd is door projekties van de geest) is dat Samadhi.

 

Vers 4.

Die drie (Dharana, Dhyna, Samadhi) samen is Samyama.

 

Vers 5.

Door meesterschap hierin verwerft men het licht van de kennis.

 

Vers 6.

Dat moet stadium na stadium worden beoefend.

 

Vers 7.

Deze drie zijn innerlijker dan de voorgaande.

 

Vers 8.

Zelfs deze zijn uiterlijke hulpmiddelen voor de Nirbidja Samadhi (I 51).

 

Vers 9.

De toestand van de Chitta waarin de Samskaras (indrukken) van de waaktoestand worden onderdrukt en de Samskaras van Nirodha (I 2) zich manifesteren wordt Nirodha Parinama (toestand of verandering van beheersing) genoemd.

 

Vers 10.

Zijn stroom wordt door die Samskaras kalm.

 

Vers 11.

Als de verstrooiingen van de geest (Chitta) verdwijnen en als hij eenpuntig (Ekagrata) wordt, gaat hij in de toestand van Samadhi (Samadhi Parinama).

 

Vers 12.

De eenpuntigheid van de geest (Ekagrata Parinama) bestaat erin dat de mentale neigingen van rust zich in eindeloze opvolging manifesteren.

 

Vers 13.

Dit verklaart de drie soorten van verandering (Parinama) van vorm, tijd en toestand in de materie en de zinnen.

 

Vers 14.

Dharmie is het substraat dat blijft, in verleden, heden en toekomst, in zijn eigen natuur.

 

Vers 15.

De opeenvolging van veranderingen is de oorzaak van de veelvoudige evolutie.

 

Vers 16.

Door Samyama (III 4) op de drie soorten van verandering (III 13) verwerft men kennis van verleden en toekomst.

 

Vers 17.

Door Samyama op naam (Shabha), betekenis (Artha) en kennis (Pratyaya) afzonderlijk, komt de kennis van klanken geuit door alle schepselen.

 

Vers 18.

Door Samyama op Samskaras verwerft men kennis van voorbije levens.

 

Vers 19.

Door Samyama op de mentale neigingen van een ander verwerft men kennis van zijn Chitta,

 

Vers 20.

Maar niet van de inhoud (steun) ervan, omdat dat niet het objekt van de Samyama is.

 

Vers 21.

Door Samyama op de vorm van het lichaam wordt zijn vermogen tot manifestatie belemmerd; de verbinding tussen het licht en de ogen van de waarnemer wordt verbroken en het lichaam wordt onzichtbaar.

 

Vers 22.

Hierdoor wordt ook het niet hoorbaar zijn van woorden verklaard.

 

Vers 23.

Door Samyama op twee soorten Karmas, nl. die hun resultaten spoedig geven en die later vruchten dragen, kan de Yogi het ogenblik van zijn dood kennen en de voortekens van de dood herkennen.

 

Vers 24.

Door Samyama op vriendschap enz. (I 33) verwerft men gelijkaardige innerlijke kracbten.

 

Vers 25.

Door Samyama op de kracht van dieren als de olifant verwerft de Yogi kracht.

 

Vers 26.

Door Samyama op het Innerlijk Licht (I 36) verwerft bij kennis van alles wat subtiel, verborgen of veraf is.

 

Vers 27.

Door Samyama op de zon komt kennis van de werelden.

 

Vers 28.

Door Samyama op de maan komt kennis van de sterren.

 

Vers 29.

Door Samyama op de poolster komt kennis van de bewegingen van de sterren.

 

Vers 30.

Door Samyama op de navel (Nabhichakra) komt kennis van de samenstelling van het lichaam.

 

Vers 31.

Door Samyama op de Kanthakupa (keelholte, Vishuddhachakra) overwint bij honger en dorst.

 

Vers 32.

Door Samyama op de Kurmanadie verwerft hij vastheid van het lichaam.

 

Vers 33.

Door Samyama op de schittering in de top van het hoofd (Sahasrarachakra) verwerft hij de visie van de Siddhas.

 

Vers 34.

Of de Yogi kent alles door intuitief inzicht (Pratibha).

 

Vers 35.

Door Samyama op het hart (Anahatachakra) verwerft men kennis van de inhoud van de Chitta (geest).

 

Vers 36.

Geen onderscheid maken tussen Purusha (Zelf) en Sattva (intellekt), die totaal verschillen, heeft Bhoga (II 13) tot gevolg. Door Samyama op de Purusha die bestaat omwille van zichzelf en niet op de Sattva, die maar haar instrument is, verwerft men kennis van de Purusha.

 

 

Vers 37.

Daardoor verwerft men de kennis die eigen is aan Pratibha (III 34) en de bovennatuurlijke vermogens van horen, aanraking, zien, proeven en ruiken.

 

Vers 38.

Dit zijn hindernissen in Samadhi maar Siddhis (krachten) in de wereldse toestand.

 

Vers 39.

Als de oorzaak van de slavernij van de chitta wordt opgegeven, kan de Yogi, door kennis van de werking van de zenuwstromen, binnentreden in het lichaam van anderen (dood of zelfs levend).

 

Vers 40.

Door beheersing over Oedana (Prana in de streek van de keel; heeft een opwaartse beweging) kan bij op water en moerassen of op doorns en dergelijke wandelen en kan bij sterven als hij wil.

 

Vers 41.

Door bebeersing over Samana (Prana in de streek van de navel; verdeelt verteerd voedsel) wordt zijn lichaam schitterend als vuur.

 

Vers 42.

Door Samyama op het verband tussen oor en ether (Akasha) verkrijgt de Yogi bovennatuurlijke vermogens tot horen (helderhorendheid).

 

Vers 43.

Door Samyama op de relatie tussen het lichaam en Akasha (ether) wordt de Yogi licht als een pluisje katoen en verwerft hij het vermogen door de lucht te vliegen.

 

Vers 44.

Door Samyama op de Vritti die niet extrovert is en Mahavideha wordt genoemd, komt het verdwijnen van de bedekking van het Licht (alle onwetendheid verdwijnt).

 

Vers 45.

Door Samyama op de grove en subtiele elementen, op hun wezenlijke eigenschappen en het inherent zijn van de drie Goenas, verwerft bij meesterschap over de elementen (II 18, 19).

 

Vers 46.

Hierdoor verwerft hij de Siddhis (krachten) en de volmaaktheid van het lichaam. De belemmerende kracht van de elementen bestaat niet langer.

 

Vers 47.

De weelde of volmaaktheid van het lichaan bestaat uit schoonheid, schittering, kracht en de hardheid van de donderhamer.

 

Vers 48.

Door Samyarna op de vijf stadia van transformatie die de zintuigen ondergaan, nl. Grahana (objektvorming), Svarupa (verlichting), Asmita (ego), Anvaya (inherent van de Goenas), Arthavatva (hun bijdrage tot ervaring of Bhoga) komt meesterschap over de zintuigen.

 

Vers 49.

Hierdoor verwerft het lichaam het vermogen zo snel te bewegen als de geest, verwerven de zintuigen het vermogen onafhankelijk van het lichaam te funktioneren en komt meesterschap over de natuur.

 

Vers 50.

Door Samyama op de kennis van het Verschil tussen Sattva en de Purusha komen almacht en alwetendbeid (III 36).

 

Vers 51.

Door gehechtheid voor zelfs deze zaken op te geven wordt het zaad van alle kwaad vernietigd en wordt Kaivalya (IV 34) bereikt.

 

Vers 52.

Uit vrees nogmaals te worden gegrepen door onwetendheid voelt de Yogi zich niet gevleid of verblind door bekoringen van onzichtbare wezens uit hogere regionen.

 

Vers 53.

Door Samyama op momenten en hun opeenvolging komt Vivekakhyati (II 26).

 

Vers 54.

Daardoor kan men het onderscheid zien tussen objekten, die niet kunnen worden onderscheiden door hun soort, eigenschappen en plaats in de ruimte en die volstrekt gelijkaardig schijnen.

 

 

Vers 55.

Vivekajnana (kennis van het onderscheidingsvermogen) is Tarakam (III 34) (verlost zijn van onwetendheid). Ze kent alle objekten gelijktijdig, op ieder ogenblik van hun bestaan en in al hun stadia en zijnswijzen.

 

Vers 56.

Kaivalya (IV 34) wordt bereikt als de Sattva en de Purusha (III 36) even zuiver zijn.