WAT IS NIET-CONFESSIONELE ZEDENLEER ?

De cursus zedenleer  ( moraal)

Evolutie:

-   Naast de 6 officieel erkende godsdiensten heeft de wetgever in ons land de vrijzinnigheid
     erkend. Sinds begin de jaren ‘60 wordt in het basisonderwijs het vak ‘niet-confessionele    
     zedenleer’ (moraal) georganiseerd. 
-    In 1978 werd in de gemeentescholen van Beerse voor de eerste keer NCZ  op het
     keuzeformulier aangeduid. (1 leerling in Schransdries)
-    In het schooljaar 2005-2006 volgen er in de basisschool Schransdries 50 leerlingen de cursus.
-    Ondanks de grote ontkerkelijking en secularisering is er toch eerder een trage maar positieve
     evolutie van het leerlingenaantal. Mogelijke redenen: onwetendheid bij een deel van de ouders,
     sociale druk van familie, traditie.

Betekenis:

-    Moraal: ‘mores’: ‘zeden’: leer van de zeden en de gewoonten van de mens
-    Kinderen begeleiden in hun groei naar volwassenheid
-    Zie ook de website van de school:
www.school-schransdries-beerse.be   (zedenleer)
-    Moraal kan niet aangeleerd worden, is als dusdanig geen leervak; het ‘vak moraal’ streeft naar
     methoden die leiden tot moreel denken.
     Maar het is onzinnig te verwachten om via een cursus het morele denken van een volwassene
     over te planten in het brein van een kind of jongere.
     Een cursus impliceert ook een zekere finaliteit, wat ook voor moraal of moreel denken 
     onmogelijk is.

Symbool:

-    Fakkel (licht en warmte)
      De fakkel helpt de mens zoeken naar wijsheid, schoonheid, kracht

 Wat doen we in de klas:

-    Het welbevinden van de leerlingen staat centraal
-    Er is een officieel leerplan: via diverse werkvormen  en thema’s worden 
     procesdoelen nagestreefd.
     Tegen het einde van de basisschool zijn de kinderen vertrouwd met een aantal 
     elementaire begrippen (democratie, verdraagzaamheid, solidariteit, seksualiteit,
     oorlog en vrede, godsdiensten, geloof en bijgeloof…)
-    Kinderen moeten kansen krijgen, eigen gedachten en gevoelens hebben
-    Kinderen moeten blij gemaakt worden met sfeer, met vormen van samen-zijn en
     samen-werken.
-    Kinderen moeten gevoelig gemaakt worden voor weerbaarheid, de andere mens,
     de andere omgeving, andere samenlevingsvormen
-    Kinderen moeten gestimuleerd worden tot experimenteren, durven, uiten, twijfelen
-    Kinderen moeten verbanden zien tussen gedragingen, behoeften, gebeurtenissen,
      reglementen, wetten..

 De leerkracht moraal:

 -   De leerkracht stimuleert de leerlingen in hun zoektocht naar zichzelf, de anderen, de wereld om
     zich heen.
 -   De kinderen leren er samen werken, taken verdelen, verantwoordelijkheid nemen,respectvol met
     elkaar omgaan.
 -   De leerkracht is ook een vertrouwensfiguur, tussen ouders en school, tussen kind en
     klastitularis.  

 Wat verwachten de ouders:

 -  De jongeren moeten het recht hebben hun eigen mening te vormen over de wereld
    en alles ‘wat er rond draait’.
 -  De leerkracht mag als mentor zijn eigen visie kenbaar maken, maar stelt zich open voor alle
    ideeën, zolang deze de waarheid nastreven en de waardigheid van de mens centraal stellen.  

 Evaluatie / rapportering:

 - Het is moeilijk om bij kinderen een evaluatie te maken van hun morele vaardigheden.
   Bij een normale positieve ingesteldheid ontvangen de kinderen een
A.
   De leerlingen van het 6° leerjaar krijgen ‘echte’ toetsen, als onderdeel voor hun  
  
‘getuigschrift basisonderwijs’.