GEZIEN IN NEDERLAND.
Graan Aren Silage (G.A.S.)
Bij Graan Aren Silage worden de aren van het graan geheel geoogst met een 'aren bek'. Bij een drogestofgehalte van 60 tot 70% worden alleen de hele aren geoogst, op het moment dat de aar begint te verkleuren. Voor tarwe is dit in de tweede helft van juli. Het stro blijft staan. Vervolgens wordt deze arensilage zeer fijn gehakseld en de graankorrels geplet door de korrelkneuzer in de hakselaar. Er kan direct van het land ingekuild worden in een rijkuil. Het stro laat men een week tot twee weken na de arenoogst zichzelf wat strekken en afsterven. Daarna maait men in tegengestelde richting van de arenoogst het stro af met een schijvenmaaier. Vervolgens laten drogen en later op zwadden leggen en persen. Er blijft 2 tot 3 ton stro per hectare over, afhankelijk van de aarstand, strolengte en perceelsindeling.
Klik op de foto's om ze beter te bekijken.
Doordat het graan niet geheel meer afrijpt, omdat de aren geoogst worden op het moment dat er bijna geen melk meer uit de korrel te knijpen zoals bij de oogst van snijmaïs, wordt er meer bestendig zetmeel geoogst t.o.v. een droge korrel. De aren hebben als geheel dan een drogestof percentage van 60 tot 70%. Dit onbestendig zetmeel is van grote waarde voor een rund, in tegenstelling tot een varken.
Onbestendig zetmeel hebben we nodig voor een goede pensvertering, een goede energieleverancier voor de pensbacteriën. Deze pensbacteriën moeten de ruwe celstof van het ruwvoer afbreken om deze goed te kunnen benutten.
Bij het verder afrijpen van het graan wordt het zetmeelgehalte in de korrel niet veel hoger meer, maar juist het bestendig zetmeelgehalte wordt hoger. Niet een voordeel voor de pensvertering dus. We moeten het graan dan weer laten ontsluiten (met bijvoorbeeld verse bierbostel) of laten pletten of malen. Deze extra moeite en kosten zijn dus niet nodig.
Een tweede pluspunt van arensilage t.o.v. graankorrels is dat we de gehele aar oogsten bij een vochtpercentage van 30 tot 40%. Dan zijn de kiemlobben in de aar, in het groeipuntje van de korrel, nog sterk ontwikkelt. Deze kiemlobben zijn de enige echte eiwitbron in graan. Dus als we het graan niet geheel af laten rijpen hebben we meer eiwit gewonnen. Dit kan oplopen tot 20 à 25% meer eiwit. En wel bestendig eiwit. Wat weer goed bijdraagt aan de melkproductie. Want naast microbieel eiwit uit de pens hebben we in het rantsoen een deel bestendig eiwit nodig voor de melkdrang en het eiwitgehalte in de melk. Iets wat anders vaak geheel uit bijvoorbeeld sojaschroot moet komen.