WETGEVING: Mest Actie Plan.
Besluit mestuitscheidingsbalansen.
Klik hier voor het volledige besluit over de mestuitscheidingsbalansen.
Om de nutriëntenproductie op uw bedrijf te berekenen kan men kiezen uit 4 verschillende systemen:
- Forfaitair systeem: dit is het eenvoudigste systeem, hiervoor is een tabel opgesteld met forfaitaire uitscheidingscijfers per diersoort. Om de productie van het bedrijf te kennen dient men enkel het aantal aanwezige dieren te vermenigvuldigen met het forfaitair uitscheidingscijfer. Klik hier voor de forfaitaire uitscheidingscijfers.
Hoe ga je te werk bij de berekening van uw productie?
Je houdt maandelijks het aanwezigheidsregister bij en op het einde van het jaar kan je het gemiddelde maken. Dit gemiddelde vermenigvuldig je met de juiste forfaitair uitscheidingscijfers en je bekomt de totale nutriëntenproductie van uw bedrijf. Voor de rest moet je geen documenten bijhouden.
- De veevoederconvenant: de veevoederconvenant is eigenlijk een Milieu Beleids Overeenkomst (MBO) met de Vlaamse overheid. Voor 2003-2004 is dit nog een voorlopige regeling, in afwachting van een definitieve MBO. Bij het veevoederconvenant moet men gebruik maken van fosfaatarm voeder. Hierdoor kan men gebruik maken van uitscheidingscijfers die lager zijn dan de forfaitaire cijfers, althans voor fosfaat. Klik hier voor de uitscheidingscijfers in het veevoederconvenant.
Wie wil gebruik maken van het veevoederconvenant, mag enkel het fosfaatarme voeder toedienen aan zijn dieren. Dit wil zeggen dat hij daar geen andere producten mag in vermengen (vb:C.C.M.). Wie als zelfmenger of inmenger toch gebruik wil maken van het veevoederconvenant, moet het veevoederconvenant ondertekenen. Klik hier voor de volledige tekst over het veevoederconvenant 2004-2005. Het ondertekenen kan door middel van dit inschrijvingformulier.
Wie het veevoederconvenant wil ondertekenen moet in het bezit zijn van een erkenning of registratie en verbind zich ertoe om de maximumgehaltes aan fosfaat te respecteren. Andere belangrijke bepalingen zijn de volgende:
* Nemen van minstens 3 monsters gedurende het referentiejaar (oktober 2003 - september 2004) per diersoort (varkens of pluimvee).
* Elk halfjaar (6 maanden) dient minstens 1 van bovenvermelde monsters genomen te zijn. Dus minstens 1 monster tijdens de maanden oktober 2003 t/m maart 2004 en minstens 1 monster gedurende de maanden april 2004 t/m september 2004. Het is echter de bedoeling regelmatig monster te nemen zodat de tijdspanne tussen 2 monsternames ongeveer 4 maanden is.
* De gemiddelde afwijking naar boven mag maximaal 0,06% tP absoluut bedragen.
* De monsters dienen genomen door erkende staalnemers (lijst beschikbaar bij de mestbank of de vereniging) en geanalyseerd door erkende labo's.
* Het labo dient de uitslag rechtstreeks aan de mestbank te bezorgen, naast kopie aan uzelf uiteraard.
Hoe ga je te werk bij de berekening van uw productie?
Je houdt maandelijks het aanwezigheidsregister bij en op het einde van het jaar kan je het gemiddelde maken. Dit gemiddelde vermenigvuldig je met de juiste uitscheidingscijfers en je bekomt de totale nutriëntenproductie voor uw bedrijf. Als bewijs dient de landbouwer alle facturen van het aangekochte veevoeder, met daarop de gehaltes aan fosfor en eiwit, te bewaren. Ook dienen de betalingsbewijzen van deze facturen aanwezig te zijn. Op het einde van het jaar dient de veevoederfabrikant een attest te maken met daarop de geleverde voeders en de bijhorende gehaltes aan fosfor en eiwit.
Een zelfmenger dient een attest te vragen aan zijn kernvoederleverancier. Het attest van uw kernvoederleverancier moet de volgende gegevens bevatten:Daarnaast is het nog nodig om een beginstock en een eindstock per soort kern op te maken, dit om het voederverbruik per productiejaar exact te kunnen bepalen. Als bewijs van de geleverde kernen moeten de facturen van kern kunnen voorgelegd worden.
- per soort kern de geleverde hoeveelheid,
- per soort kern de samenstelling,
- per soort kern de verhouding kernvoeder/veevoeder.
- De regressierechte: via de regressierechte berekent men de reële uitscheidingshoeveelheden volgens een vastgelegde regressierechte. Deze regressierechte is opgesteld per diersoort. Klik hier voor de regressieformules.
Hoe ga je te werk bij de berekening van uw productie?
Je houdt maandelijks het aanwezigheidsregister bij en op het einde van het jaar kan je het gemiddelde maken. Naast het aanwezigheidregister moet je ook een register voederverbruik bijhouden. Klik hier voor een voorbeeld van een register voederverbuik. Dit register moet bijgehouden worden per diersoort en moet ingevuld worden telkens er voeder wordt geleverd. Voor een inmenger moet men het invullen telkens wanneer er halfvoeder wordt geleverd. De regel daaronder moet men dan de bijhorende hoeveelheid van de in te mengen grondstof noteren. Voor een zelfmenger vult men dit register aan telkens er voeder wordt aangemaakt. Een zelfmenger kan voor dit register ook het register van de productie gebruiken die hij moet bijhouden in zijn handboek. Aan dit register moet hij dan wel twee kolommen toevoegen, waar hij de hoeveelheid fosfaat en stikstof kan in noteren. Ook dient hij het register van de productie uit te splitsen per diersoort.
Als bewijs dient de zelfmenger een attest te vragen aan zijn kernvoederleverancier. Het attest van uw kernvoederleverancier moet de volgende gegevens bevatten:
- per soort kern de geleverde hoeveelheid,
- per soort kern de samenstelling,
- per soort kern de verhouding kernvoeder/veevoeder.
Daarnaast is het nog nodig om een beginstock en een eindstock per soort kern op te maken, dit om het voederverbruik per productiejaar exact te kunnen bepalen.
Als bewijs van de geleverde kernen moeten de facturen van kern kunnen voorgelegd worden.